Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2484

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
C/18/26/1101 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 3 FaillissementswetArt. 349a FaillissementswetArtikel 3, eerste lid, Insolventieverordening (EU 2015/848)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot schuldsaneringsregeling ondanks eerdere niet te goeder trouw ontstane schulden

De rechtbank Noord-Nederland behandelde het verzoek van een persoon geboren in 1965 om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling (Wsnp). De verzoeker kampte met een problematische schuldensituatie die hij niet zelf kon aflossen. Hoewel enkele schulden in de afgelopen drie jaar niet te goeder trouw waren ontstaan, deed verzoeker een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro.

De rechtbank oordeelde dat de problematiek tijdelijk van aard was, veroorzaakt door het onverwachte overlijden van de vader van verzoeker en de ziekte van zijn levenspartner, waardoor hij in een rouwperiode verkeerde en geen oog had voor zijn financiën. Sinds november 2023 maakt verzoeker gebruik van budgetbeheer, wat duidt op een blijvende gedragsverandering.

De rechtbank had voldoende vertrouwen dat verzoeker de verplichtingen van de Wsnp zal naleven en wees het verzoek tot toelating toe. Verzoeker vroeg ook om vervroeging van het aanvangsmoment van de regeling, maar dit werd afgewezen omdat hij zich onvoldoende had ingespannen om betaald werk te vinden, ondanks een participatiewetuitkering en vrijstelling vanwege een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

De rechtbank stelde de termijn van de schuldsaneringsregeling vast op achttien maanden vanaf de uitspraakdatum, benoemde een rechter-commissaris en een bewindvoerder, en bepaalde dat alle gelegde beslagen komen te vervallen. De uitspraak werd op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt toegewezen met een termijn van achttien maanden.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie
Zittingsplaats Groningen
Rekestnummer: C/18/26/1101 R
Vonnis van 16 april 2026
op het verzoek van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank wijst het verzoek toe.

1.De procedure

1.1.
De procedure bestaat uit:
- het op 15 december 2025 ingediende schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;
- de ingediende aanvullende stukken op 22 januari 2026;
- de zitting van maandag 30 maart 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoeker] ;
- [schuldhulpverlener 1] en [schuldhulpverlener 2] , namens Gemeente Groningen h.o.d.n. Groningse Kredietbank.
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek

2.1.
[verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Volgens [verzoeker] heeft hij een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen.

3.De beoordeling

3.1.
Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)).
3.2.
Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
3.3.
De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
Hardheidsclausule
3.4.
Volgens de rechtbank is gebleken dat [verzoeker] nu of in de toekomst niet meer zelf zijn schulden kan betalen. Een voorwaarde voor toelating tot de Wsnp is de goede trouw van [verzoeker] bij het ontstaan of onbetaald laten van deze schulden. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarde is voldaan, kijkt de rechtbank vooral naar de schulden die zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar. [verzoeker] heeft een aantal schulden die in deze periode niet te goeder trouw zijn ontstaan. Bij zijn verzoek tot toelating tot de Wsnp heeft verzoeker een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro (Fw).
3.5.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk moet zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er moet sprake zijn van een blijvende gedragsverandering. Dat wil zeggen: iemand moet zijn gedrag echt en blijvend hebben veranderd waardoor aannemelijk is dat het probleem niet meer terugkomt, omdat de oorzaak daarvan is aangepakt. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is, omdat de problematiek van [verzoeker] van tijdelijke aard was. De vader van [verzoeker] is onverwacht overleden en vlak daarna kreeg zijn levenspartner een heftige ziekte. [verzoeker] zat in een rouwperiode en door de zorg voor zijn partner had [verzoeker] geen oog meer voor zijn financiën. Uiteindelijk heeft [verzoeker] zelf hulp gezocht en maakt hij sinds november 2023 gebruik van budgetbeheer. Deze tijdelijke fase is hij nu te boven.
3.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en wat op zitting is
besproken voldoende gebleken dat sprake is van een blijvende gedragsverandering zoals hiervoor is omschreven. De rechtbank heeft er daardoor ook voldoende vertrouwen in gekregen dat [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp zal naleven. De rechtbank zal het verzoek tot toelating tot de Wsnp daarom toewijzen.
3.7.
[verzoeker] heeft gevraagd om het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling ex artikel 349a Fw te vervroegen. De rechtbank gaat daar niet in mee. Dat wordt als volgt toegelicht.
3.8.
Om in aanmerking te komen voor vervroeging van het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling, moet de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject hebben voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag, moet aflossen op zijn schulden én dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Aan dat laatste heeft de heer [verzoeker] niet voldaan. Hij heeft een participatiewet uitkering en de gemeente heeft hem vrijgesteld vanwege zijn “grote afstand tot de arbeidsmarkt”. [verzoeker] heeft de afgelopen 30 jaar geen betaald werk verricht. Maar dat maakt niet dat hij niet kán werken; van arbeidsongeschiktheid is de rechtbank niet (voldoende) gebleken. Nu [verzoeker] zich niet heeft ingespannen om betaald werk te vinden, komt hij naar het oordeel van de rechtbank niet in aanmerking voor een vervroegde ingangsdatum van de Wsnp.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ;,
4.2.
stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de achttien maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;
4.3.
benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen;
4.4.
benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
4.5.
geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoeker] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;
4.6.
bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is;
4.7.
stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.
Dit is de beslissing van mr. S. van Gessel, rechter, bijgestaan door de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.