Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2240

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
18/047528-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling handel in verdovende middelen en verboden wapenbezit met deels voorwaardelijke gevangenisstraf

Verdachte werd beschuldigd van meervoudige handel in verdovende middelen en het bezit van verboden wapens en munitie in Groningen gedurende de periode van augustus 2024 tot december 2025. De tenlastelegging omvatte onder meer amfetamine, MDMA, heroïne, cocaïne, 2C-B, 2-MMC, en diverse vuurwapens en munitie. Verdachte bekende de feiten en verklaarde dat hij handelde om zijn eigen gebruik te financieren en zich met wapens veiliger voelde.

De verdediging voerde een vormverzuim aan wegens vermeende onrechtmatige woningbetreding door de politie, maar de rechtbank oordeelde dat de politie rechtmatig handelde in het kader van hulpverlening. De rechtbank achtte de bewezenverklaring wettig en overtuigend, waarbij de handel in een hoeveelheid verdovende middelen en het bezit van wapens en munitie werd vastgesteld. De rechtbank las de tenlastelegging als een primaire-subsidiaire combinatie van handel en bezit.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de aanwezigheid van geladen wapens, de recidivekans, de jonge leeftijd en mogelijke licht verstandelijke beperking van verdachte. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, gekoppeld aan reclasseringsvoorwaarden zoals gedragsinterventie, behandeling en meldplicht. Tevens werd een geldbedrag van €205,- verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met reclasseringsvoorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/047528-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 mei 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door officier van justitie mr. N. Hof.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij in de periode van 1 augustus 2024 tot en met 12 februari 2025 te Groningen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad
  • 17,31 gram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende amfetamine,
  • 87,41 gram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde amfetamine en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 12 februari 2025 te Groningen,
  • een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (omgebouwde gasrevolver), van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 Long Rifle (LR), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool,
  • een wapen van categorie II, onder 3, te weten een hagelgeweer (met afgezaagd lopenpaar en intacte kolf), van het merk Eduard Kettner, type Dubbelloops-Hanen, kaliber .12 Gauge, zijnde een vuurwapen dat zodanig was vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar was en/of dat de aanvalskracht werd verhoogd,
  • een wapen van categorie II, onder 3, te weten een hagelgeweer (met afgezaagd lopenpaar en afgezaagde kolf), type Dubbelloops-Hanen, kaliber .12 Gauge (GA), zijnde een vuurwapen dat zodanig was vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar was en/of dat de aanvalskracht werd verhoogd, en/of
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
  • 30 kogelpatronen, van het merk RWS, type Lead Roundnose, kaliber .22 Long Rifle,
  • 5 kogelpatronen, van het merk Geco, type Volmantel, kaliber 7,65mm,
  • 2 hagelpatronen, van het merk Winchester, type Super Speed 36, kaliber .12 Gauge, en/of
  • 2 hagelpatronen, van het merk Rottweil, type Special Trap 24, kaliber .12 Gauge, voorhanden heeft gehad;
3.
hij in de periode van 1 augustus 2024 tot en met 12 februari 2025 te Groningen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, te weten
  • 684 gram, althans een hoeveelheid, hennep, en/of
  • 190 gram, althans een hoeveelheid, hasjiesj,
zijnde (een) middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
hij in de periode van 1 augustus tot en met 9 december 2025 te Groningen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht,
afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- 1044,12 gram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA,
- 5,68 gram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende heroïne,
- 4,32 gram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, en/of
- 0,82 gram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende 2C-B,
zijnde MDMA, heroïne, cocaïne en/of 2C-B, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5.
hij in de periode van 1 augustus tot en met 9 december 2025 te Groningen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of heeft vervoerd, vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
13 gram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende 2-MMC,
zijnde een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan;
6.
hij in de periode van 1 november tot en met 9 december 2025 te Groningen,
- een wapen van categorie II, onder 3, te weten een hagelgeweer (met afgezaagd lopenpaar en afgezaagde kolf), type Hanen, kaliber .12 Gauge, zijnde een vuurwapen dat zodanig was vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar was en/of dat de aanvalskracht werd verhoogd, en/of
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (omgebouwd gas- of alarmpistool), van het merk Blow, type TR 17 K, kaliber 7,65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- 4 ( getransformeerde) kogelpatronen, van het merk Geco, kaliber 7,65mm,
- 2 hagelpatronen, van het merk Hubertus, type Sport 2mm, kaliber .12 Gauge,
- 22 hagelpatronen, van het/de merk(en) Barrage, Jialing en/of Schonebeck, kaliber .12 Gauge, en/of
- 1 knalpatroon, van het merk Umarex, kaliber 9 mm PAK, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1, 2, 3, 4, 5 en 6.
