Betrokkene kreeg een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) voor het niet voeren van een zichtbaar achterlicht op zijn fiets op 25 augustus 2024 in Groningen. De boete bedroeg €79,00. Betrokkene stelde beroep in bij de officier van justitie, die het ongegrond verklaarde, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting op 23 april 2026 toonde betrokkene een video die kort na de overtreding was gemaakt. Hierop was te zien dat het achterlicht wel functioneerde, maar slechts beperkt zichtbaar was wanneer er met een lamp op werd geschenen. De verbalisanten hadden de overtreding vastgesteld terwijl zij met hun autolampen op de fiets schenen, waardoor het achterlicht niet zichtbaar was. De kantonrechter twijfelde aan de verklaring van de verbalisanten en oordeelde dat de gedraging niet kon worden vastgesteld.
De kantonrechter verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de boete en bepaalde dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt. De officier van justitie was vertegenwoordigd door mr. F. Buddingh. Tegen deze beslissing kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.