ECLI:NL:RBNNE:2026:2378

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
11947909 CV EXPL 25-5993
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Verstek
Rechters
  • T.J. Sleeswijk Visser
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:60 BWArt. 7:59 BWArt. 7:61 BWArt. 4:34 WftArt. 3:40 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging consumentenkredietovereenkomst wegens schending precontractuele informatieplicht

De zaak betreft een vordering van Bondora AS tegen een consument wegens niet-nakoming van betalingsverplichtingen uit een consumentenkredietovereenkomst en aanvullende diensten. De kredietovereenkomst werd op afstand gesloten en bevatte een rechtskeuze voor Ests recht, maar de Nederlandse rechter is bevoegd vanwege de woonplaats van de consument en past de Nederlandse (semi)dwingende bepalingen toe.

De kantonrechter toetst ambtshalve de kredietovereenkomst aan de informatieplicht uit artikel 7:60 BW Pro, die voortvloeit uit de Europese Richtlijn consumentenkrediet. Uit het aanvraagproces blijkt dat essentiële precontractuele informatie zoals het totaalbedrag en het jaarlijks kostenpercentage onduidelijk en onopvallend werd gepresenteerd, onder meer in kleine letters onder de bestelknop en via PDF-bestanden die de consument niet actief hoefde te openen.

De rechter oordeelt dat hierdoor de consument de overeenkomst kon sluiten zonder kennis te nemen van essentiële informatie, wat in strijd is met de informatieplicht. Dit leidt tot vernietiging van de kredietovereenkomst op grond van artikel 3:40 lid 1 BW Pro, omdat de schending van de informatieplicht een openbare orde norm betreft. De beslissing is aangehouden om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.

Uitkomst: De kredietovereenkomst wordt vernietigd wegens niet-naleving van de precontractuele informatieplicht, beslissing aangehouden voor nadere uitlatingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Verstek
Civiel recht AK
Kantonrechter
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: 11947909 CV EXPL 25-5993
verstekvonnis d.d. 14 april 2026
in de zaak van
vennootschap naar het recht van Estland Bondora AS,
te Tallin,
eisende partij,
gemachtigde: Inkassier,
uw kenmerk: 25601531,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij, tegen wie verstek is verleend.

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft bij dagvaarding, op daarin geformuleerde gronden, gevorderd de gedaagde partij te veroordelen tot betaling van € 4.734,62 met rente en kosten.

