Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2428

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
24/3894
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:4 AwbArt. 10:33 AwbArt. 10:35 AwbArt. 6:22 AwbArt. 1 Kzbo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling administratieve beroepen en vernietigingsverzoek minister Sociale Zaken

Eiser heeft meerdere administratieve beroepen ingesteld tegen besluiten van het UWV en verzocht de minister deze besluiten te vernietigen op grond van artikel 10:35 Awb Pro. De minister heeft deze beroepen niet in behandeling genomen en geweigerd tot vernietiging over te gaan. De rechtbank oordeelt dat de minister bevoegd is en dat tegen de besluiten geen administratief beroep openstaat, waardoor de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Tevens verklaart de rechtbank zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep voor zover dit ziet op de vernietigingsbevoegdheid van de minister, omdat tegen besluiten over spontane vernietiging geen beroep mogelijk is.

De rechtbank constateert een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, maar passeert dit gebrekkige omdat eiser hierdoor niet is benadeeld. De ingebrekestelling leidt niet tot toekenning van een dwangsom. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond voor zover het administratieve beroepen betreft en onbevoegd voor zover het vernietigingsverzoek betreft. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €51. Er zijn geen overige proceskosten toe te wijzen.

De uitspraak is gedaan door rechter P.G. Wijtsma en griffier O.J.J.C. Koopmans op 19 mei 2026 te Groningen. Eiser kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard voor de administratieve beroepen en de rechtbank is onbevoegd voor het vernietigingsverzoek; de minister moet het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3894

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister

(gemachtigde: mr. E.A.M.P. van Oijen).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om eisers administratieve beroepen niet in behandeling te nemen en zijn verzoek om besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv) te vernietigen, af te wijzen. Eiser is het daar niet mee eens.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gedeeltelijk ongegrond is en dat de rechtbank voor het overige onbevoegd is. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Eiser heeft op 16 april 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen een betaalspecificatie van het Uwv van 23 augustus 2019. Op 10 mei 2024 heeft hij beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van het Uwv van 18 november 2016. De rechtbank heeft die beroepen op 8 juli 2024 aan de minister doorgezonden.
1.1.
Op 25 juni 2024 heeft eiser de minister in gebreke gesteld.
1.2.
Bij afzonderlijke brieven van 15 juli 2024 heeft eiser bij de minister administratief beroep ingesteld tegen Uwv-besluiten van 3 oktober 2019, 15 november 2019, 9 juni 2020 en 11 augustus 2020.
1.3.
Bij brief van 22 juli 2024 heeft eiser bij de minister administratief beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het Uwv van 19 september 2016.
1.4.
Hierna duidt de rechtbank deze besluiten samen aan als ‘de besluiten’. In zijn beroepen en brieven heeft eiser de minister verzocht om toepassing van artikel 10:35 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) [1] .
1.5.
Met het besluit van 19 juli 2024 heeft de minister de administratieve beroepen aangemerkt als verzoeken om vernietiging van de besluiten zoals bedoeld in artikel 22 van Pro de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Kzbo) en artikel 4 van Pro de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). De minister is niet overgegaan tot vernietiging van de besluiten.
2. Met het bestreden besluit van 12 september 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij het niet in behandeling nemen van de administratieve beroepen en het niet vernietigen van de besluiten gebleven. De minister heeft toegelicht dat de ingebrekestelling van 25 juni 2024 niet kan leiden tot toekenning van een dwangsom.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.1.
Eiser heeft een wrakingsverzoek ingediend, dat de wrakingskamer van de rechtbank bij beslissing van 1 april 2026 kennelijk ongegrond heeft verklaard.
3.2.
Eiser heeft vervolgens opnieuw een wrakingsverzoek ingediend, dat de wrakingskamer van de rechtbank bij beslissing van 8 april 2026 ongegrond heeft verklaard. De wrakingskamer heeft daarbij bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de minister zijn gemachtigde en mr. J.H. Smits.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt allereerst of de minister de administratieve beroepen niet in behandeling hoefde te nemen. Daarna komt de vernietigingsbevoegdheid van de minister aan bod. De rechtbank doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser, die hierna zullen worden besproken.

De bevoegde minister

5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en niet de minister bevoegd zou zijn. Op grond van artikel 1 van Pro de Kzbo is “Onze Minister” de minister wie het aangaat. In artikel 30 van Pro de Wet SUWI zijn de taken in verband met uitkeringsverstrekking en algemene taken van het Uwv geregeld. Ook in de Wet SUWI is als “Onze Minister” de minister aangeduid, [2] net als in de wetten waarop de besluiten gebaseerd zijn. [3] Hieruit volgt dat de minister bevoegd is.

Administratieve beroepen

6. Onder het instellen van administratief beroep wordt verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij een ander bestuursorgaan dan hetwelk het besluit heeft genomen. [4]
6.1.
Op de zitting heeft de minister de motivering van het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat de administratieve beroepen niet-ontvankelijk zijn. Het bestreden besluit is daarom in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank ziet aanleiding dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou namelijk een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
6.2.
De minister heeft op juiste wijze vastgesteld dat tegen de besluiten geen administratief beroep openstaat. De bevoegdheid om zo’n beroep in te stellen moet bestaan krachtens wettelijk voorschrift, wat niet het geval is. De minister heeft daarom de administratieve beroepen niet inhoudelijk kunnen behandelen. Dit brengt met zich dat er geen beslistermijn is gaan lopen en de minister dus geen dwangsom verschuldigd is.
Vernietigingsbevoegdheid
7. Afdeling 10.2.2 van de Awb is van toepassing indien een bestuursorgaan bevoegd is buiten administratief beroep een besluit van een ander bestuursorgaan te vernietigen (spontane vernietiging). [5]
7.1.
Tegen een besluit inhoudende schorsing of vernietiging van een besluit van een ander bestuursorgaan kan geen beroep worden ingesteld. [6]
7.2.
Eiser heeft de minister verzocht om de besluiten op grond van artikel 10.35 van de Awb, onderdeel van afdeling 10.2.2 van de Awb, te vernietigen. De minister heeft eisers verzoeken zo opgevat en is niet tot vernietiging overgegaan. Het is de bedoeling van de wetgever dat tegen een besluit over spontane vernietiging geen beroep ingesteld kan worden. [7] De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren van het beroep kennis te nemen voor zover het ziet op de vernietigingsbevoegdheid van de minister.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren, voor zover het ziet op de administratieve beroepen. De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren, voor zover het beroep ziet op de vernietigingsbevoegdheid van de minister. Zij mag de zaak dus niet behandelen.
8.1.
In verband met de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat de minister het betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn verder geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep ongegrond, voor zover gericht tegen de administratieve beroepen;
  • verklaart zich onbevoegd, voor zover het beroep zich richt op de vernietigingsbevoegdheid van de minister;
  • bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht van € 51 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In dit artikel staat: “vernietiging kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.”
2.Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet SUWI.
3.Artikel 1, aanhef en onder a, van de Ziektewet, artikel 1 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, en artikel 1, aanhef en onder a, van de Werkloosheidswet.
4.Artikel 1:5, tweede lid, van de Awb.
5.Artikel 10:33 van Pro de Awb.
6.Artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
7.Zie: