Aan betrokkene is een boete opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het fietsen op 14 januari 2025 in Groningen. Betrokkene stelde dat hij de telefoon pas op de stoep oppakte en betwistte de overtreding. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant, die betrokkene met de telefoon aan het oor zag fietsen, voldoende bewijs vormt voor de overtreding. Betrokkene heeft onvoldoende twijfel gezaaid over deze verklaring. Wel werd vastgesteld dat de hoorplicht door de officier van justitie was geschonden, omdat betrokkene had verzocht te worden gehoord maar dit niet is gebeurd.
De kantonrechter vernietigde daarom de beslissing van de officier van justitie wegens deze procedurele schending, maar verklaarde het beroep tegen de boete inhoudelijk ongegrond. De boete blijft gehandhaafd omdat er geen reden is voor matiging en de schending van de hoorplicht niet structureel was.