Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1983

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2604506:R-RK
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b lid 1 FwArt. 305 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium ter voorkoming ontruiming huurwoning

Verzoeker heeft bij de rechtbank een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning te schorsen, omdat hij een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers wil treffen en anders toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) zal verzoeken. De verhuurder dreigde met ontruiming op 11 maart 2026.

De rechtbank heeft op 27 februari 2026 een tussenvonnis gewezen en een tijdelijke voorziening getroffen. Op de zitting van 9 april 2026 is gebleken dat verzoeker de huur sinds het tussenvonnis volledig heeft betaald en dat hij budgetbeheer heeft bij de Gemeentelijke Kredietbank. Tevens is aangekondigd dat een spoedaanvraag voor beschermingsbewind zal worden ingediend.

De verhuurder heeft verklaard geen bezwaar meer te hebben tegen toewijzing van het verzoek vanwege deze spoedaanvraag. De rechtbank wijst het verzoek toe voor een periode van maximaal zes maanden vanaf 27 februari 2026, onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig en volledig worden voldaan. De voorziening vervalt bij intrekking van het Wsnp-verzoek of bij een definitieve beslissing daarop.

De rechtbank bepaalt tevens dat de huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening en dat de schuldhulpverlener uiterlijk vier weken voor het einde van de voorziening verslag uitbrengt aan de rechtbank.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening toe en schorst de ontruiming van de huurwoning voor maximaal zes maanden onder de voorwaarde van tijdige huurbetaling.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie
Zittingsplaats Assen
Rekestnummer: NL:TZ:2604506:R-RK
Uitspraak van 17 april 2026
In de zaak van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker, hierna te noemen: verzoeker,
tegen
Stichting Stichting Actium,
gevestigd en kantoorhoudende te Assen,
gemachtigde: AGIN Pranger Gerechtsdeurwaarders,
hierna te noemen: de verhuurder,
tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet (Fw).

1.De procedure

1.1
Verzoeker wil proberen om met zijn schuldeisers een schuldregeling te treffen, maar de verhuurder dreigt zijn huurwoning op 11 maart 2026 te ontruimen.
Daarom heeft verzoeker op 23 februari 2026 twee verzoeken bij de rechtbank ingediend. Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om de uitvoering van het ontruimingsvonnis te schorsen (moratorium). Daarnaast heeft hij een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
1.2
Op 27 februari 2026 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Daarbij is de behandeling van de zaak verwezen naar de zitting van 9 april 2026, en is ter overbrugging van de tussenliggende periode een tijdelijke voorziening getroffen.
1.3
Het verzoek is behandeld op de zitting van 9 april 2026 behandeld, waarbij verzoeker is verschenen samen met zijn schuldhulpverleners, de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] van de Gemeentelijke Kredietbank (GKB). Namens de verhuurder is mevrouw [naam 3] van Stichting Actium verschenen.
1.4
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek

2.1
De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw Pro om een ontruiming van de woning op 11 maart 2026 te voorkomen.
2.2
Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij probeert een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers te treffen dan wel – als dat niet
lukt – toelating tot de Wsnp zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens verzoeker noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.
2.3
De schuldhulpverlener heeft op 16 maart 2026 tussentijds verslag uitgebracht, waaruit blijkt dat de huur sinds de datum van het tussenvonnis volledig is betaald. Van de huurbetaling is een betaalbewijs overgelegd. Verzoeker heeft sinds
16 maart 2026 budgetbeheer bij de GKB. Op de zitting is daaraan toegevoegd dat er een spoedaanvraag voor beschermingsbewind bij de rechtbank zal worden ingediend.

3.Het verweer

3.1
De verhuurder heeft op de zitting is verklaard dat zij op de zitting is verschenen, omdat verzoeker steeds nieuwe betalingsachterstanden laat ontstaan. Inmiddels is er voor de tweede keer ontruiming aangezegd. Nu verzoeker op de zitting heeft verklaard dat er spoedaanvraag voor beschermingsbewind zal worden ingediend, heeft de verhuurder geen bezwaar meer tegen toewijzing van het verzoek.

3.De beoordeling

3.1
Nu de verhuurder heeft verklaard geen bezwaar meer te hebben tegen toewijzing van het verzoek door de verklaring van verzoeker dat hij met spoed beschermingsbewind zal aanvragen, zal de rechtbank het verzoek toewijzen. De rechtbank zal daarbij uitgaan van een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van het tussenvonnis. In het belang van de verhuurder zal de rechtbank tevens bepalen dat de voorziening slechts geldt zolang aan de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar de voorziening betrekking op heeft wordt voldaan.
3.2
Op het verzoek tot toepassing van de Wsnp wordt nu nog niet beslist, omdat het minnelijk traject nog moet worden afgerond. Als tijdens de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met de schuldeisers tot stand komt, dient verzoeker dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de Wsnp in te trekken.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
schorst de tenuitvoerlegging van het op 20 januari 2026 door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland gewezen vonnis tot ontruiming van de woning aan het adres [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
4.2
bepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat de periodiek
verschuldigde huurtermijnen tijdig en volledig zullen worden voldaan;
4.3
bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van maximaal zes maanden met ingang van 27 februari 2026;
4.4
bepaalt dat de voorziening in elk geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de Wsnp wordt ingetrokken, dan wel dat een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
4.5
bepaalt dat de schuldhulpverlener uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b lid 6 Fw.
Dit is de beslissing van mr. H.J. Idzenga, rechter, bijgestaan door de griffier.
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.