ECLI:NL:RBNNE:2026:2291

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
12161028 \ AR VERZ 26-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 lid 1 BWArt. 7:678 lid 1 BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 7:673 lid 1 BWArt. 7:681 lid 1 onderdeel a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens vermeende ontvreemding niet rechtsgeldig; toekenning billijke vergoeding en transitievergoeding

Een assistent-drogist werd na 38 jaar dienstverband op staande voet ontslagen wegens vermeende ontvreemding van producten en geld uit de drogisterij. De werkgever baseerde het ontslag op camerabeelden en kasverschillen, maar kon niet met voldoende zekerheid aantonen dat de werknemer daadwerkelijk goederen of gelden had ontvreemd.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag onverwijld was gegeven en de werkgever voldoende voortvarend had gehandeld, maar dat de dringende reden niet voldoende was komen vast te staan. De werknemer ontkende de beschuldigingen en gaf aan zich tijdens het ontslaggesprek overdonderd te hebben gevoeld, waardoor een ondubbelzinnige erkenning ontbrak.

Gelet op het langdurige dienstverband en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer werd het ontslag op staande voet als niet rechtsgeldig beoordeeld. De kantonrechter kende een billijke vergoeding van €5.000, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van €5.433,04 en een transitievergoeding van €14.984,67 toe. Tevens werd de werkgever veroordeeld tot het overleggen van een deugdelijke specificatie van de eindafrekening en tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig; werknemer krijgt billijke vergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer / rekestnummer: 12161028 \ AR VERZ 26-25
Beschikking van 10 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. D. Talsma,
tegen

1.[verweerder sub 1] V.O.F.,

te [plaats],
en haar vennoten:
2.
[verweerder sub 2],
te [plaats],
hierna te noemen: [verweerder sub 2] , en
3.
[verweerder sub 3],
te [plaats],
hierna te noemen: [verweerder sub 3]
verwerende partijen,
verzoekende partijen in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna samen te noemen: [verweerders] ,
gemachtigde: mr. R. Lukken.