De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1, 3, 4 en 5 aangevoerd dat de tenlastelegging zo moet worden gelezen dat het gaat om impliciet cumulatieve tenlastelegging van de handel in verdovende middelen en het aanwezig hebben van verdovende middelen.
Verder heeft de officier van justitie aangevoerd dat de ten laste gelegde hoeveelheid amfetamine in feit 1 en MDMA in feit 4 niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van de amfetamine ontbreekt voor 10,81 gram een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), zodat
slechts 6,50 gram wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De hoeveelheid MDMA kan in zijn geheel niet worden bewezen, omdat de rapporten van het NFI die gaan over MDMA per abuis in dit dossier terecht zijn gekomen en niet zien op de zaak van verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 en 2, omdat sprake is van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), dat tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden. Volgens de raadsman is de politie op 12 februari 2026 onrechtmatig de woning van verdachte binnengetreden. De processen-verbaal die zien op de doorzoeking en het aantreffen van goederen in de woning, mogen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt.
Verder heeft de raadsman ten aanzien van feit 1, 3, 4 en 5 aangevoerd dat de tenlastelegging zo moet worden gelezen dat het gaat om een impliciet primaire-subsidiaire tenlastelegging van de handel in verdovende middelen en het aanwezig hebben van verdovende middelen.
Oordeel van de rechtbank
Vormverzuim ex artikel 359a Sv
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a Sv. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Artikel 7 lid 2 van Pro de Politiewet 2012 schrijft voor dat de politie toegang heeft tot elke plaats, voor zover dat voor het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven, redelijkerwijs nodig is.
Op 12 februari 2026 ontving de politie een melding dat in de woning van verdachte een ruzie zou zijn en iemand zou worden mishandeld. De politie ging vervolgens ter plaatse en troffen verdachte in de deuropening. Verdachte gaf aan dat hij ruzie met zijn vriendin had en dat de politie niet mocht binnenkomen. De politie zag achter verdachte een vrouw in de gang staan. De politie heeft vervolgens -zo staat in het proces-verbaal- de woning ter hulpverlening binnengetreden, gelet op de gezondheid van de vrouw.
De rechtbank is van oordeel dat de politie in de voornoemde situatie de bevoegdheid had om binnen te treden om hulp te verlenen en dus rechtmatig toegang had tot de woning van verdachte. Dit betekent dat geen sprake is van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht feit 1, 2, 3, 4, 5 en 6 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Feit 1:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2025, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025038320 d.d. 13 februari 2025 (Procesdossier 1), inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 14 februari 2025, opgenomen op pagina 251 e.v. van voornoemd Procesdossier 1, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
een deskundigenrapport afkomstig van het NFI, zaaknummer 2025.02.13.168 (aanvraag 001), d.d. 13 februari 2025, opgemaakt door N. van Doorn, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 262 van voornoemd Procesdossier 1;
een deskundigenrapport afkomstig van het NFI, zaaknummer 2025.02.13.168 (aanvraag 003), d.d. 14 februari 2025, opgemaakt door P.H. Walinga, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 261 van voornoemd Procesdossier 1;
een deskundigenrapport afkomstig van het NFI, zaaknummer 2025.02.13.168 (aanvraag 004), d.d. 14 februari 2025, opgemaakt door P.H. Walinga, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 260 van voornoemd Procesdossier 1, en
een deskundigenrapport afkomstig van het NFI, zaaknummer 2025.02.13.168 (aanvraag 005), d.d. 14 februari 2025, opgemaakt door P.H. Walinga, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 259 van voornoemd Procesdossier 1.
