Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 juni 2026 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
vennootschapsbelastingredelijkerwijs bekend had kunnen zijn met de liquidatie van [bedrijf 2] . De rechtbank stelt vast dat deze datum later is dan de datum waarop beide definitieve aanslagen IB/PVV 2018 zijn opgelegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2018 niet bekend was met de ontbinding van [bedrijf 2] en het (mogelijk hieruit voortvloeiende) inkomen uit aanmerkelijk belang. Pas op het moment dat de inspecteur vennootschapsbelasting de inspecteur inkomstenbelasting heeft gecontacteerd (zie 2.12.) – na het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2018 – is de inspecteur inkomstenbelasting bekend geraakt met de ontbinding van [bedrijf 2] en het (mogelijk) daarmee gepaard gaand belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. In zoverre levert dit dan ook een feit op dat als uitgangspunt kwalificeert als nieuw feit.
hijgenieter is geweest van een (positief) vervreemdingsvoordeel en daaruit voortvloeiend belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Ook hier weer geldt dat het ter zitting geschetste scenario door de (bijstand van de) gemachtigde van eisers, namelijk dat er mogelijk een aandeelhoudersvergadering heeft plaatsgevonden en dat met 2:216 van het Burgerlijk Wetboek een andere uitkering heeft plaatsgevonden dan naar rato van aandelenbezit, een blote stelling betreft die niet is onderbouwd met stukken. De rechtbank gaat er daarom, met de inspecteur, vanuit dat (liquidatie)uitkeringen hebben plaatsgevonden naar rato van uiteindelijk aandelenbezit en dat is voor eiseres 20 %.