1.De zaak in het kort

[verzoeker] is na een dienstverband van 38 jaar op staande voet ontslagen wegens vermeende ontvreemding van producten en geldbedragen uit de drogisterij van [verweerders] . De kantonrechter oordeelt dat de door [verweerders] gestelde dringende reden niet voldoende is komen vast te staan althans niet voldoende aannemelijk is geworden. Het ontslag op staande voet is daarom niet rechtsgeldig. [verzoeker] heeft recht op een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- aanvullende producties van de zijde van [verzoeker]
- het verweerschrift, met een (voorwaardelijk) tegenverzoek
- de mondelinge behandeling van 8 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
[verweerders] exploiteert een drogisterij.
3.2.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1962, is op 15 oktober 1987 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van [verweerders] . [verzoeker] was laatstelijk werkzaam als assistent-drogist met een salaris van € 1.135,94 bruto per maand exclusief emolumenten.
3.3.
[verzoeker] huurde sinds 1 januari 2016 een salonruimte in het pand van [verweerders] en voerde daar als zzp’er schoonheidsbehandelingen op afspraak uit.
3.4.
Op 16 februari 2026 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de vennoten van [verweerders] en [verzoeker] . Tijdens dit gesprek hebben [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] onder meer aan [verzoeker] verteld dat zij hebben geconstateerd dat er producten uit de winkel missen die niet zijn aangeslagen op de kassa. [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] hebben gesteld dat [verzoeker] deze producten zonder af te rekenen heeft meegenomen en dat zij daarvan camerabeelden hebben. Verder is [verzoeker] medegedeeld dat zij wordt ontslagen en dat haar afspraken voor schoonheidsbehandelingen die dag zijn afgezegd. Van het gesprek zijn audio-opnames gemaakt.
3.5.
Op 16 en 17 februari 2026 heeft, voor zover hier van belang, de volgende WhatsApp-conversatie plaatsgevonden in de groepsapp van [verzoeker] , [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] :
[16-02-2026, 12:56:10] [verzoeker] (
kantonrechter: [verzoeker] ): Heel akelig en vervelend wat er gebeurt is vanmorgen, naar voor iedereen.
Graag zou ik alle camerabeelden en bewijs willen zien. Zouden jullie dit naar mij kunnen opsturen.
Door de opmerking over juridische gevolgen met evt kosten was ik compleet overdonderd.
Er is nu even tijd overheen gegaan om alles te overdenken.
Voor jullie moeilijk en naar om deze verdenkingen tegen mij te zeggen, voor mij naar dat jullie het nodig vonden om mij te controleren.
Ik heb nooit iemand schade willen toebrengen en vertrouwen willen schaden.
[16-02-2026, 15:06:03] [verweerder sub 2] : Inderdaad voor iedereen vervelend.beelden kunnen we niet delen ivm avg
[16-02-2026, 15:19:15] [verzoeker] : Juist ivm avg recht op inzage heb ik recht om alle bewijs op te eisen wat er is. Overal waar ik op sta met tijd en datum. Ik heb nooit iets onrechtmatig mee de winkel uit genomen en wil daarvan graag het bewijs zien.
(…)
[17-02-2026, 12:11:41] [verweerder sub 2] : Wat is je plan met de salon en klanten?
[17-02-2026, 16:08:49] [verzoeker] : Gisteren is de beslissing niet door mij genomen en zijn de salon klanten door jullie ongevraagd afgebeld.
Ik heb nu zelf besloten om voor deze week de resterende klanten af te zeggen.
Dit om iedereen even rust te geven, dingen uit te zoeken en te overdenken.
Vanaf volgende week werk ik in de salon, omdat ik niks te verbergen heb. (…)
3.6.
Per brief van 19 februari 2026 hebben [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] aan [verzoeker] bevestigd dat zij haar op 16 februari 2026 op staande voet hebben ontslagen. In de brief is verder, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
De afspraak is dat je producten die je uit de winkel nodig hebt voor de schoonheidssalon op de kassa aanslaat. Hiervan wordt eens per maand een factuur gemaakt en met jou verrekent. Er zijn meerdere keren producten uit de winkel gepakt zonder deze te registreren in het kassasysteem (en dus niet afgerekend). Deze handelingen vonden plaats op momenten dat wij als eigenaren niet in de winkel aanwezig waren. Eveneens hebben wij moeten constateren dat in de tabaksvoorraad onverklaarbare verschillen te constateren waren.
Na het terugkijken van camerabeelden is komen vast te staan:
- Op 26 januari 2026 pak je een Max factor product en loopt hiermee naar jouw salon. Dit is niet in het kassasysteem geregistreerd;
- Op 27 januari 2026 wordt een pakje Veet harsstrips en gepakt en meegenomen naar de salon. Dit is niet in het kassasysteem geregistreerd;
- Op 28 januari en 30 januari 2026 is de tabaksvoorraad geïnventariseerd. Er ontbreekt een slof sigaretten Kent ter waarde van € 130,--;
- Op 29 januari 2026 neem je Otrivin neusspray en Rimmel foundation mee. Deze producten zijn niet in het kassasysteem geregistreerd;
- Op 12 februari 2026 zien we dat je € 20,-- in ontvangst hebt genomen bij de verkoop van een pakje sigaretten en dit niet in het kassasysteem hebt geregistreerd. Aan het einde van de dag haal je dit bedrag uit de kassa en houdt dit apart van de dagomzet.
- Op 12 februari 2026 zien we dat je € 20,15 in ontvangst hebt genomen bij de verkoop van een doosje Fluimucil en dit niet in het kassasysteem hebt geregistreerd. Aan het einde van de dag haal je dit bedrag uit de kassa en houdt dit apart van de dagomzet.
Je hebt gelden en producten ontvreemd. De geconstateerde feiten zijn dermate ernstig dat van ons niet kan worden verlangd de arbeidsrelatie te continueren. De hiervoor genoemde redenen vormen ieder op zichzelf maar ook in samenhang met elkaar een dringende reden voor het ontslag op staande voet.
3.7.
Per brief van eveneens 19 februari 2026 hebben [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3] de huurovereenkomst met [verzoeker] voor de salonruimte opgezegd tegen 1 april 2026.
3.8.
[verzoeker] heeft per e-mail van 19 februari 2026 aan [verweerders] bezwaar gemaakt tegen het ontslag op staande voet en zich beschikbaar gesteld om haar werkzaamheden te hervatten. Ook heeft [verzoeker] verzocht om de camerabeelden en andere bewijsstukken van [verweerders] .
3.9.
[verweerders] heeft per e-mail van 21 februari 2026 aangegeven [verzoeker] niet meer in haar pand te willen zien.
3.10.
Op 11 maart 2026 heeft de gemachtigde van [verweerders] een audio-opname van het gesprek van 16 februari 2026 en camerabeelden aan de gemachtigde van [verzoeker] toegezonden. Op 18 maart 2026 heeft de gemachtigde van [verweerders] een tweede audio-opname van het gesprek van 16 februari 2026 aan de gemachtigde van [verzoeker] toegezonden.

4.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

4.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter primair om voor recht te verklaren dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en om een billijke vergoeding toe te kennen. [verzoeker] verzoekt verder om [verweerders] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, betaling van de transitievergoeding, het overleggen van een deugdelijke specificatie van de eindafrekening waarin tot uitbetaling van alle opgebouwde rechten per 16 februari 2026 wordt gekomen vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, betaling van achterstallig loon vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en betaling van de proceskosten.
4.2.
[verweerders] voert verweer en stelt dat de verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen. Bij toewijzing van een billijke vergoeding en de overige verzochte vergoedingen verzoekt [verweerders] deze op nihil te bepalen dan wel te matigen. [verweerders] heeft een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond, g-grond, h-grond of i-grond.
4.3.
[verzoeker] heeft verweer gevoerd tegen het voorwaardelijk tegenverzoek en geconcludeerd tot afwijzing daarvan.

