ECLI:NL:RBNNE:2026:208

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
24/2986
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd voor parkeren op parkeerapparatuurplaats

Eiser had een parkeervergunning voor vergunningshoudersplekken binnen Zone 1 in Leeuwarden voor 2024. Op 12 april 2024 parkeerde hij zijn auto op een parkeerapparatuurplaats binnen dezelfde zone zonder parkeerbelasting te betalen. De heffingsambtenaar legde daarom een naheffingsaanslag op, die na bezwaar werd gehandhaafd.

Eiser stelde dat zijn vergunning ook geldig was voor parkeerapparatuurplaatsen, verwijzend naar informatie op de gemeentelijke website. De heffingsambtenaar verwees naar een brief waarin het onderscheid tussen vergunningshoudersplekken en parkeerapparatuurplaatsen werd verduidelijkt.

De rechtbank oordeelde dat de vergunning van eiser slechts geldig was voor vergunningshoudersplekken en dat de parkeerplaats waar hij stond een parkeerapparatuurplaats betrof. Intentie of onwetendheid van eiser doet niet af aan de verschuldigdheid van de parkeerbelasting. Overmacht was niet aannemelijk. De naheffingsaanslag werd daarom terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting is terecht opgelegd en het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2986
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Leeuwarden, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 20 juni 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft eiser op 8 juni 2024 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (de naheffingsaanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de heffingsambtenaar [naam] .

Feiten

2. Eiser heeft een parkeervergunning voor vergunningshoudersplekken binnen Zone 1 in Leeuwarden voor het jaar 2024.
2.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiser een naheffingsaanslag opgelegd omdat zijn auto met kenteken [kenteken] op 12 april 2024 in de [adres] (binnen Zone 1 gelegen) in Leeuwarden geparkeerd stond terwijl daarvoor geen parkeerbelasting was betaald.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft op 5 april 2024 een brief gestuurd aan eiser met als onderwerp “bewonersvergunning vestigingszone, P206029” en met als doel om informatie te verstrekken over gestelde vragen over het parkeren in de binnenstad met een parkeervergunning. In de brief staat – voor zover hier van belang – het volgende:

U heeft een parkeervergunning voor parkeerzone 1 Vergunninghouders. Dit betekent dat u alleen in parkeerzone 1 op de aangewezen plekken kunt parkeren. Deze plekken zijn oranje gearceerd (Vergunninghouders) op de parkeerzonekaart (zie bijlage).
2.3.
Op de website van de gemeente staat met betrekking tot de vergunningen – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
Parkeervergunning/ -ontheffing
per jaar
Zone 1 tot en met 5
Op naam van een inwoner in de vestigingszone binnen het
centrum, voor het parkeren in de vakken op
vergunninghoudersplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen.
€ 248,-

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd
.Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de naheffing parkeerbelasting terecht opgelegd?
5. Eiser stelt dat zijn vergunning voor alle betaald parkeerplekken in Zone 1 geldig is, dus dat hij ook mocht parkeren op een parkeerapparatuurplaats. Ter ondersteuning van zijn stelling wijst eiser op de tekst op de website van de gemeente (2.3), waar volgens hem staat dat hij óók op parkeerapparatuurplaatsen mocht parkeren. De heffingsambtenaar voert daar tegenin dat de vergunning van eiser enkel geldig is voor de vergunningshoudersplekken binnen Zone 1 en dat de [adres] niet valt onder de aangewezen plekken voor vergunningshouders. De heffingsambtenaar verwijst naar de brief van 5 april 2024 (2.2) waarin het onderscheid tussen vergunningshoudersplekken en parkeerapparatuurplaatsen verduidelijk wordt.
6. Vaststaat dat eiser een parkeervergunning voor vergunningshoudersplekken in Zone 1 had in 2024 (2.). Tussen partijen is niet in geschil dat de parkeerplaats waar eiser in de [adres] geparkeerd stond een zogeheten parkeerapparatuurplaats is. Partijen verschillen van mening over of de vergunning van eiser ook geldig is voor parkeerapparatuurplaatsen.
6.1.
Dat is niet zo. Anders dan bij de oplegging van een boete, waarbij opzet en mate van schuld een rol spelen, doet de intentie van de parkeerder voor de heffing van parkeerbelasting er niet toe. Dat eiser zich misschien niet volledig bewust was of een andere interpretatie had van het feit dat zijn vergunning voor Zone 1 niet geldig was voor deze specifieke parkeerplaats in Zone 1, maakt niet dat de naheffingsaanslag niet opgelegd mocht worden. Slechts in bijzondere gevallen kan strikte naleving van de regels met betrekking tot de verschuldigdheid van parkeerbelasting redelijkerwijs niet van de parkeerder worden gevraagd (zogenoemde overmacht). Van overmacht is in dit geval geen sprake. De verwijzing van eiser naar de website van de gemeente brengt de rechtbank niet tot het oordeel dat de naheffingsaanslagen onterecht zijn opgelegd. De rechtbank wijst erop dat in het geval een auto wordt geparkeerd op de parkeerder een onderzoeksplicht rust om zich te verdiepen in de lokale parkeersituatie vóór of op het moment dat het voertuig wordt geparkeerd. De rechtbank neemt in overweging dat eiser op 5 april 2024 een brief ter verduidelijking van de parkeersituatie in Zone 1 ontvangen. Dit was vóór het parkeren in de [adres] . Eiser had door deze brief op de hoogte kunnen zijn van de parkeersituatie dat in die straat betaald parkeren voor parkeerapparatuurplaatsen geldt en niet voor vergunningshoudersplekken. Gelet op het feit dat eiser een vergunning heeft voor enkel vergunningshoudersplekken, maakt dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 29 januari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.