ECLI:NL:RBNNE:2026:2349

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
LEE 25/2396
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WooArt. 4.1 lid 5 WooArt. 4.1 lid 6 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buiten behandeling stellen Woo-verzoek inzake repatriëring COVID

Eiser diende een Woo-verzoek in voor openbaarmaking van documenten over de repatriëring van Nederlanders tijdens COVID tussen 1 februari 2020 en 1 augustus 2022. De minister stelde het verzoek buiten behandeling omdat het te omvangrijk en onvoldoende concreet was, ondanks twee verzoeken tot precisering.

Eiser voerde aan dat hij het verzoek had gespecificeerd en dat het verzoek zich beperkte tot bepaalde documenten en landen, maar de rechtbank oordeelde dat eiser het verzoek niet alleen had gepreciseerd maar ook gewijzigd, en onvoldoende had meegewerkt aan een werkbare afbakening. De minister had voldoende gelegenheid gegeven tot precisering.

De rechtbank wees ook de verzoeken van eiser om immateriële schadevergoeding, proceskostenvergoeding en reiskosten af. Het beroep werd ongegrond verklaard en het besluit van de minister bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het buiten behandeling stellen van het Woo-verzoek wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/2396

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [plaats], eiser,

en

De minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigden: mr. J.T.E. van der Eijk-Peters en mr. S.R. Raterink).

