Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2421

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C18/257515 KG RK 26-388
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 6 EVRMArt. 14 IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wraking van rechters wegens vermeende schending Code zaakstoedeling ongegrond verklaard

Op 8 juni 2026 behandelde de wrakingskamer van de Rechtbank Noord-Nederland het verzoek tot wraking van de oudste en jongste rechter van de meervoudige strafkamer. Verzoeker stelde dat de wisseling van rechters in zijn strafzaak niet volgens de Code zaakstoedeling was verlopen, zonder dat partijen hierover waren geïnformeerd. Dit zou een schending van het nationale recht betekenen.

De wrakingskamer oordeelde dat een wrakingsverzoek alleen kan slagen indien er sprake is van (de schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid van de rechters. De vermeende schending van de Code zaakstoedeling betreft een procedurele aangelegenheid die niet door de wrakingskamer getoetst kan worden. De juiste weg hiervoor is een klachtprocedure of een verzoek tot onderzoek bij de Hoge Raad.

De wrakingskamer stelde vast dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond en dat het subjectieve standpunt van verzoeker niet beslissend is. Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en werd de hoofdzaak voortgezet in de bestaande samenstelling. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen twee rechters is ongegrond verklaard wegens ontbreken van partijdigheid of vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Wrakingskamer
Locatie Assen
zaaknummer / rekestnummer: C18/257515 KG RK 26-388
beslissing van de meervoudige kamer van 8 juni 2026
op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna: verzoeker,
raadslieden mrs. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht en C.C. Polat, advocaat te Breukelen,
tegen
mr. G. Eelsing,
mr. H.R. Eising,
rechters van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank tijdens de behandeling van de strafzaak met parketnummer [nummer] ,
hierna: de rechters.

1.De procedure

1.1.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van het op 8 juni 2026 ter openbare terechtzitting gedane verzoek tot wraking, waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld.
1.2.
De rechters hebben per emailbericht van 8 juni 2026 aangegeven dat zij niet berusten in de wraking.
1.3.
Op 8 juni 2026 is het verzoek tot wraking ter openbare zitting behandeld door de wrakingskamer. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen verzoeker, bijgestaan door zijn raadslieden mrs. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht en C.C. Polat, advocaat te Breukelen. De rechters zijn -met voorafgaande kennisgeving- niet verschenen.

2.2. Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de oudste (mr. G. Eelsing) en de jongste rechter (mr. H.R. Eising) van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank tijdens de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker als verdachte, met parketnummer [nummer] .
2.2.
Namens verzoeker is -zakelijk weergegeven- het volgende aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. Vanwege principiële redenen worden de oudste en de jongste rechter gewraakt. Daarbij wordt opgemerkt dat het niet gaat om persoonlijke redenen of gebrek aan onafhankelijkheid, maar om de procedure waarbij vóórbij de individu van de rechter moet worden gekeken. Eind 2023 heeft er een belangrijke regiezitting plaatsgevonden waarbij de voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst. Ook heeft de rechtbank naar aanleiding van die regiezitting het verzoek om een drietal Servische getuigen te horen toegewezen. Daarmee is sprake van een onomkeerbare (onderzoeks)handeling zoals bedoeld in artikel 6 van Pro de Code zaakstoedeling. In dit artikel staat vermeld dat als er een onomkeerbare (onderzoeks)handeling door een rechter is verricht, er in beginsel géén rechterswisseling mogelijk is. In artikel 7 van Pro de Code zaakstoedeling is bepaald dat als er een zwaarwegende reden is om in afwijking van artikel 6 toch Pro te wisselen, daarover wordt beslist door de (door het gerechtsbestuur gemandateerde) teamvoorzitter. De wisseling wordt onder vermelding van de reden(en) uiterlijk op de zitting aan partijen medegedeeld. In de strafzaak van verzoeker is de samenstelling van de meervoudige kamer veranderd. De oudste en de jongste rechter zijn gewisseld en partijen zijn hierover niet geïnformeerd. De regels van de Code zaakstoedeling zijn aldus niet nagekomen en daarmee is het nationale recht niet nageleefd. Een toetsing is nodig en een wrakingsprocedure lijkt de enige mogelijkheid om deze schending aan een rechterlijke toets te onderwerpen.

3.De beoordeling

3.1.
De wrakingskamer heeft - zoals aangekondigd bij de mondelinge behandeling - na schorsing van de behandeling, direct mondeling uitspraak gedaan. Daarbij is de verzochte wraking ongegrond verklaard. De mondelinge uitspraak is gedaan met het oog op de voortgang van de hoofdzaak. Hieronder volgt - zoals ook aangegeven op de mondelinge behandeling - de schriftelijke vastlegging van de mondeling gegeven beslissing.
3.2.
Ingevolge artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - voor zover hier van belang - heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv Pro hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.
3.3.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees van bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
3.4.
De wrakingskamer stelt voorop dat aan de wrakingskamer geen oordeel toekomt over de gang van zaken rondom de zaakstoedeling. De wrakingskamer is ook niet bedoeld om een beslissing op basis van de Code zaakstoedeling te toetsen. Een beslissing op basis van de Code zaakstoedeling betreft een (gedelegeerde) beslissing van het gerechtsbestuur. In het geval men meent dat deze Code niet is nageleefd, lijkt een klachtprocedure op grond van de Wet op de Rechterlijke organisatie de meest geëigende weg. Verzoeker zou via deze weg dan de procureur-generaal bij de Hoge Raad schriftelijk kunnen verzoeken een vordering bij de Hoge Raad in te stellen tot het doen van een onderzoek. Echter, ook als die route niet geëigend is en zelfs als ervan uit zou worden gegaan dat er momenteel geen procedure openstaat of rechterlijke toetsing mogelijk is, dan maakt dat nog niet dat dit een grond voor wraking oplevert dan wel dat een beweerde schending van de Code zaakstoedeling in een wrakingsprocedure aan de orde kan worden gesteld. De wrakingskamer beoordeelt of er sprake is van (de schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid bij de rechters. Hiervan is -zoals namens verzoeker ook is aangegeven- niet gebleken.
3.5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
bepaalt dat de hoofdzaak (met parketnummer [nummer] )
wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot
wraking, bevond;
4.3.
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, zijn raadslieden mrs. J.C. Reisinger en C.C. Polat, de rechters en de officier van justitie mr. J. Hoekman.
Deze beslissing is gegeven door mr. G. Kattenberg, voorzitter, mr. Y. Huizing en mr.
J. Faber, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Wachtmeester-Koning, in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026 en schriftelijk vastgelegd op 9 juni 2026.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open