5.De beoordeling van het verzoek

5.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is en legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
5.2.
Op grond van artikel 7:677 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven, met gelijktijdige mededeling van de dringende reden voor dat ontslag. Als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW Pro worden op grond van het bepaalde in artikel 7:678 lid 1 BW Pro beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet zou hebben.
5.3.
Als de op staande voet ontslagen werknemer - zoals in dit geval - de dringende reden betwist, is het aan de werkgever om te stellen en te bewijzen dat de dringende reden op het moment van het ontslag op staande voet aanwezig was. [1]
Het ontslag op staande voet is onverwijld gegeven
5.4.
[verzoeker] stelt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Het is volgens [verzoeker] niet duidelijk wanneer de vermeende gedragingen plaatsvonden, terwijl het ontslag pas op 16 februari 2026 mondeling is gegeven en vervolgens pas op 19 februari 2026 schriftelijk. De kantonrechter overweegt dat de eis dat een ontslag op staande voet onverwijld moet worden gegeven niet met zich meebrengt dat de werkgever meteen na het ontstaan van een vermoeden van een dringende reden tot het ontslag moet overgaan. De werkgever mag enige tijd in acht nemen om onderzoek te doen en om juridisch advies in te winnen. Wel moet de werkgever daarbij voldoende voortvarend handelen.
5.5.
Volgens [verweerders] heeft [verweerder sub 3] op 20 januari 2026 door middel van kassaregistraties en camerabeelden geconstateerd dat een verkoop van shag niet was geregistreerd in het kassasysteem, terwijl deze verkoop feitelijk wel had plaatsgevonden. Naar aanleiding van die constatering heeft [verweerders] naast de reguliere winkelcamera’s een tijdelijke kassacamera en een tijdelijke camera in de hal geplaatst en heeft zij camerabeelden en kassaregistraties in de daaropvolgende periode onderzocht. Aan de hand daarvan heeft [verweerders] naar eigen zeggen in de periode van 26 januari tot en met 12 februari 2026 de zes in de ontslagbrief opgenomen gebeurtenissen geconstateerd. De eerste werkdag van [verzoeker] was vervolgens na het weekend op maandag 16 februari 2026. Op die dag heeft [verweerders] [verzoeker] geconfronteerd met haar bevindingen en haar op staande voet ontslagen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerders] hiermee voldoende voortvarend gehandeld. Ook heeft [verweerders] de gestelde dringende reden voor het ontslag op staande voet aan [verzoeker] medegedeeld tijdens het gesprek op 16 februari 2026 en daarbij verschillende gestelde constateringen met haar besproken, zodat deze reden voor [verzoeker] meteen duidelijk was. Het feit dat de dringende reden pas drie dagen later, per brief van 19 februari 2026, schriftelijk aan [verzoeker] is bevestigd, staat hierdoor niet aan de onverwijldheid in de weg. Het ontslag op staande voet is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook onverwijld gegeven.
De dringende reden is niet komen vast te staan althans onvoldoende aannemelijk geworden
5.6.
[verweerders] heeft als dringende reden aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [verzoeker] gelden en producten heeft ontvreemd, namelijk:
- Een Max factor-product op 26 januari 2026
- Een pakje Veet harsstrips op 27 januari 2026
- Een slof sigaretten Kent ter waarde van € 130,00
- Otrivin neusspray en Rimmel foundation op 29 januari 2026
- € 20,00 op 12 februari 2026
- € 20,15 op 12 februari 2026.
5.7.
[verweerders] heeft ter onderbouwing camerabeelden overgelegd van 26, 27 en 29 januari en van 12 februari 2026. Het betreffen van nagenoeg elke datum beelden van verschillende camera’s, die vaak ook nog zijn samengevoegd in een combinatievideo. Op de camerabeelden van 26 januari 2026 is te zien dat [verzoeker] om 8:37 uur met haar jas aan door de winkel loopt, iets uit een schap pakt en ermee wegloopt. Op de camerabeelden van 27 januari 2026 is te zien dat [verzoeker] om 13:35 uur iets uit een schap in de winkel pakt en ermee wegloopt. Op de camerabeelden van 29 januari 2026 is te zien dat [verzoeker] om 9:04 uur een product uit een make-upschap in de winkel pakt en ermee wegloopt. Op andere camerabeelden van 29 januari 2026, waarbij beelden van twee verschillende camera’s zijn samengevoegd, is eerst te zien dat [verzoeker] om 8:56 uur naar het schap achter de toonbank loopt en voor dat schap gaat staan met haar rug naar de camera toe. Vervolgens is te zien dat [verzoeker] wegloopt met een product in haar rechterhand. [verweerders] heeft ook camerabeelden van 20 januari 2026 overgelegd, maar er is geen gestelde gebeurtenis op deze dag ten grondslag gelegd aan het ontslag op staande voet, waardoor deze beelden geen beoordeling behoeven.
5.8.
