Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2427

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/18/255574 KG ZA 26-145
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:54 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijdering dakgoot en ventilatierooster wegens overschrijding erfgrens

Partijen zijn buren met geschakelde twee-onder-een-kapwoningen. De rechtsvoorganger van gedaagde heeft een opbouw op de garage geplaatst. Eisers willen een soortgelijke opbouw realiseren en hebben een omgevingsvergunning verkregen, waartegen gedaagde bezwaar maakte en beroep instelde.

Een erfgrensreconstructie door het Kadaster toonde aan dat de zijgevel van de opbouw van gedaagde op 4 cm van de erfgrens ligt, maar de dakgoot en het ventilatierooster steken respectievelijk 8 en 11 cm uit over de erfgrens. Eisers sommereerden gedaagde tot verwijdering, maar overleg bleef uit.

In kort geding vorderen eisers verwijdering van de overbouw die de erfgrens overschrijdt, onder dwangsom. Gedaagde betwist de overschrijding, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter oordeelt dat de vordering toewijsbaar is, het spoedeisend belang aanwezig is en dat de overbouw verwijderd moet worden. De gevorderde dwangsom wordt gemaximeerd op €5.000,00 en gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot verwijdering van de dakgoot en het ventilatierooster die de erfgrens overschrijden, onder dwangsom en proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/255574 / KG ZA 26-145
Vonnis in kort geding van 5 juni 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

