De officier van justitie vorderde op 26 februari 2026 primair een machtiging tot gijzeling voor zeven dagen wegens een openstaande boete van €303,00. Subsidiair werd dezelfde gijzeling gevorderd onder de voorwaarde dat de boete binnen een jaar wordt voldaan. De bestrafte verscheen niet op de zitting en bracht geen standpunt naar voren.
De kantonrechter overwoog dat gijzeling alleen gerechtvaardigd is als de bestrafte kan betalen maar niet wil, waarbij de bewijslast bij de bestrafte ligt. Omdat de bestrafte geen betalingsonmacht aannemelijk maakte, werd gijzeling gerechtvaardigd geacht. De primaire vordering tot onvoorwaardelijke gijzeling werd echter afgewezen wegens disproportionaliteit.
De subsidiaire vordering werd toegewezen, waardoor de bestrafte een jaar krijgt om het openstaande bedrag te voldoen. Bij uitblijven van betaling mag hij voor zeven dagen worden gegijzeld. De kantonrechter adviseerde de bestrafte dringend om tot betaling over te gaan om detentie te voorkomen. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen mogelijk.