Op de camerabeelden van 12 februari 2026 is te zien dat [verzoeker] om 11:20 uur sigaretten afrekent met een klant, waarbij de klant contant betaalt, [verzoeker] de klant wisselgeld geeft, [verzoeker] het van de klant ontvangen geld in de kassalade doet en de kassalade daarna open blijft staan. Ook is te zien dat [verzoeker] tijdens het afrekenen de melding ‘Zeker het kassascherm afsluiten’ op het kassascherm bevestigt. Verder is te zien dat [verzoeker] om 15:43 uur bij de kassa drie make-upproducten scant, deze in een papieren zakje doet en het zakje vervolgens met een plakbandje dichtmaakt. Ook is te zien dat [verzoeker] om 15:44 uur met iets in haar hand door de hal loopt, een ruimte binnengaat en daarna met lege handen de ruimte weer uitkomt. Op andere camerabeelden van 12 februari 2026 is te zien dat [verzoeker] om 15:48 uur Fluimucil afrekent met een klant, waarbij de klant contant betaalt en [verzoeker] het ontvangen geld in de kassalade doet. Na het afrekenen bevestigt [verzoeker] op het kassascherm een melding met het woord ‘afsluiten’ erin. Ook is te zien dat [verzoeker] om 16.00 uur een pakje sigaretten afrekent met een klant, waarbij de klant contant betaalt, [verzoeker] de klant wisselgeld geeft en het van de klant ontvangen geld in de kassalade doet. Om 16:10 uur heeft er volgens [verweerders] opnieuw een contante verkoop van sigaretten door [verzoeker] plaatsgevonden. Het camerabeeld dat hierop betrekking heeft kon echter door de kantonrechter niet worden geopend. Op andere camerabeelden van 12 februari 2026 is te zien dat [verzoeker] om 17:05 uur met een klant afrekent die contant betaalt.
5.9.
Vervolgens is op de camerabeelden van 12 februari 2026 te zien dat [verzoeker] vanaf 17:59 uur de kassa opmaakt. Daarbij is te zien dat zij eerst met haar rechterhand dingen invoert in de kassa, terwijl zij in haar linkerhand een briefje vasthoudt. Daarna verfrommelt zij het briefje en rekent ze op haar telefoon 581,80 min 225 uit, waarvan de uitkomst 356,80 is. Vervolgens is te zien dat zij muntgeld uit de kassalade haalt, een muntje naast het toetsenbord van de kassa legt, ander muntgeld in een lade van de toonbank stopt en vervolgens het briefgeld telt. Zij haalt daarbij briefgeld uit de kassa, maar laat ook biljetten in de kassa zitten. Hoewel het door de snelheid soms lastig te zien is, lijkt het briefgeld dat [verzoeker] telt en uit de kassalade haalt een totaalbedrag van € 390,00 te betreffen (3 maal € 50,-, 8 maal € 20,-, 8 maal € 10,- en eenmaal € 5) Ze legt het meeste briefgeld rechts van haar telefoon, maar legt ook een biljet van € 20,- en twee biljetten van € 10,- links van haar telefoon. Uiteindelijk pakt zij al het briefgeld dat zij uit de kassalade heeft gehaald weer bij elkaar in haar linkerhand, samen met het muntje, en loopt ermee weg. Tot slot is op andere camerabeelden te zien dat [verzoeker] om 18:04 uur met haar telefoon een ruimte binnenloopt en terugkomt met, naar het lijkt, biljetten in haar hand.
5.10.
De kantonrechter overweegt dat op basis van voornoemde camerabeelden op zichzelf niet kan worden vastgesteld dat [verzoeker] gelden en producten van [verweerders] heeft ontvreemd. De camerabeelden moeten daarom worden bezien in samenhang met de nadere onderbouwing van [verweerders] en de verklaringen van partijen.
5.11.
Ter onderbouwing van de stellingen dat [verzoeker] op 26, 27 en 29 januari 2026 producten (een Max Factor-product, Veet harsstrips, Otrivin neusspray en Rimmel foundation) uit de winkel heeft gepakt zonder deze in het kassasysteem te registreren, heeft [verweerders] verder aangegeven dat een registratie van deze producten in het kassasysteem ontbreekt. Ten aanzien van het Max Factor-product heeft [verweerders] een verkoopoverzicht overgelegd, waaruit zou blijken dat voor het desbetreffende product geen verkoop is geregistreerd. Ten aanzien van de Veet harsstrips heeft [verweerders] facturen gericht aan de schoonheidssalon van [verzoeker] overgelegd, waarop de Veet harsstrips staan met als datum 23 februari 2026 (en dus niet 27 januari 2026). [verweerders] heeft verder aan de hand van verklaringen van medewerkers toegelicht dat bij het afrekenen door personeel producten direct in de kassa worden aangeslagen en dat contante betalingen via het kassasysteem worden verwerkt. Ook heeft [verweerders] toegelicht dat medewerkers niet zelfstandig aankopen afrekenen of producten meenemen zonder betrokkenheid van een collega.
5.12.
[verzoeker] heeft verklaard dat zij nooit bewust producten uit de winkel van [verweerders] heeft meegenomen zonder deze te betalen. Zij liep naar eigen zeggen tijdens een werkdag voortdurend heen en weer tussen de winkel en de achterruimte (de keuken, de salon en het magazijn), al dan niet met producten in de hand. [verzoeker] kan zich de handelingen die op 26, 27 en 29 januari 2026 op camerabeelden zijn vastgelegd niet meer exact herinneren. Ten aanzien van het Max Factor-product op 26 januari 2026 heeft [verzoeker] verklaard dat zij op het camerabeeld niet goed kan zien welk product zij pakt, maar dat zij vermoedt dat het om een tester ging, waarmee zij haar make-up heeft bijgewerkt. Zij deed dit naar eigen zeggen vaker en testers staan niet in het systeem van [verweerders] . Ten aanzien van de Veet harsstrips op 27 januari 2026 heeft [verzoeker] verklaard dat zij deze inderdaad uit de winkel heeft gepakt, maar dat zij voor zover zij zich kan herinneren dit product later in de kassa heeft geregistreerd en daar een factuur voor heeft ontvangen. Daarbij heeft [verzoeker] toegelicht dat het gebruikelijk was dat producten voor het gebruik in de schoonheidssalon of voor privégebruik, in het kassasysteem werden aangeslagen en ofwel meteen werd afgerekend ofwel op rekening (een bon in een map) werden geplaatst, waarna betaling aan het einde van de maand plaatsvond. Ten aanzien van de Otrivin neusspray en Rimmel foundation op 29 januari 2026 heeft [verzoeker] verklaard dat het er op de beelden op lijkt dat zij een Rimmel foundation vergelijkt met een tester. Dat doet zij vaker om de juiste kleur te bepalen of om een product te testen, bijvoorbeeld ook bij lippenstift of rouge.
5.13.