2.De beoordeling

Internationaal karakter
2.1.
Nu de eisende partij gevestigd is te Estland, draagt onderhavige procedure een internationaal karakter. Allereerst dient daarom de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de onderhavige vordering kennis te nemen. De vorderingen van de eisende partij zijn gebaseerd op de tussen partijen gesloten kredietovereenkomst. In artikel 16.3 van de op deze kredietovereenkomst toepasselijke algemene voorwaarden is bepaald dat de rechtbanken van Estland niet-exclusief bevoegd zijn. De kantonrechter is van oordeel dat hij bevoegd is en ontleent deze bevoegdheid aan artikel 4 lid 1 herschikte Pro EEX Verordening (EU) nr. 1215/2012, aangezien de gedaagde partij is opgeroepen voor het gerecht van de lidstaat waarin hij woonplaats heeft. Gelet op de woonplaats van de gedaagde partij is de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden bevoegd van de vordering kennis te nemen.
2.2.
Met betrekking tot het toepasselijke recht overweegt de kantonrechter als volgt. Op grond van artikel 3 Rome Pro I Verordening (EG) 593/2008 wordt de overeenkomst beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. In artikel 16.1 van de algemene voorwaarden is een rechtskeuze opgenomen voor de wetgeving van de Republiek Estland. Om haar moverende redenen wenst de eisende partij de onderhavige vordering naar Nederlands recht te laten beoordelen. De wettelijke bepalingen omtrent consumentenkredieten in titel 2A van Boek 7 BW zijn van (semi)dwingend recht, zodat deze bepalingen van Nederlands recht (ondanks de rechtskeuze van partijen) van toepassing zijn. De kantonrechter zal de vordering dan ook toetsen aan deze (semi)dwingende bepalingen.
De vordering
2.3.
De hoofdsom is opgebouwd uit de volgende posten:
- krediet € 3.801,80;
- administratiekosten € 24,83;
- “ B Secure” € 104,93;
- “ B Secure +” € 70,00;
- “ B on Track” € 0,00;
- rente betrekking hebbende op de niet betaalde maandtermijnen € 243,07;
Totaal € 4.244,63.
2.4.
De eisende partij baseert haar vorderingen op de tussen partijen gesloten kredietovereenkomst en een overeenkomst voor aanvullende diensten “B Secure”. De gedaagde partij is toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van deze overeenkomsten. De eisende partij heeft de kredietovereenkomst opgezegd en heeft het volledige krediet opgeëist en vordert daarnaast betaling voor de aanvullende diensten.
Ambtshalve toetsing consumentenkredietovereenkomst
2.5.
Partijen hebben op 4 augustus 2023 een kredietovereenkomst gesloten op grond waarvan de eisende partij aan de gedaagde partij een krediet van € 4.242,00 heeft verstrekt. De overeenkomst is op afstand gesloten. Daarop zijn onder andere de artikelen 7:59 tot en met 7:61 BW en 4:34 Wft van toepassing. Deze artikelen bevatten de omzetting van Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (hierna: Richtlijn consumentenkrediet). Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat, om een afdoende beschermingsniveau te waarborgen, de (nationale) rechter verplicht is de nationale bepalingen waarin de richtlijnen zijn omgezet, ambtshalve toe te passen. [1] Dat wil zeggen dat de bepalingen ook moeten worden toegepast als de consument daar geen beroep op doet.
2.6.
Artikel 7:60 BW Pro bepaalt dat de kredietgever de consument ‘geruime tijd’ voordat deze door een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden, de in de artikelen 5 en 6 van de Richtlijn consumentenkrediet voorgeschreven precontractuele informatie, op de in die artikelen voorgeschreven wijze verstrekt. Volgens de toelichting op de Richtlijn consumentenkrediet (onder 18 19) moet de consument beschermd worden tegen oneerlijke of misleidende praktijken, met name ten aanzien van de verstrekking van informatie door de kredietgever. De consument dient vóór het sluiten van de kredietovereenkomst de nodige informatie (op uniforme wijze) te krijgen over de kredietvoorwaarden, de kredietkosten en zijn verplichtingen, die hij mag meenemen en nader bestuderen om voor een zo groot mogelijke transparantie te zorgen en aanbiedingen vergelijkbaar te maken. Door middel van de Europese standaardinformatie wil de wetgever bereiken dat de consument voldoende informatie heeft ontvangen om een bewuste keuze te maken en zich van de gevolgen van het krediet op de hoogte kan stellen. Met het oog op volledige transparantie moet de consument zowel in de precontractuele fase als bij het sluiten van de kredietovereenkomst informatie krijgen over de debetrentevoet. [2] De consument zal voldoende tijd hebben om de aanbieding van de kredietgever te doorgronden en, indien de consument dat wenst, die aanbieding te kunnen vergelijken met aanbiedingen van andere kredietgevers, opdat de consument goed geïnformeerd een besluit kan nemen over het sluiten van een kredietovereenkomst. De kredietgevers moeten op grond van artikel 5 lid 6 van Pro de Richtlijn consumentenkrediet de consument een passende toelichting verstrekken om hem in staat te stellen te beoordelen of de voorgestelde kredietovereenkomst aan zijn behoeften en financiële situatie beantwoordt, zo nodig door de in het Standaardformulier opgenomen precontractuele informatie, de voornaamste kenmerken van de voorgestelde producten en de specifieke gevolgen hiervan voor de consument toe te lichten, met inbegrip van de gevolgen indien de consument niet betaalt. Voor een goede uitvoering van de kredietovereenkomst is vereist dat de consument de gegevens kent en begrijpt die deze overeenkomst moet bevatten [3] .
