ECLI:NL:RBNNE:2026:2339

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AWB_LEE_25-2348
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 1.13 Procesreglement bestuursrecht rechtbankenArt. 8:36c Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarden woningen zonder rekening te houden met verhuurde staat

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 15 juni 2026 de beroepen van eiser tegen de WOZ-waarden van zes woningen in Stadskanaal behandeld. Eiser betoogde dat de woningen minder waard zijn vanwege de verhuurde staat, ondersteund door een taxatierapport voor één woning.

De rechtbank oordeelde dat de Wet WOZ voorschrijft dat de waarde wordt bepaald alsof de woning onmiddellijk en volledig in gebruik kan worden genomen, waardoor de verhuurde staat buiten beschouwing blijft. Dit is een bewuste keuze van de wetgever om uniformiteit en uitvoerbaarheid te waarborgen.

De heffingsambtenaar had aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waarden niet te hoog waren. Het taxatierapport bevestigde dit, aangezien het verschil in waarde tussen verhuurde en onverhuurde staat niet relevant is. Ook voor de overige vijf woningen zag de rechtbank geen reden om de waarden te verlagen.

De beroepen werden daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak werd mondeling gedaan en partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De beroepen tegen de vastgestelde WOZ-waarden van zes woningen worden ongegrond verklaard en de waarden worden gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/2348, 25/2349, 25/2350, 25/2351, 25/2352 en 25/2353
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 juni 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Stadskanaal,

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] )

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de (in één geschrift vervatte) uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 juni 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen van 25 februari 2025 voor zes woningen in Stadskanaal de WOZ-waarden voor het belastingjaar 2025 vastgesteld en aanslagen opgelegd voor rioolheffing en onroerendezaakbelasting eigenaar. Eiser is eigenaar van de woningen.
1.2.
Het gaat om de volgende adressen en WOZ-waarden:
[adres 1]
€ 197.000
[adres 2]
€ 182.000
[adres 3]
€ 181.000
[adres 4]
€ 182.000
[adres 5]
€ 180.000
[adres 6]
€ 190.000
1.3.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarden.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarden gehandhaafd.
1.5.
De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de heffingsambtenaar zijn gemachtigden.
1.7.
Eiser is – zonder bericht van verhindering – niet op zitting verschenen. Eiser procedeert digitaal bij de rechtbank. De griffier van de rechtbank heeft op 28 april 2026 om 14:59 uur in het digitale dossier van eiser een bericht geplaatst waarin eiser is uitgenodigd voor de zitting onder vermelding van datum, tijd en plaats van die zitting. Van de plaatsing van dit bericht in het digitale dossier is volgens de loggegevens van het digitale systeem op 28 april 2026 om 15:00 uur een notificatiebericht gestuurd aan het door eiser bij het indienen van zijn beroepschrift voor dit doel opgegeven e-mailadres. [1] Het laatstgenoemde tijdstip geldt als het tijdstip waarop eiser de uitnodiging voor de zitting heeft ontvangen. [2] Eiser is dus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting. De rechtbank heeft de zitting daarom laten doorgaan.
1.8.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de heffingsambtenaar de waarden van de woningen niet te hoog heeft vastgesteld. Eiser krijgt dus geen gelijk. De beroepen zijn ongegrond. De rechtbank legt dit oordeel hieronder uit.
2.1.
Eiser heeft gesteld dat de woningen minder waard zijn en heeft aangevoerd dat de woningen in verhuurde staat een lagere verkoopprijs zullen opbrengen. Hij heeft voor de woning [adres 6] een taxatierapport overgelegd waarin de taxateur de waarde van de woning in verhuurde staat stelt op € 165.000 en in onverhuurde staat op € 265.000.
3. De Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) schrijft voor dat de waarde van een woning moet worden bepaald alsof een koper de woning onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Dat staat in artikel 17 van Pro de Wet WOZ. Daarom kan de rechtbank bij het beoordelen van de vastgestelde waarden geen rekening houden met de omstandigheid dat een woning wel of niet verhuurd is. Er wordt dus niet gekeken naar andere dingen dan enkel de objectieve kenmerken van de woningen. Vervolgens wordt er vergeleken met andere, vergelijkbare woningen die rondom de waardepeildatum (in dit geval 1 januari 2024) zijn verkocht. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat dit een bewuste keuze is geweest van de wetgever om te komen tot een uniforme bepaling van de waarde. De wetgever heeft daarvoor gekozen vanwege uitvoeringstechnische redenen (eenvoud en doelmatigheid). [3]
3.1.
De heffingsambtenaar heeft aan de hand van de overgelegde gegevens aannemelijk gemaakt dat de waarden niet te hoog zijn vastgesteld. Eiser heeft een taxatierapport van de woning [adres 6] overgelegd. Met dit rapport wordt juist bevestigd dat de waarde van die woning niet te hoog is bepaald nu immers met de verhuurde staat geen rekening kan worden gehouden. Ook wanneer de waarde naar beneden zouden worden aangepast in verband met de indexering naar de waardepeildatum, zou de waarde van deze woning niet onder de waarde komen die de heffingsambtenaar heeft bepaald.
3.2.
De andere vijf woningen zijn soortgelijke woningen in dezelfde buurt, ongeveer van hetzelfde bouwjaar en van vergelijkbare omvang. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om voor die woningen te oordelen dat de waarde te hoog is vastgesteld nu ook voor die woningen geldt dat met de verhuurde staat geen rekening kan worden gehouden.

Conclusie en gevolgen

4. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van
R.H. Wolfslag, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 15 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 1.13, tweede lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken, Staatscourant 2023 nr. 32442
2.Zie artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44