Feit 2:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2025, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd Procesdossier 1, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] , en
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek wapen d.d. 13 maart 2025, opgenomen op pagina 215 e.v. van voornoemd Procesdossier 1, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Feit 3:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2025, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd Procesdossier 1, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2025, opgenomen op pagina 151 e.v. van voornoemd Procesdossier 1, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] , en
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 februari 2025, opgenomen op pagina 153 e.v. van voornoemd Procesdossier 1, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Feit 4:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 december 2025, opgenomen op pagina 72 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025318678 d.d. 26 maart 2026 (Procesdossier 2), inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] ;
3. een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 236 van voornoemd Procesdossier 2;
4. een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 249
e.v. van voornoemd Procesdossier 2;
5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 19 januari 2026, opgenomen op pagina 1 e.v. van de aanvulling op voornoemd Procesdossier 2, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] en [verbalisant] ;
6. een deskundigenrapport afkomstig van het NFI, zaaknummer 2025.12.29.181 (aanvraag 003), d.d. 29 december 2025, opgemaakt door A.G.A. Sprong, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 194 van voornoemd Procesdossier 2;
7. een deskundigenrapport afkomstig van het NFI, zaaknummer 2025.12.29.181 (aanvraag 005), d.d. 29 december 2025, opgemaakt door A.G.A. Sprong, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 196 van voornoemd Procesdossier 2;
8. een deskundigenrapport afkomstig van het NFI, zaaknummer 2025.12.29.181 (aanvraag 006), d.d. 29 december 2025, opgemaakt door A.G.A. Sprong, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 197 van voornoemd Procesdossier 2;
9. een deskundigenrapport afkomstig van het NFI, zaaknummer 2025.12.29.181 (aanvraag 007), d.d. 29 december 2025, opgemaakt door A.G.A. Sprong, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 198 van voornoemd Procesdossier 2, en
10. een deskundigenrapport afkomstig van het NFI, zaaknummer 2025.12.29.181 (aanvraag 0011), d.d. 5 februari 2026, opgemaakt door P.H. Walinga, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 202 e.v. van voornoemd Procesdossier 2.
Feit 5:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 december 2025, opgenomen op pagina 72 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025318678 d.d. 26 maart 2026 (Procesdossier 2), inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] ;
een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 232
e.v. van voornoemd Procesdossier 2;
4. een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 249
e.v. van voornoemd Procesdossier 2;
5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 19 januari 2026, opgenomen op pagina 1 e.v. van de aanvulling op voornoemd Procesdossier 2, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] en [verbalisant] ;
6. een deskundigenrapport afkomstig van het NFI, zaaknummer 2025.12.29.181 (aanvraag 004), d.d. 29 december 2025, opgemaakt door A.G.A. Sprong, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 195 van voornoemd Procesdossier 2;
7. een deskundigenrapport afkomstig van het NFI, zaaknummer 2025.12.29.181 (aanvraag 008), d.d. 30 december 2025, opgemaakt door L.I. Stuyver, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 199 van voornoemd Procesdossier 2;
8. een deskundigenrapport afkomstig van het NFI, zaaknummer 2025.12.29.181 (aanvraag 009), d.d. 30 december 2025, opgemaakt door L.I. Stuyver, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 200 van voornoemd Procesdossier 2, en
9. een deskundigenrapport afkomstig van het NFI, zaaknummer 2025.12.29.181 (aanvraag 0010), d.d. 30 december 2025, opgemaakt door L.I. Stuyver, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 201 van voornoemd Procesdossier 2.
Feit 6:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 december 2025, opgenomen op pagina 72 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025318678 d.d. 26 maart 2026 (Procesdossier 2), inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] ;
3. een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 229
e.v. van voornoemd Procesdossier 2;
4. een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 255
e.v. van voornoemd Procesdossier 2;
5. een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 256
e.v. van voornoemd Procesdossier 2;
6. een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 257
e.v. van voornoemd Procesdossier 2;
7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek wapen d.d. 16 januari 2026, opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd Procesdossier 2, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] , en
8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 december 2025, opgenomen op pagina 181 e.v. van voornoemd Procesdossier 2, inhoudend de verklaring van [naam] .