De kantonrechter is van oordeel dat uit het ontbreken van een registratie in het kassasysteem van de door [verweerders] genoemde producten of uit het ontbreken van het product op de facturen, in samenhang met de camerabeelden, niet zonder meer kan worden afgeleid dat [verzoeker] deze producten heeft ontvreemd. Weliswaar is opvallend dat van de vier door [verweerders] genoemde producten in een relatief korte periode een registratie ontbreekt, maar op de camerabeelden is niet voldoende zichtbaar welke producten [verzoeker] precies pakt en dus kan ook niet worden vastgesteld dat het gaat om de door [verweerders] gestelde, niet-geregistreerde producten. Daarnaast is niet uit te sluiten dat [verzoeker] testers van de desbetreffende producten heeft gebruikt, zoals zij heeft verklaard, dat een van de producten (Veet harsstrips) per vergissing niet op een factuur aan (de schoonheidssalon van) [verzoeker] is geplaatst of dat [verzoeker] een product bijvoorbeeld weer heeft teruggezet nadat zij deze had gepakt.
5.14.
Het ontvreemden van een slof sigaretten Kent ter waarde van € 130,00 door [verzoeker] is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan. [verweerders] heeft ter onderbouwing verklaard dat zij op 28 en 30 januari 2026 de tabaksvoorraad heeft gecontroleerd en dat daarbij is vastgesteld dat er een slof sigaretten van het merk Kent ontbrak, zonder dat is gebleken dat deze op 29 januari is verkocht of anderszins uit de voorraad is verdwenen. Ook heeft [verweerders] verklaard dat [verzoeker] sigaretten van het merk Kent rookte. Uit het voorgaande kan echter niet worden afgeleid dat [verzoeker] de sigaretten van het merk Kent heeft ontvreemd. Ook is de stelling van [verweerders] dat [verzoeker] tijdens het gesprek op 16 februari 2026 heeft erkend dat zij een slof sigaretten heeft meegenomen onvoldoende onderbouwd. Daarop zal hierna in rechtsoverweging 5.20 nader worden ingegaan.
5.15.
Ter onderbouwing van de stelling dat [verzoeker] op 12 februari 2026 een bedrag van € 20,00 en een bedrag van € 20,15 heeft ontvreemd, heeft [verweerders] toegelicht dat op de camerabeelden te zien is dat een doosje Fluimucil op 12 februari 2026 wel wordt gescand maar niet wordt afgerekend. Ook zou aan het einde van de afrekenhandeling de kassaregel zijn verwijderd, waardoor de verkoop niet is geregistreerd en het aankoopbedrag van € 20,15 niet terugkomt in de kasverantwoording. [verweerders] heeft een vergelijkbare toelichting gegeven bij de verkoop van een pakje Marlboro van € 11,30 en de verkoop van een pakje Gauloises van € 12,00 later op de dag. Volgens [verweerders] is op de camerabeelden van 12 februari 2026 te zien dat [verzoeker] afwijkende afrekenhandelingen verricht. [verweerders] heeft verder toegelicht dat uit de kasopmaak van 12 februari 2026, en de daarbij behorende vergelijking tussen de telling en de invoer, volgt dat het daadwerkelijk aanwezige contante geld vóór kasopmaak € 622,80 bedraagt, terwijl in de kasopmaak een bedrag van € 581,80 door [verzoeker] is ingevoerd. Dit betreft dus een verschil van € 41,00. Na aftrek van het bedrag van € 225,00 dat standaard in de kassa moet blijven zitten komt de contante omzet volgens de telling uit op € 397,80, terwijl volgens de kasopmaak € 356,80 wordt verantwoord. Verder wijst [verweerders] erop dat op de camerabeelden van de kasopmaak is te zien dat [verzoeker] een biljet van € 20,- en twee biljetten van € 10,- apart legt. Volgens [verweerders] sluiten de niet-geregistreerde verkopen op 12 februari 2026 en de verwijderde kassaregels aan bij het geconstateerde kasverschil van € 41,00.
5.16.
[verzoeker] heeft aangevoerd dat zij de op de camerabeelden van 12 februari 2026 rond 15:48 uur zichtbare kassaregels heeft verwijderd, omdat de producten eerder waren aangeslagen om de prijs te controleren voor een klant, hetgeen volgens haar regelmatig voorkomt. Als er al sprake is geweest van een onvolkomenheid in de afrekenhandeling kan dit volgens [verzoeker] ook een foutje in het gebruik van de kassa zijn en is het niet per definitie het opzettelijk buiten het systeem houden van de verkoop. [verzoeker] heeft betwist dat zij op 12 februari 2026 contante tabaksverkopen opzettelijk buiten de kassa heeft gehouden. Aan de hand van de camerabeelden is volgens [verzoeker] niet duidelijk of de verkoop later niet alsnog is geregistreerd. Zij wijst erop dat uit de beelden blijkt dat het druk is, dat zij in gesprek is en dar er veel klanten achter elkaar komen. Volgens [verzoeker] is er hooguit sprake van een vergissing. [verzoeker] heeft met betrekking tot de kasopmaak op 12 februari 2026 betwist dat zij geld heeft weggenomen. Zij heeft verklaard dat zij de kassa handmatig telt en dit eerst noteert op een kladbriefje voordat zij de bedragen invoert in het systeem. Het verschil van € 41,00 is volgens [verzoeker] te verklaren doordat zij € 40,00 apart heeft gehouden, omdat er eerder die dag een tekort was aan munten van € 1,- en € 2,-. De benodigde munten zijn uit de kluis gehaald en in de kassalade gedaan. Dit bedrag moest aan het einde van de dag weer terug naar de kluis. Om die reden heeft [verzoeker] dit bedrag tijdelijk apart gehouden en later, samen met de dagopbrengst, weer bij elkaar gelegd en in de kluis gedaan. [verzoeker] heeft tot slot betwist dat zij afwijkende afrekenhandelingen heeft verricht en heeft daarbij toegelicht dat tabak en artikelen als vloei en aanstekers handmatig worden ingevoerd en niet worden gescand. Dit verklaart waarom er tussentijds wordt genavigeerd in het kassasysteem, aldus [verzoeker] .
5.17.