Procesverloop

1. Bij brief van 7 oktober 2024 heeft eiser een verzoek ingediend op grond van
artikel 4.1 van de Wet open overheid (Woo). Eiser vraagt openbaarmaking van alle stukken die zien op de repatriëring van Nederlanders uit het buitenland wegens COVID, in de periode van 1 februari 2020 tot en met 1 augustus 2022.
1.1.
Bij brief van 24 oktober 2024 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat het
verzoek onvoldoende afgebakend en te omvangrijk is om in behandeling te nemen. Eiser is verzocht het verzoek nader te specificeren. Eiser heeft bij brief van 29 oktober 2024 op het verzoek gereageerd.
1.2.
Op 18 november 2024 heeft verweerder eiser meegedeeld dat het verzoek nog
steeds te omvangrijk is. Eiser is opnieuw verzocht het verzoek nader te concretiseren. Bij brief van 25 november 2024 heeft eiser op het verzoek gereageerd.
1.3.
Bij besluit van 18 december 2024 heeft verweerder het verzoek uitgebreid
gemotiveerd buiten de reikwijdte van de Woo geplaatst, omdat de verzochte informatie al openbaar is.
1.4.
Op 26 december 2024, ontvangen op 6 januari 2025, heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. Mr. J-A. J. Brahm, gemachtigde van eiser in bezwaar, is op 10 april 2025 tijdens een hoorzitting op het bezwaar gehoord.
1.5.
Bij besluit van 5 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek (alsnog) buiten behandeling gesteld met toepassing van artikel 4.1, zesde lid, van de Woo.
1.6.
Eiser heeft op 1 juli 2025 beroep ingesteld. Verweerder heeft op 17 november 2025 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft de gronden van beroep aangevuld.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder. Eiser was, met bericht van verhindering, niet aanwezig. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2.
Eiser voert aan dat het verzoek na de nadere specificaties wel voldoende concreet was. Volgens eiser is het verzoek beperkt tot een specifieke regeling, een afgebakende periode, een selectie van landen en een bepaald type documenten (met name financiële stukken en communicatie op hoger ambtelijk niveau). De reeds openbare documenten komen niet overeen met de opgevraagde documenten zoals facturen en Whatsapp berichten. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte blijft volhouden dat het verzoek te omvangrijk is, terwijl niet inzichtelijk is gemaakt waarom de nadere afbakening onvoldoende zou zijn. Daarnaast voert eiser aan dat geen inventarislijst is opgesteld, waardoor niet controleerbaar is of een volledige zoekslag heeft plaatsgevonden. Verder voert eiser aan dat verweerder hem niet expliciet heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van onvoldoende specificatie en dat het verzoek niet pas in bezwaar buiten behandeling had mogen worden gesteld. Tot slot verzoekt eiser om een proceskostenvergoeding in bezwaar toe te kennen, om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en om een vergoeding van zijn reiskosten.
3. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser niet is geschaad door de wijziging van het standpunt van verweerder in bezwaar. In het besluit in primo was eisers verzoek buiten de reikwijdte van de Woo geplaatst, terwijl in bezwaar het verzoek buiten behandeling is gesteld. Daarmee vindt naar het oordeel van de rechtbank voor eiser geen wijziging plaats in de rechtsgevolgen, die van zodanige omvang of relevantie is dan wel die leidt tot een verslechtering van eisers rechtspositie, dat sprake is van reformatio in peius. Verweerder heeft na de volledige heroverweging in bezwaar het gewijzigde standpunt mogen innemen.
3.1.
Aldus dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder het verzoek terecht buiten behandeling heeft gesteld.
3.2.
Als een verzoek zo algemeen is dat het niet (gemakkelijk) beantwoord kan worden, moet het bestuursorgaan de verzoeker vragen om meer duidelijkheid (precisering). Als de verzoeker vervolgens niet meewerkt aan het preciseren (specificeren) van een te algemeen geformuleerd verzoek, bepaalt artikel 4.1, zesde lid, van de Woo dat een bestuursorgaan een Woo-verzoek buiten behandeling kan laten.
3.3.
Niet in geschil is dat verweerder eiser tweemaal heeft verzocht om zijn verzoek te preciseren, zoals bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid van de Woo, en dat eiser op beide verzoeken inhoudelijk heeft gereageerd en daarbij zijn oorspronkelijke verzoek nader heeft geduid.
3.4.
De rechtbank stelt vast dat het Woo-verzoek van eiser oorspronkelijk zag op alle stukken die zien op de repatriëring van Nederlanders uit het buitenland wegens COVID.
3.4.1.
Vervolgens geeft eiser in reactie op het eerste preciseringsverzoek aan dat het gaat om alle communicatie tussen ambtenaren (vanaf niveau clusterhoofd) en de minister, voor zover deze betrekking heeft op beleid en uitvoering rond repatriëring.
3.4.2.
In reactie op het tweede preciseringsverzoek geeft eiser aan dat het Woo-verzoek ziet op de regeling Bijzondere Bijstand Buitenland, met name ten aanzien van een aantal specifiek genoemde landen, met een accent op financiële stukken over de kosten van repatriëring en de personele inzet en alleen met betrekking tot de ambtelijke laag onder de minister.
3.4.3.
Vervolgens is tijdens de hoorzitting in bezwaar aangegeven dat het eiser hoofdzakelijk gaat om uitvoeringsdocumenten, waaronder begrepen moet worden interne communicatie (e-mails, Signalberichten), personele inzet (fte-registraties), facturen en besluitvorming binnen het ministerie.
3.5.
Op basis van de onder 3.4. tot en met 3.4.3. weergegeven feiten oordeelt de rechtbank dat eiser zijn verzoek niet louter heeft gepreciseerd, maar het eveneens heeft gewijzigd. Zo is eerst aangegeven dat het gaat om informatie over beleid en uitvoering, waarna werd aangegeven dat het accent ligt op financiële stukken, terwijl in bezwaar wordt gesteld dat het hoofdzakelijk gaat om stukken zoals e-mails, Signalberichten en fte-registraties.
3.5.1.
Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser in de bezwaarfase op geen enkele wijze inhoudelijk op de in het besluit in primo verstrekte informatie heeft gereageerd. Dat had voor de hand gelegen, omdat daarin met betrekking tot de verschillende onderwerpen uit het Woo-verzoek is verwezen naar reeds openbare informatie en specifieke bronnen. Indien hiermee niet afdoende aan het verzoek van eiser was voldaan, had hij in bezwaar meer en nadrukkelijker kunnen en moeten specificeren naar welke informatie op welke onderdelen hij (nog) op zoek is.
3.5.2.
Ook acht de rechtbank relevant dat verweerder door eiser onder druk werd gezet om binnen de gestelde wettelijke termijnen op zijn verzoek te reageren door het indienen van ingebrekestellingen, zowel in de primaire fase als in de bezwaarfase. Wanneer verweerder actief bezig is om in overleg met eiser te komen tot een nadere duiding van een zeer algemeen geformuleerd verzoek, ligt het indienen van een ingebrekestelling minder voor de hand. Van een situatie van stilzitten door het bestuursorgaan is immers geen sprake.
3.6.
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verweerder eiser gedurende de procedure behulpzaam is geweest door hem voldoende gelegenheid te geven het verzoek te preciseren. Van belang hierbij is dat voor het verzoek om precisering geen fatale termijn geldt. Verweerder heeft eiser uitleg gegeven door uit te vragen welke publieke informatie eiser concreet wenst te ontvangen. Eiser heeft ook in bezwaar niet nader gespecificeerd welke informatie hij zoekt, anders dan of in aanvulling op de reeds openbare informatie waarnaar verweerder in zijn besluit heeft verwezen. Gelet hierop heeft eiser onvoldoende meegewerkt aan het verzoek om precisering. Het verzoek bleef, ondanks de precisering, zodanig breed dat het nog steeds zag op een zeer groot aantal documenten, waardoor onvoldoende concreet is geworden welke informatie eiser zoekt die niet al openbaar is. Het verzoek kon daardoor niet in een werkbare vorm door verweerder worden behandeld en verweerder mocht het om die reden buiten behandeling stellen. Als gevolg daarvan heeft geen inventarisatie van documenten plaatsgevonden en is er geen inventarislijst opgesteld. De beroepsgronden treffen geen doel.
Verzoek schadevergoeding, proceskostenveroordeling en reiskosten
4. De berechting van een zaak door de rechtbank geschiedt in beginsel niet binnen een redelijke termijn wanneer zij niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet (waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren).
4.1.
Het bezwaar van eiser dateert van 26 december 2024. Reeds hierom is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat eiser niet in aanmerking komt voor een immateriële schadevergoeding.
4.2.
Nu het beroep van eiser niet slaagt en het bestreden besluit in stand blijft, komt de rechtbank niet tot een kostenveroordeling ter zake van de professionele bijstand door een advocaat in bezwaar. Het verzoek kan om die reden niet worden toegewezen.
4.3.
Voor het verzoek om vergoeding van de gemaakte reiskosten geldt dat eiser met bericht van verhindering vooraf niet bij de zitting van 2 april 2026 aanwezig was. Aldus heeft eiser geen reiskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Ook dit verzoek wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit van verweerder om het Woo-verzoek buiten behandeling te stellen in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en de nadere verzoeken die hij in beroep heeft gedaan worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank;
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af, evenals het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar alsmede de reiskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.