Bewijsoverweging
De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gehandeld in verdovende middelen.
Niet kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheden heeft verhandeld. Wel kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte in “een hoeveelheid” van de verdovende middelen genoemd in de tenlastelegging van feit 1, 3, 4 en 5 heeft gehandeld.
Ook “een hoeveelheid” van MDMA, genoemd in feit 4, waarvoor de officier van justitie vrijspraak heeft gevorderd, kan wettig en overtuigend worden bewezen. In de woning zijn drie gripzakjes roze poeder aangetroffen en in beslag genomen. Verbalisanten hebben daarvan een monster genomen en onderzocht. Uit een indicatieve test bleek een aanwijzing voor MDMA.1 De rechtbank concludeert op basis van deze aanwijzing en de bekennende verklaring van verdachte dat er MDMA in de drie gripzakjes zat. Voor een bewezenverklaring is niet vereist dat een chemisch deskundigenrapport (zoals die van het NFI) aanwezig is. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij handelde in alle soorten verdovende middelen die in de woning zijn aangetroffen.
Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging van feit 1, 3, 4 en 5 moet worden gelezen als een impliciet primaire-subsidiaire tenlastelegging van de handel in verdovende middelen en het aanwezig hebben van verdovende middelen. Gezien het “opzettelijk aanwezig hebben” als een impliciet subsidiair ten laste is gelegd, zal de rechtbank dit deel van de tenlastelegging bij de bewezenverklaring telkens wegstrepen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1, 2, 3, 4, 5 en 6 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 1 augustus 2024 tot en met 12 februari 2025 te Groningen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd,
  • een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,
  • een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde amfetamine en MDMA, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij op 12 februari 2025 te Groningen,
  • een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (omgebouwde gasrevolver), van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 Long Rifle, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver,
  • een wapen van categorie II, onder 3, te weten een hagelgeweer (met afgezaagd lopenpaar), van het merk Eduard Kettner, type Dubbelloops-Hanen, kaliber .12 Gauge, zijnde een vuurwapen dat zodanig was gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar was,
  • een wapen van categorie II, onder 3, te weten een hagelgeweer (met afgezaagd lopenpaar en afgezaagde kolf), type Dubbelloops-Hanen, kaliber .12 Gauge, zijnde een vuurwapen dat zodanig was gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar was,
en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
  • 30 kogelpatronen, van het merk RWS, type Lead Roundnose, kaliber .22 Long Rifle,
  • 5 kogelpatronen, van het merk Geco, type Volmantel, kaliber 7,65mm,
  • 2 hagelpatronen, van het merk Winchester, type Super Speed 36, kaliber .12 Gauge, en
  • 2 hagelpatronen, van het merk Rottweil, type Special Trap 24, kaliber .12 Gauge, voorhanden heeft gehad;
3.
hij in de periode van 1 augustus 2024 tot en met 12 februari 2025 te Groningen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van Pro de Opiumwet, te weten
  • een hoeveelheid, hennep, en
  • een hoeveelheid, hasjiesj,
zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4.
hij in de periode van 1 augustus tot en met 9 december 2025 te Groningen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd,
  • een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
  • een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
  • een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en
  • een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B,
zijnde MDMA, heroïne, cocaïne en 2C-B,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
5.
hij in de periode van 1 augustus tot en met 9 december 2025 te Groningen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd,
een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2-MMC,
zijnde een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA;
6.