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] op 12 februari 2026 een bedrag van € 20,00 en een bedrag van € 20,15 heeft ontvreemd. Het ontbreken van registraties in het kassaysteem van de Fluimucil en de twee pakjes sigaretten in combinatie met het verschil tussen de telling van het contante geld in de kassa en het door [verzoeker] ingevoerde bedrag, heeft bij [verweerders] begrijpelijkerwijs het vermoeden kunnen doen ontstaan dat [verzoeker] verkopen niet heeft geregistreerd en zich de daarmee gemoeide geldbedragen heeft toegeëigend. Daarmee staat echter nog niet met voldoende mate van zekerheid vast dat dit scenario zich daadwerkelijk heeft voorgedaan. Niet kan worden uitgesloten dat sprake is geweest van vergissingen in de registratie, een latere verwerking van verkopen en een apart gehouden bedrag dat eerder op de dag vanuit de kluis aan de kassalade was toegevoegd vanwege een tekort aan muntgeld, zoals [verzoeker] heeft verklaard. Ook kan op basis van de camerabeelden waarop [verzoeker] met biljetten in haar hand door de achterruimte van de winkel loopt, niet worden vastgesteld wat vervolgens met deze biljetten is gebeurd en dus evenmin dat [verzoeker] deze biljetten voor zichzelf heeft behouden.
5.18.
Voor zover [verweerders] heeft gewezen op andere onregelmatigheden die zichtbaar zijn op de camerabeelden van 12 februari 2026, zoals het meenemen van drie niet-geregistreerde make-upproducten en afwijkend gedrag bij het afrekenen, overweegt de kantonrechter als volgt. Deze gedragingen zijn niet als ontslagreden opgenomen in de ontslagbrief en kunnen daarom niet alsnog als zelfstandige grondslag voor het ontslag op staande voet dienen. Hoogstens kunnen deze omstandigheden enige steun bieden aan het door [verweerders] geschetste scenario, maar zij kunnen niet afdoen aan het vereiste dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen op zichzelf voldoende komen vast te staan.
5.19.
[verweerders] heeft verder nog gesteld dat [verzoeker] de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen heeft erkend tijdens het gesprek op 16 februari 2026 en dat zij hier een verklaring voor heeft gegeven. [verweerders] heeft er daarbij op gewezen dat [verzoeker] tijdens het gesprek heeft verklaard dat haar vriend financiële problemen heeft en dat zij hem geld heeft geleend dat ze nog niet terug heeft gekregen. Op de opmerking van [verweerder sub 2] tijdens het gesprek “Ja, toen was het heel makkelijk om hier wat mee te nemen” heeft [verzoeker] geantwoord: “Noodzakelijk”. [verweerder sub 2] heeft hierop gezegd: “Ja”, waarop [verzoeker] vervolgens “Ja” zei. Vervolgens heeft [verzoeker] ook gezegd: “Jij hebt het recht op alle eerlijkheid. En [verweerder sub 3] ook” en later “En de intentie is om het terug te doen en terug te geven”. [verweerders] heeft er verder op gewezen dat [verzoeker] later tijdens het gesprek op de vraag of zij toegeeft dat zij dingen heeft meegenomen “Ja” heeft geantwoord, net als op de vraag of zij sigaretten heeft meegenomen. Ook heeft [verzoeker] het vervolgens over “Sigaretten, doekjes en de Veet” gehad en heeft zij op de vraag of zij veel sigaretten heeft meegenomen “Tien pakjes” geantwoord.
5.20.
De kantonrechter acht het begrijpelijk dat [verweerders] in deze passages een bevestiging van haar vermoedens heeft gehoord. Daar staat echter tegenover dat [verzoeker] zowel aan het begin van het gesprek als op verschillende momenten tijdens het gesprek stellig heeft ontkend producten of gelden te hebben ontvreemd. Daarbij heeft [verzoeker] tijdens het gesprek expliciet naar voren gebracht dat zij zich voor het blok gezet voelde, geen juridische procedure wilde en dat zij daarom zou zeggen dat zij het had gedaan. Ook heeft [verzoeker] toegelicht dat haar opmerking over tien pakjes sigaretten zag op een voorraadverschil en niet op door haar weggenomen goederen. Verder heeft [verzoeker] nog diezelfde dag aan [verweerders] bericht dat zij zich tijdens het gesprek compleet overdonderd voelde en betwist dat zij ooit onrechtmatig goederen uit de winkel heeft meegenomen. Gelet op deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een ondubbelzinnige erkenning door [verzoeker] van de aan haar gemaakte verwijten. De stelling van [verzoeker] dat de audio-opname is bewerkt en dat daarin is geknipt behoeft daarom geen bespreking.
5.21.
Al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien komt de kantonrechter tot het oordeel dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende reden niet voldoende is komen vast te staan althans onvoldoende aannemelijk is geworden. [verzoeker] komt daarom het voordeel van de twijfel toe. Los daarvan moet bij de vraag of sprake is van een dringende reden ook worden gekeken naar de persoonlijke omstandigheden, waarbij met name het langdurige dienstverband van 38 jaar in het oog springt. De conclusie is dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven.
5.22.
Voor zover [verzoeker] heeft betoogd dat [verweerders] niet heeft voldaan aan de eisen die gelden voor de inzet van cameratoezicht ten aanzien van personeel, overweegt de kantonrechter dat [verzoeker] deze stelling niet nader heeft onderbouwd. Nu bovendien de beoordeling van de dringende reden ook met inachtneming van de camerabeelden niet tot het oordeel leidt dat de verweten gedragingen zijn komen vast te staan, behoeft dit verweer geen nadere bespreking.
5.23.
