Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1903

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C.18/26/1149 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 288 FaillissementswetArt. 288 lid 1 sub b FaillissementswetArt. 288 lid 3 FaillissementswetArt. 349a lid 1 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling ondanks gokproblematiek

Verzoeker diende op 2 juli 2025 een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp), ingediend door Kredietbank Nederland. Tijdens de zitting van 21 januari 2026 verscheen verzoeker met zijn schuldhulpverlener, beschermingsbewindvoerder en sociaal werker. De rechtbank stelde het vonnis aanvankelijk uit om verzoeker de gelegenheid te geven aan te tonen dat zijn gokverslaving onder controle was, onder meer door behandelafspraken en bankafschriften te overleggen.

Uit de stukken en zitting bleek dat verzoeker een schuld van €19.345,17 had, ontstaan door onenigheid met zijn verhuurder en vervolgens door gok- en blowgedrag. Sinds 25 september 2025 staat hij onder beschermingsbewind. De schuldhulpverlener en beschermingsbewindvoerder bevestigden dat verzoeker niet meer gokt en financieel stabiel is. Hoewel verzoeker niet te goeder trouw was ten aanzien van een deel van de schulden, oordeelde de rechtbank dat de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro van toepassing is, omdat verzoeker zijn verslavingsproblematiek onder controle heeft gekregen.

De rechtbank achtte de gedragsverandering voldoende duurzaam, ondanks dat de vereiste periode van een jaar nog niet was bereikt, en wees het verzoek toe. De Wsnp-termijn werd vastgesteld op 18 maanden vanaf de datum van het vonnis. Verzoeker had niet verzocht om een eerdere ingangsdatum en de rechtbank zag geen aanleiding deze te bepalen. Tot slot benoemde de rechtbank een rechter-commissaris en bewindvoerder en gaf de bewindvoerder last tot het openen van aan verzoeker gerichte post.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegewezen met een termijn van 18 maanden, ondanks gokgerelateerde schulden, op grond van een geslaagd beroep op de hardheidsclausule.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie:
Leeuwarden
zaaknummer: C/18/26/1149 R
vonnis van 21 mei 2026
in de zaak van:
[verzoeker] ,geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker.

1.PROCESGANG

1.1.
Verzoeker heeft op 2 juli 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het verzoek is ingediend door Kredietbank Nederland (KBNL).
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 21 januari 2026.
Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met zijn schuldhulpverlener [schuldhulpverlener] werkzaam bij KBNL, zijn beschermingsbewindvoerder mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , werkzaam bij KBNL en de heer [sociaal werker bij wijkteam] .
1.3.
Bij vonnis van 3 februari 2026, welke hier als herhaald en ingelast wordt beschouwd, heeft de rechtbank haar beslissing aangehouden met drie maanden. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat hij zijn gokverslaving structureel onder controle heeft. Verzoeker dient daartoe bewijs van de behandelafspraken, die hij in de periode van januari 2026 tot en met april 2026 heeft met VNN te overleggen. Verder dient hij bankafschriften van de beheer- en betaalrekening vanaf 16 oktober 2025 tot 1 mei 2026 te overleggen. KBNL is in de gelegenheid gesteld om namens verzoeker alsnog een beroep te doen op de hardheidsclausule en verzocht de rechtbank te informeren over het verloop van het minnelijk traject. De beschermingsbewindvoerder wordt verzocht om budgetoverzichten te verstrekken om aan te tonen dat sprake is van een financieel stabiele situatie.
1.4.
KBNL heeft bij brief van 16 april 2026 nadere informatie verstrekt.

2.RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
2.2.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2.3.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
2.4.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
2.5.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen. Verzoeker heeft een totale schuldenlast van € 19.345,17. De schulden zijn met name ontstaan de afgelopen drie jaren. Verzoeker heeft aangegeven dat het begin van zijn schuldenproblematiek is ontstaan door onenigheid met zijn verhuurder over het betalen van stroom en dat hij daarna is gaan gokken en blowen, waardoor er meer schulden zijn ontstaan. Vanaf 25 september 2025 staat verzoeker onder beschermingsbewind.
2.6.
De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat verzoeker de afgelopen drie maand niet meer heeft gegokt en dat hij op 22 januari 2026 een afspraak heeft bij VNN.
2.7.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat sprake is van een financieel stabiele situatie. Verzoeker werkt goed mee en daarnaast is sprake van een goede samenwerking met de heer [sociaal werker bij wijkteam] .
2.8.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat de schulden recent zijn ontstaan vanuit gokproblematiek.
2.7.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
2.8.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
2.9.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Het uitgangspunt is dat deze keer ten goede gedurende 1 jaar bestendig moet zijn. Hoewel dat in de situatie van verzoeker niet het geval is, ziet de rechtbank dat verzoeker op de goede weg is. Hij maakt gebruik van beschermingsbewind, krijgt begeleiding vanuit [wijkteam] en is gestart met de aanpak van zijn verslavingsproblematiek door zich aan te melden bij VNN, waar hij meerdere gesprekken heeft gehad. Dat er nog geen concreet behandelplan is vanuit VNN valt naar het oordeel van de rechtbank verzoeker niet te verwijten. Uit de na de zitting overgelegde bankafschriften vanaf 1 oktober 2025 is niet gebleken van gok gerelateerde transacties. Verder is gebleken van een financieel stabiele situatie. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.
2.10.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
Ingangsdatum WSNP
2.11.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
2.12.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen nu onderbouwing daarvan ontbreekt.

3.3. BESLISSING

De rechtbank:
3.1.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ;
3.2.
stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
3.3.
benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te Burgemeester [adres] ;
3.4.
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op
21 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.