Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 mei 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.R. Schultinga, griffier.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Noord-Nederland
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 26 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser en de inspecteur van de Belastingdienst over de voorlopige aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2023.
Eiser maakte bezwaar tegen de in rekening gebrachte belastingrente op de voorlopige aanslagen. De inspecteur verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaar te laat was ingediend. De rechtbank overweegt dat voorlopige aanslagen niet voor bezwaar vatbaar zijn op grond van artikel 9.5 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. Het bezwaar kon daarom niet als verzoek tot herziening worden aangemerkt, temeer daar de termijn voor herziening was verstreken.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, maar dat de motivering onjuist was omdat het tijdstip van indiening niet relevant is als bezwaar niet openstaat. Daarom krijgt eiser het griffierecht vergoed. Het beroep wordt verder ongegrond verklaard.
De zitting vond plaats op 16 april 2026, waar eiser niet verscheen ondanks correcte uitnodiging. De rechtbank bevestigt dat alleen de niet-ontvankelijkverklaring wordt beoordeeld en niet de inhoudelijke afwijzing van verzoeken om ambtshalve vermindering. De uitspraak bevat tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de voorlopige aanslag is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep wordt ongegrond verklaard, met vergoeding van het griffierecht aan eiser.