Voor zover [verweerders] in haar verweerschrift heeft verzocht [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de aankoopbedragen van de producten die zij volgens [verweerders] heeft ontvreemd, overweegt de kantonrechter dat dit verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt. Nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] producten heeft ontvreemd, heeft [verweerders] dit verzoek in het lichaam van het verweerschrift niet onderbouwd.
De billijke vergoeding
5.24.
[verzoeker] heeft verklaard niet te willen terugkeren bij [verweerders] en daarom primair geen vernietiging van het ontslag op staande voet te hebben verzocht, maar een billijke vergoeding. Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. [2] Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. [3] Gelet hierop heeft [verzoeker] geen zelfstandig belang meer bij haar verzoek om voor recht te verklaren dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.
5.25.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [4] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
5.26.
De kantonrechter zal aan [verzoeker] een billijke vergoeding toekennen van € 5.000,00 bruto. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.
5.27.
[verzoeker] heeft een billijke vergoeding van € 89.481,62 verzocht, bestaande uit loonschade, pensioenschade en winstderving van haar schoonheidssalon. De door [verzoeker] gestelde winstderving van haar schoonheidssalon blijft buiten beschouwing, omdat deze gestelde schade voortvloeit uit een andere rechtsverhouding tussen partijen dan de arbeidsovereenkomst, namelijk de huurovereenkomst met betrekking tot de salonruimte.
5.28.
Bij de begroting van de billijke vergoeding houdt de kantonrechter rekening met de financiële gevolgen van het ontslag voor [verzoeker] . [verzoeker] was ten tijde van het ontslag 63 jaar oud en had een langdurig dienstverband van 38 jaar, zodat aannemelijk is dat het ontslag ingrijpende gevolgen voor haar heeft en haar positie op de arbeidsmarkt beperkt is. Daar staat echter tegenover dat [verzoeker] haar werkzaamheden als schoonheidsspecialiste naar verwachting binnen afzienbare termijn elders zal kunnen voortzetten. Daarbij weegt mee dat [verzoeker] reeds als schoonheidsspecialiste werkzaam was en dat voldoende aannemelijk is dat naar dergelijke werkzaamheden vraag bestaat. Ook om die reden bestaat onvoldoende aanleiding om de door [verzoeker] gestelde loon- en pensioenschade volledig tot uitgangspunt te nemen. De kantonrechter betrekt daarbij verder dat [verzoeker] tevens aanspraak heeft op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding, welke vergoedingen mede strekken tot compensatie van de gevolgen van het eindigen van de arbeidsovereenkomst.
5.29.
Daarnaast acht de kantonrechter van belang dat, hoewel de dringende reden uiteindelijk niet is komen vast te staan, [verweerders] haar verdenkingen niet geheel zonder feitelijke aanknopingspunten heeft geuit. [verweerders] beschikte over camerabeelden, signalen van ontbrekende registraties en een geconstateerd kasverschil, hetgeen begrijpelijkerwijs aanleiding heeft gegeven tot nader onderzoek en verdenkingen aan het adres van [verzoeker] . Dat neemt niet weg dat [verweerders] te verstrekkende conclusies heeft verbonden aan de beschikbare informatie door over te gaan tot ontslag op staande voet zonder dat de verweten gedragingen in voldoende mate kwamen vast te staan.
5.30.
Alles afwegend acht de kantonrechter een billijke vergoeding van € 5.000,00 bruto passend en zal [verweerders] worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.
De vergoeding wegens onregelmatige opzegging
5.31.
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [5] De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Gelet op de opzegtermijn van 4 maanden die [verweerders] bij regelmatige opzegging in acht had moeten nemen, moet voor de berekening van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging worden uitgegaan van het loon vermeerderd met vakantietoeslag dat [verzoeker] over de periode van 16 februari 2026 (de datum van het ontslag op staande voet) tot en met 30 juni 2026 zou hebben genoten. Dit betreft een bedrag van € 5.433,04 bruto. Voor zover [verzoeker] afzonderlijk aanspraak maakt op achterstallig loon over het restant van februari 2026, overweegt de kantonrechter dat deze periode reeds is verdisconteerd in de toegewezen vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Toewijzing van het loon over deze periode zou daarom leiden tot een dubbeltelling, zodat dit onderdeel van het verzoek wordt afgewezen. Reeds daarom bestaat evenmin aanleiding voor toewijzing van de verzochte wettelijke verhoging en wettelijke rente over dit bedrag.
De transitievergoeding
5.32.
Het verzoek om [verweerders] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer, maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [6] [verweerders] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 14.984,67 bruto bedraagt.
Deugdelijke specificatie van de eindafrekening
5.33.
[verzoeker] heeft verzocht [verweerders] te veroordelen tot het overleggen van een deugdelijke specificatie van de eindafrekening, waarin tot uitbetaling van alle opgebouwde rechten per 16 februari 2026 wordt gekomen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. De deugdelijke specificatie met betrekking tot de toegewezen bedragen is toewijsbaar. Het verzoek is niet toewijsbaar voor zover het een specificatie van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente betreft, omdat deze bedragen niet gevorderd zijn.
Proceskosten
5.34.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerders] omdat [verweerders] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