hij in de periode van 1 november tot en met 9 december 2025 te Groningen,
  • een wapen van categorie II, onder 3, te weten een hagelgeweer (met afgezaagd lopenpaar en afgezaagde kolf), type Hanen, kaliber .12 Gauge, zijnde een vuurwapen dat zodanig was gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar was, en
  • een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (omgebouwd alarmpistool), van het merk Blow, type TR 17 K, kaliber 7,65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
  • 4 getransformeerde kogelpatronen, van het merk Geco, kaliber 7,65mm,
  • 2 hagelpatronen, van het merk Hubertus, type Sport 2mm, kaliber .12 Gauge,
  • 22 hagelpatronen, van de merken Barrage, Jialing en/of Schonebeck, kaliber .12 Gauge, en
  • 1 knalpatroon, van het merk Umarex, kaliber 9 mm PAK, voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, met uitzondering van onderdeel 2º of onderdeel 7º, meermalen gepleegd,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
3. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd;
4. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
5. opzettelijk handelen in strijd met een onder artikel 2a, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
6. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, met uitzondering van onderdeel 2º of onderdeel 7º,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1, 2, 3, 4, 5 en 6 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf van 20 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, zodat verdachte snel met behandeling en begeleiding vanuit de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan de slag kan gaan. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte nog erg jong is, een verstandelijke beperking heeft en op dit moment gemotiveerd is om mee te werken aan behandeling en begeleiding.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsadvies van 13 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 april 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich vanaf de zomer van 2024 tot en met zijn aanhouding in februari 2025 schuldig gemaakt aan de handel in hard- en softdrugs en verboden wapen- en munitiebezit. Hij handelde in amfetamine, MDMA, hennep en hasjiesj en had twee hagelgeweren, een revolver en munitie voorhanden. Twee wapens waren geladen en daarmee gereed voor direct gebruik. Na drie dagen vast te hebben gezeten, is verdachte onder voorwaarden vrijgekomen. Na zijn vrijlating heeft hij in eerste instantie legaal gewerkt. Toen hij die legale baan echter weer verloor, is hij in de zomer van 2025 toch weer begonnen met de handel in verdovende middelen. Door ingrijpen van de politie is hieraan begin december 2025 een einde gekomen. Verdachte is toen opnieuw aangehouden en zit tot op heden vast. Verdachte handelde deze keer in MDMA, heroïne, cocaïne, 2C-B en 2-MMC. Ook dit keer had hij wapens en munitie voorhanden, namelijk een hagelgeweer, pistool en verschillende soorten patronen. Het hagelgeweer was geladen en, op het spannen van de hamers na, gereed voor afvuren. Het pistool was half geladen.
Verdachte heeft ter terechtzitting de feiten bekend. Hij heeft verdovende middelen verhandeld omdat hij geld nodig had en ook om zijn eigen gebruik te kunnen financieren. Hij had wapens en munitie voorhanden, omdat dit hem een gevoel van veiligheid gaf. Verdachte heeft verklaard dat het niet zijn intentie was om de wapens te gebruiken, hoewel hij wel heeft toegegeven dat hij in zijn woning een keer in het plafond heeft geschoten.
Verdachte heeft met de handel in verdovende middelen bijgedragen aan de instandhouding van het gebruik van verdovende middelen, terwijl algemeen bekend is dat verdovende middelen zeer schadelijk zijn voor de gezondheid en ook erg verslavend zijn. Het staat bovendien buiten kijf dat het ongeoorloofde bezit van wapens en munitie onaanvaardbare risicos voor de veiligheid van personen met zich brengt, vanwege de kans op het gebruik daarvan. Verdachte heeft door de handel in verdovende middelen en het voorhanden hebben van wapens en munitie bijgedragen aan de instandhouding van het drugscircuit en de vele daarmee gepaard gaande vormen van criminaliteit. Extra kwalijk is dat de wapens (half)geladen waren en daarmee gereed voor gebruik. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer aan en neemt verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij tijdens zijn schorsingstoezicht opnieuw de fout in is gegaan.
Persoonlijke omstandigheden
De reclassering heeft een rapport over verdachte uitgebracht, waarin het volgende is beschreven. De reclassering ziet in het leven van verdachte criminogene factoren, waaronder middelengebruik, het ontbreken van stabiele huisvesting en structurele dagbesteding, de aanwezigheid van een crimineel netwerk en beperkte copingvaardigheden. Er zijn in het leven van verdachte echter ook positieve factoren aanwezig. Zo beschikt hij over steunende ouders die duidelijke grenzen stellen, toont hij spijt, is hij gemotiveerd voor verandering en staat hij open voor begeleiding. De huidige periode in detentie lijkt op verdachte impact te hebben. Hij noemt het zelf een wake-up call.
