Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2149

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
AWB_24-2512
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 AWRArt. 11 lid 3 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen individuele aanslag forensenbelasting 2019 gemeente Ameland

Eiser was eigenaar van een stacaravan op een jaarplaats op een camping in de gemeente Ameland en ontving een individuele aanslag forensenbelasting 2019 van €306,75. De heffingsambtenaar had uit doelmatigheidsoverwegingen aan de camping een aanslag opgelegd voor alle stacaravans die aan niet-ingezetenen ter beschikking stonden. Eiser maakte bezwaar tegen de individuele aanslag en stelde dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat andere belastingplichtigen via de camping werden aangeslagen.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had eerder het hoger beroep van eiser gegrond verklaard en de aan de camping opgelegde aanslag verminderd met het bedrag van eiser, omdat de heffingsambtenaar niet aannemelijk had gemaakt dat eiser had ingestemd met de formalisering via de camping. De rechtbank beoordeelt dat eiser belastingplichtig is en dat de stacaravan kwalificeert als woning. De rechtbank stelt dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden omdat alle belastingplichtigen materieel gelijk worden behandeld, ondanks de verschillende wijze van aanslagoplegging.

De rechtbank oordeelt verder dat de uitspraak van het gerechtshof alleen geldt voor de procespartijen en niet voor circa 1.200 andere niet-ingezetenen die stilzwijgend hebben ingestemd met de formalisering via de camping. Ook het zorgvuldigheidsbeginsel is niet geschonden omdat de heffingsambtenaar zorgvuldig overleg heeft gevoerd en bewust heeft gekozen voor deze werkwijze. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de aanslag blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de individuele aanslag forensenbelasting 2019 aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2512

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H.W. de Willigen),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Ameland,

(in de persoon van [naam 1] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 maart 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 december 2022 aan eiser een aanslag forensenbelasting over het jaar 2019 opgelegd van € 306,75.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar van 25 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam 2] .

Feiten

2. Eiser had in 2019 zijn hoofdverblijf in [plaats] . In dat jaar was eiser eigenaar van een stacaravan die stond op een jaarplaats op Vakantiepark [camping] (de camping) in de gemeente Ameland. De stacaravan beschikte over een toilet-, kook- en wasvoorziening, en was aangesloten op gas, water, elektriciteit en riolering. Eiser hield de stacaravan in 2019 op meer dan 90 dagen beschikbaar voor zichzelf en zijn gezinsleden.
2.1.
De Verordening forensenbelasting 2019 van de gemeente Ameland bepaalt onder meer:
‘Artikel 2. Belastbaar feit en belastingplicht
1. Onder de naam 'forensenbelasting' wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
(..)’
2.2.
De heffingsambtenaar heeft - uit doelmatigheidsoverwegingen en op grond van een afspraak met de camping - aan laatstgenoemde een aanslag forensenbelasting voor het jaar 2019 opgelegd ter zake van alle stacaravans op een jaarplaats van de camping die in dat jaar aan nietingezetenen ter beschikking stonden.
2.3.
Eiser is in bezwaar en (hoger) beroep opgekomen tegen het in die aanslag inbegrepen bedrag van € 306,75 in verband met het beschikbaar houden van zijn stacaravan. In afwachting van de uitkomst in hoger beroep en de onzekerheid daarover, heeft de heffingsambtenaar op 31 december 2022 aan eiser de aanslag forensenbelasting 2019 opgelegd. [1]
2.4.
In zijn uitspraak van 20 februari 2024 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [2] het hoger beroep van eiser gegrond verklaard en de aan de camping opgelegde aanslag verminderd met € 306,75. Hiertoe heeft het gerechtshof, voor zover van belang, het volgende in overwogen:
“4.8. Nu de heffingsambtenaar de aanslag heeft opgelegd met toepassing van artikel 64 van Pro de AWR brengt een redelijke verdeling van de bewijslast met zich dat het aan de heffingsambtenaar is om, gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, aannemelijk te maken dat belanghebbende, die de eigenlijke belastingplichtige is, heeft ingestemd met deze wijze van formaliseren. De heffingsambtenaar is daarin, met hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd, niet geslaagd. Het Hof stelt daarbij voorop dat het betuigen van die instemming jegens de heffingsambtenaar moet zijn geschied. De heffingsambtenaar heeft niet gesteld dat daarvan sprake is. Voorts blijkt uit de tekst van de door de heffingsambtenaar genoemde bepaling in de – onder 2.2 genoemde – overeenkomst ook niet van een dergelijke instemming richting [camping] . Hierin wordt immers in het geheel niet gerept over een verlegging van de heffing van forensenbelasting van belanghebbende naar [camping] . Ook het feit dat belanghebbende een aan hem (alvast) doorberekend bedrag heeft betaald, leidt niet tot de conclusie dat belanghebbende heeft ingestemd met het opleggen van de aanslag aan [camping] . Dit betreft enkel een privaatrechtelijke aangelegenheid tussen belanghebbende en [camping] . Bovendien kan hieruit niet zonder meer worden afgeleid dat de reden om te betalen erin is gelegen dat hij instemde met deze wijze van formaliseren. Ook overigens heeft de heffingsambtenaar geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot de conclusie leiden dat is voldaan aan het instemmingsvereiste.”