6.De beoordeling van het voorwaardelijk tegenverzoek

[verweerders] heeft een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend, voor het geval de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig zou zijn geëindigd. Nu de kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, is aan deze voorwaarde voldaan. [verzoeker] heeft echter primair geen vernietiging van het ontslag verzocht, waardoor ervan moet worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst per 16 februari 2026 is geëindigd. [verweerders] heeft daarom geen zelfstandig belang bij beoordeling van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek, zodat daaraan niet wordt toegekomen. Gelet hierop bestaat evenmin aanleiding voor een afzonderlijke beslissing over de proceskosten die aan dit verzoek zouden zijn verbonden.

7.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
7.1.
veroordeelt [verweerders] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 5.000,00 bruto,
7.2.
veroordeelt [verweerders] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 5.433,04 bruto,
7.3.
veroordeelt [verweerders] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 14.984,67 bruto,
7.4.
veroordeelt [verweerders] tot het overleggen een deugdelijke specificatie van de betalingen onder 7.1 tot en met 7.3,
7.5.
veroordeelt [verweerders] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
7.6.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
7.7.
wijst het meer of anders verzochte af,
op het voorwaardelijk tegenverzoek
7.8.
verstaat dat niet wordt toegekomen aan een beslissing.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. Giltay en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
54374

Voetnoten

1.Hoge Raad 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:55.
2.Artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a, BW.
4.Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (
5.Artikel 7:672 lid 11 BW Pro.
6.Artikel 7:673 lid 1 BW Pro.