De eisende partij heeft niet voldaan aan haar informatieverplichtingen
2.7.
De eisende partij heeft als productie 4 het Europees standaardformulier overgelegd. Uit het door haar overgelegde voorbeeld van het proces voor het aangaan van de kredietovereenkomst blijkt echter niet dat de precontractuele informatie op duidelijke wijze aan de gedaagde partij is verstrekt. Uit het overgelegde aanvraagproces blijkt dat de consumenten daarin een geldlening wordt aangeprezen met teksten als “Durf groot te denken” en “Hallo! Ik ben Bondora, en ik ga je een lening helpen krijgen in slechts enkele eenvoudige stappen. Het duurt maar een paar minuten!”). Ten aanzien van de aan de gedaagde partij aangeboden kredietovereenkomst is in het aanvraagproces geen essentiële informatie verstrekt, zoals het totale kredietbedrag en het jaarlijks kostenpercentage. Dit betreft essentiële informatie die ook in reclame voor een krediet op een duidelijke, beknopte en in het oog vallende wijze moet worden opgenomen. [4] Enkel op de eerste pagina van het aanvraagproces is over de rente, het jaarlijks kostenpercentage en totaalbedrag op onopvallende wijze iets vermeld. Het is in kleine letters weergegeven onder de grote knop met daarop “Nu aanvragen”. Het aanvraagproces van de eisende partij is zo ingericht dat bij stap 5/6 drie leningen worden aangeboden, waarbij enkel wordt aangegeven welk bedrag wordt aangeboden, welk bedrag maandelijks moet worden betaald en hoeveel maanden de overeenkomst duurt. Daarvan kan één van de offertes worden gekozen, waarna het bankrekeningnummer moet worden ingevuld en vervolgens op de knop “Onderteken via sms” dient te worden geklikt. Helemaal onderaan de website, ver onder de knop “Onderteken contract via sms” worden in vakken met een lichtere kleur PDF-bestanden weergegeven met “Standaard Europese consumentenkrediet informatie”, “Betalingsschema”, “Leningsovereenkomst” en “Precontractuele informatie”. Deze bestanden zijn dusdanig weergegeven dat een gemiddelde consument deze informatie, net als algemene voorwaarden, doorgaans als onbelangrijk zal beschouwen en niet zal lezen voor het sluiten van de overeenkomst. Daardoor is het mogelijk dat een consument een kredietovereenkomst kan afsluiten zonder kennisname van de in artikel 7:60 BW Pro bedoelde informatie en de in de overeenkomst vermelde bepalingen. In dat kader is van belang dat de consument ook geen actieve handeling heeft hoeven verrichten waaruit blijkt dat hij is gewezen op de betreffende informatie en dat hij daarmee instemt. [5] Anders dan bij algemene voorwaarden, betreft het hier essentiële informatie, zodat de eisende partij daarmee naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende heeft voldaan aan haar precontractuele informatieplichten.
2.8.
De kantonrechter overweegt dat het vernietigen van de kredietovereenkomst wegens schending van de informatieplicht van artikel 7:60 BW Pro passend kan zijn voor zover de vervulling van deze plicht essentieel is voor de wilsvorming van de consument en voor het bereiken van het door de Uniewetgever gewenste beschermingsniveau.
Het nationale recht biedt in artikel 3:40 lid 1 BW Pro – dat bepaalt dat rechtshandelingen die door inhoud of strekking in strijd zijn met de openbare orde, nietig zijn – een grondslag voor de vernietiging van de kredietovereenkomst omdat de consumentenbeschermende bepalingen in het nationale recht, zoals artikel 7:60 BW Pro, die voortvloeien uit (een omzetting zijn van) Richtlijn consumentenkrediet gelijk gesteld moeten worden aan regels die naar nationaal recht van openbare orde zijn. De kantonrechter heeft daarom het voornemen de kredietovereenkomst te vernietigen. De eisende partij zal in de gelegenheid worden gesteld zich hierover uit te laten.
2.9.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van
28 april 2026voor
akte uitlatingaan de zijde van de eisende partij met betrekking tot hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.7.en 2.8. is overwogen,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.J. Sleeswijk Visser en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
779

Voetnoten

1.HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236 met verwijzing naar HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, ECLI:EU:C:2007:575 en HvJ EU 16 november 2010, C-76/10 ECLI:EU:C:2010:685.
2.Toelichting bij Richtijn Consumentenkrediet punt 32.
3.Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Richtlijn consumentenkrediet; HvJ EU 9 september 2021, EU:C:2021:736, Volkswagen Bank e.a., punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
4.Artikel 4 lid 2 Richtlijn Pro Consumentenkrediet
5.Vgl. HvJ EU 24 februari 2022, ECLI:EU:C:2022:112.