De reclassering schat het risico op recidive in als hoog en acht de inzet van reclasseringstoezicht noodzakelijk. Gezien de motivatie van verdachte voor gedragsverandering, in combinatie met de mogelijke aanwezigheid van een licht verstandelijke beperking en zijn voorgeschiedenis met middelenafhankelijkheid, acht de reclassering een gedragsinterventie zoals CoVa of CoVa-plus passend. Er zijn geen indicaties om het jeugdstrafrecht toe te passen.
Geadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: 1) meldplicht, 2) gedragsinterventie CoVa(-plus), 3) ambulante behandeling, 4) verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, 5) dagbesteding en 6) beheersing middelengebruik. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven zich aan deze bijzondere voorwaarden te willen houden.
Verdachte is niet eerder door een rechter veroordeeld. Wel heeft hij in 2025 in Duitsland een geldboete opgelegd gekregen in verband met de illegale uitvoer of invoer van wapens, gepleegd in oktober 2024. Verder heeft hij in 2024 drie keer een strafbeschikking uitgevaardigd gekregen in verband met het plegen van strafbare feiten in het verkeer.
Straf
De ernst en hoeveelheid aan feiten rechtvaardigen niets anders dan oplegging van een gevangenisstraf. Voor de hoogte daarvan heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS.
Verdachte heeft bij elkaar opgeteld een periode van 10 maanden gehandeld in verdovende middelen. Het oriëntatiepunt voor dealen van harddrugs vanuit een pand en/of op straat in een periode van 6 tot 12 maanden met enige regelmaat schrijft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden voor.
Het oriëntatiepunt voor het in een woning voorhanden hebben van een pistool/revolver (categorie III onder 1) schrijft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden voor. Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een heimelijk draagbaar vuurwapen (categorie II onder 3) schrijft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden voor. Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van 50-100 patronen schrijft een geldboete voor. In verdachte zijn geval gaat het om twee wapens van categorie III onder 1, drie wapens van categorie II onder 3 en 68 patronen.
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het feit dat verdachte een deel van de feiten heeft gepleegd tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis. In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de jonge leeftijd van verdachte en de mogelijke aanwezigheid van een licht verstandelijke beperking. Daarnaast vindt de rechtbank het, gelet op het door de reclassering als hoog ingeschatte recidiverisico, van belang dat een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk is en daaraan de geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.
De rechtbank is, alles overwegend, van oordeel dat een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Daarbij stelt de rechtbank een proeftijd van drie jaren en legt de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op. Voor de verplichte inname van medicatie, zoals geadviseerd in de voorwaarde “Ambulante behandeling” ziet de rechtbank geen aanleiding.

Inbeslaggenomen goederen

De officier van justitie heeft gevorderd om het inbeslaggenomen geldbedrag van 205,00 verbeurd te verklaren. De raadsman van verdachte heeft geen standpunt ingenomen.
De rechtbank acht het inbeslaggenomen geldbedrag van 205,00 vatbaar voor verbeurdverklaring nu dit geldbedrag aan verdachte toebehoort en aannemelijk is dat dit geldbedrag door middel van de handel in verdovende middelen (feit 1 en 3) is verkregen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 2a, 3, 10, 10b, en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 15 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
dat veroordeelde zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen 3 dagen na het ingaan van de proeftijd bij VNN Reclassering op het adres [adres] ;
dat veroordeelde deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa of CoVa-plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
dat veroordeelde zich laat behandelen door VNN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Veroordeelde werkt mee aan behandeling gericht op verslavingsproblematiek en/of psychische problematiek, waarbij de zorgverlener de wijze van behandelen bepaalt;
dat veroordeelde, zolang de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
dat veroordeelde op de door de reclassering te bepalen tijdstippen meewerkt aan urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest, om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Ten aanzien van feit 1 en feit 3:
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen geldbedrag van 205,00 (goednummer 1801203).
Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Kielman, voorzitter, mr. H. Brouwer en mr. S.R. Huisman, rechters, bijgestaan door mr. L.F. Beitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juni 2026.
Mrs. Huisman en Beitsma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Zie p. 236 Procesdossier 2 (goednummer 1892839) en p. 4 aanvulling op Procesdossier 2 (AATH5615NL).