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar op goede gronden de aanslag forensenbelasting aan eiser heeft opgelegd. Niet in geschil is dat eiser belastingplichtig is en dat de stacaravan kwalificeert als een woning in de zin van de Verordening. Tevens is de hoogte van de aanslag forensenbelasting niet in geschil.
4. Eiser stelt dat het in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel, dat alleen hijzelf en de leden van 'Toeristenprotest Ameland' een individuele aanslag forensenbelasting 2019 hebben ontvangen, terwijl de overige circa 1.200 niet-ingezetenen met een stacaravan op een indirecte wijze via een van de campings in de gemeente Ameland in de heffing zijn betrokken. Eiser stelt dat de gemeente alle tijd heeft gehad om naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen de aan de camping opgelegde aanslag forensenbelasting 2019 de aan alle campings in de gemeente Ameland opgelegde aanslagen in te trekken en aan de belastingplichtigen zelf een individuele aanslag op te leggen.
5. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Volgens hem zijn alle belastingplichtigen die aan het belastbare feit voldoen, betrokken bij de forensenbelasting en gelijk behandeld. Voor de ongeveer 1.200 niet-ingezetenen met een stacaravan die geen bezwaar hebben gemaakt tegen (hun aandeel in) de hen betreffende camping in de gemeente Ameland opgelegde aanslag forensenbelasting 2019, geldt dat deze aanslagen onherroepelijk zijn komen vast te staan.
6. De rechtbank oordeelt als volgt. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld, tenzij er objectieve en redelijke gronden zijn om van deze gelijke behandeling af te wijken. In dit geval is sprake van gelijke materiële behandeling van alle belastingplichtigen die aan het belastbare feit (zie 2.1.) voldoen. Enkel de wijze van vaststelling van de aanslag verschilt doordat in het geval van eiser niet is komen vast te staan dat hij had ingestemd met de formalisering van de belastingheffing via de camping, zoals volgt uit de uitspraak van het gerechtshof (zie 2.4.). De verschillende wijze van formalisering (doorberekend door de camping versus een individuele aanslag) leidt niet tot ongelijke behandeling van overigens vergelijkbare gevallen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de (individuele) aanslag forensenbelasting 2019 aan eiser terecht is opgelegd en dat hij gelijk is behandeld ten opzichte van andere belastingplichtigen.
7. Voor zover eiser heeft bedoeld dat de uitspraak van het gerechtshof doorwerkt naar alle niet-ingezetenen met een stacaravan in de gemeente Ameland en dat iedereen daarom alsnog een individuele aanslag forensenbelasting zou moeten ontvangen, berust dit op een verkeerde veronderstelling. De uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 februari 2024 geldt alleen voor de heffingsambtenaar en eiser als betrokken procespartijen, alsmede - op basis van een door tussenkomst van de gemachtigde van eiser met de heffingsambtenaar gemaakte afspraak - voor de leden van ‘Toeristenprotest Ameland’. De uitspraak van het gerechtshof heeft geen gevolgen voor de circa1.200 andere belastingplichtigen die indirect, met toepassing van artikel 64 van Pro de Algemene wet Rijksbelastingen (AWR), zijn aangeslagen voor de forensenbelasting 2019. Al die andere niet-ingezetenen met een stacaravan hebben geen bezwaar gemaakt tegen (hun aandeel in) de aan de hen betreffende camping in de gemeente Ameland opgelegde aanslagen, waardoor die onherroepelijk zijn geworden. Hun stilzitten kan bovendien naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als een impliciete toestemming met die wijze van formaliseren van de heffing van forensenbelasting.
8. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat, gelet op ‘
de hele gang van zaken’, het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat er uitvoerig overleg met de campings heeft plaatsgevonden en dat ook politiek zorgvuldig is nagedacht over de kwestie. Hoewel het technisch mogelijk was om de circa 1.200 andere belastingplichtigen individueel aan te slaan, is daarvan bewust afgezien. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar hiermee niet heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag forensenbelasting 2019 in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van
R.H. Wolfslag, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 2 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit heeft de heffingsambtenaar gedaan met het oog op het bepaalde in artikel 11, lid 3 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR), waarin staat dat een aanslag binnen drie jaar na het einde van het belastingjaar mag worden opgelegd.
2.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 februari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1288.