2.
[eiser sub 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers, hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. R.J.A. Korten te Groningen,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.C. van Kan.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van mr. Korten,
- de spreekaantekeningen van mr. van Kan,
- de aanhouding ten behoeve van het beproeven van een minnelijke regeling,
- het verzoek van partijen om vonnis te wijzen.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn buren. De woningen van partijen betreffen geschakelde twee-onder-een-kapwoningen met elk een garage, waarvan telkens de garages met elkaar zijn verbonden.
2.2.
De rechtsvoorganger van [gedaagde] heeft de woning uitgebreid door middel van een opbouw op de garage.
2.3.
[eisers] hebben de wens om op hun garage een soortgelijke opbouw te plaatsen. Zij hebben hiertoe een architect ingeschakeld, een omgevingsvergunning aangevraagd en deze ook verkregen. Tegen de omgevingsvergunning is door [gedaagde] bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is afgewezen. Door [gedaagde] is daartegen beroep ingesteld.
2.4.
Uit een erfgrensreconstructie door het Kadaster op 5 september 2025 blijkt dat de zijgevel van de opbouw van [gedaagde] op 4 centimeter langs de kadastrale erfgrens loopt. In de zijgevel van de opbouw van [gedaagde] zit een ventilatierooster dat circa 11 centimeter uitsteekt ten opzichte van de zijgevel. De dakgoot van de opbouw van [gedaagde] steekt circa 8 centimeter uit ten opzichte van de zijgevel.
2.5.
Bij brief van 14 november 2025 is [gedaagde] door [eisers] in kennis gesteld van de erfgrensreconstructie en de bevindingen met betrekking tot de dakgoot en het ventilatierooster van de opbouw, is [gedaagde] gesommeerd de overbouw te verwijderen en is voorgesteld om in overleg te treden over een oplossing. Tot een dergelijk overleg is het niet gekomen.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld om binnen zes weken na betekening van dit vonnis de overbouw (bestaande uit de dakgoot en het ventilatierooster) te verwijderen voor zover deze de erfgrens tussen de percelen van partijen overschrijdt, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag tot een maximum van € 25.000,00 en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten inclusief wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] .
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
In een kort geding moet de voorzieningenrechter beoordelen of de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. De eiser moet daarbij een voldoende spoedeisend belang hebben. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
[eisers] hebben gesteld dat zij op korte termijn een aanvang willen nemen met het plaatsen van de opbouw, maar dat dit niet kan zolang geen duidelijkheid bestaat over verwijdering van de overbouw. Als een bodemprocedure moet worden afgewacht bestaat volgens [eisers] het risico dat hun aannemer afhaakt, de bouwkosten toenemen en hun bouwdepot verloopt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiermee het spoedeisend belang gegeven.
4.3.
Door [gedaagde] aangevoerd dat verwijdering van de overbouw zoals gevorderd definitief van aard is en dat de vordering daarom niet geschikt is om te worden behandeld in kort geding. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op zichzelf juist is dat de gevraagde voorziening ingrijpend is, maar dat zij niet onomkeerbaar is. Indien nodig zou de oude situatie immers kunnen worden hersteld, zo nodig met bepaling dat de wederpartij daarvan de kosten draagt. De vordering is dan ook geschikt voor beoordeling in kort geding.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
Bij de beoordeling stelt de voorzieningenrechter voorop dat eigendom het meest omvattende recht is dat men op een zaak kan hebben, en dat het de eigenaar met uitsluiting van eenieder vrij staat de zaak te gebruiken. In geval van grond omvat dit het gebruik van de ruimte onder en boven de grond. Ook het gebruik van de ruimte onder en boven de grond is in beginsel exclusief, tenzij het gebruik door een ander zodanig diep of hoog plaatsvindt dat de eigenaar geen belang heeft zich daartegen te verzetten. Dat belang hoeft geen redelijk belang te zijn, in beginsel is ieder belang voldoende en dient degene die van de ruimte boven de grond van een ander gebruik wil maken te stellen en zo nodig te bewijzen dat de eigenaar geen belang heeft zich tegen het gebruik te verzetten [1] .
4.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorshands aannemelijk dat de dakgoot en het ventilatierooster van de opbouw van [gedaagde] de erfgrens overschrijden en zich dus boven de grond van [eisers] bevinden. Het Kadaster heeft namelijk vastgesteld dat de gevel van de opbouw op 4 centimeter afstand van de erfgrens loopt, uit de door [eisers] overgelegde foto's blijkt dat de dakgoot en het ventilatierooster méér dan 4 centimeter uitsteken ten opzichte van de gevel en [gedaagde] heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.6.
[gedaagde] heeft de juistheid van de erfgrensreconstructie door het Kadaster betwist, maar daartoe slechts aangevoerd dat hij bij die reconstructie niet aanwezig was. In het verlengde daarvan heeft [gedaagde] betwist dat die erfgrens wordt overschreden door de dakgoot en het ventilatierooster. Het enkele feit dat [gedaagde] niet aanwezig was, maakt echter niet dat de erfgrensreconstructie onjuist is. Indien gerede twijfel bestaat bij de juistheid van de erfgrensreconstructie had het op de weg van [gedaagde] gelegen om dit nader te onderbouwen of te laten onderzoeken. Daartoe had [gedaagde] voldoende gelegenheid, aangezien hij al geruime tijd bekend is met de bevindingen van het Kadaster. Ditzelfde geldt voor de betwisting van de overschrijding van de erfgrens door de dakgoot en het ventilatierooster. Ook hier geldt dat [gedaagde] al geruime tijd bekend is met de gestelde overschrijding en de foto's waarmee dit wordt onderbouwd. [gedaagde] had dus voldoende gelegenheid om met eigen metingen of onderzoek door derden te onderbouwen dat de dakgoot en het ventilatierooster de erfgrens niet overschrijden. Met een blote betwisting kan [gedaagde] niet volstaan. De voorzieningenrechter gaat daarom voorbij aan deze betwisting.
4.7.
Door [gedaagde] is niet gesteld (en ook anderszins is niet gebleken) dat [eisers] vanwege de hoogte van de overbouw geen belang hebben bij verwijdering. Het uitgangspunt is dan ook dat de overbouw moet worden verwijderd.
4.8.
Door [gedaagde] is gesuggereerd dat in hoger beroep dan wel in een bodemprocedure een beroep zal worden gedaan op artikel 5:54 BW Pro, en dat daarbij in het kader van de belangenafweging de kosten die gemoeid zullen zijn met de bouwkundige aanpassingen van de opbouw een rol zullen spelen, alsmede het feit dat de zoon van [gedaagde] de ruimte in de opbouw gebruikt voor het schrijven van zijn eindscriptie en daarin gehinderd zal worden bij een grote verbouwing. Hier gaat de voorzieningenrechter aan voorbij. In de eerste plaats is er niet concreet verzocht om toepassing van artikel 5:54 BW Pro, bijvoorbeeld door in deze procedure een eis in reconventie in te stellen dan wel voorafgaand aan deze procedure door het doen van een aanbod aan [eisers] om tegen schadeloosstelling een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand te verlenen. In de tweede plaats vereist toepassing van artikel 5:54 BW Pro dat [gedaagde] door het wegnemen van het uitstekende gedeelte van de opbouw onevenredig veel zwaarder benadeeld wordt dan [eisers] door handhaving van het uitstekende gedeelte. Het enkele feit dat er kosten gemoeid zijn met het aanpassen van de opbouw maakt nog niet dat [gedaagde]
onevenredig zwaarderwordt benadeeld dan [eisers] , die door de overbouw niet hun gehele perceel kunnen benutten voor hun gewenste opbouw. Dat de zoon van [gedaagde] als gebruiker van de kamer in de opbouw overlast zou kunnen ervaren van de werkzaamheden die gemoeid zijn met het aanpassen van de dakgoot en het ventilatierooster is geen reden om de overbouw te handhaven. Alleen al niet omdat de zoon die overlast kan ontlopen door op een andere plek in of buiten het huis aan zijn scriptie te werken.
4.9.
Voor het overige zijn door [gedaagde] nog diverse bezwaren opgeworpen tegen (de uitvoering van) de bouwplannen die [eisers] heeft voor hun gewenste opbouw. Die plannen zelf liggen in dit kort geding echter niet ter beoordeling voor.
4.10.
De slotsom is dat de vordering zal worden toegewezen. Daarbij zal de gevorderde dwangsom in maximum worden beperkt op de wijze zoals vermeld in het dictum.
4.11.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.860,02
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
beveelt [gedaagde] om binnen zes weken na betekening van dit vonnis de overbouw (te weten: de dakgoot en het ventilatierooster) te verwijderen voor zover deze de erfgrens tussen de percelen van [eisers] en [gedaagde] overschrijdt,
5.2.
bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat hij niet of niet volledig aan het onder nummer 5.1 bepaalde voldoet, een dwangsom verbeurt van € 250,00, zulks totdat een maximum van € 5.000,00 aan dwangsommen is verbeurd,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.860,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken en in het openbaar uitgesproken op
5 juni 2026.
524 / MvdH

Voetnoten

1.zie Gerechtshof Leeuwarden 23 december 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BH0347, r.o. 7.