ECLI:NL:RBNNE:2026:2498
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toelating tot de schuldsaneringsregeling natuurlijke persoon met ambtshalve toepassing hardheidsclausule
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). De rechtbank verwijst naar een eerder vonnis van 9 januari 2026 en heeft het verzoek verder behandeld op 20 maart 2026, waarbij ook de budgetbeheerder is gehoord.
Uit het besproken budgetplan blijkt dat verzoekster een positief budget heeft en dat de betalingsregeling met het CJIB zal stoppen bij toelating, wat haar financiële situatie stabiliseert. De rechtbank beoordeelt op grond van artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro of verzoekster te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek. De rechtbank oordeelt dat verzoekster niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt omdat zij verwijtbaar heeft gehandeld.
Desondanks past de rechtbank ambtshalve de hardheidsclausule toe (artikel 288 lid 3 Fw Pro), omdat verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat de oorzaken van haar schulden onder controle zijn en een bestendige gedragsverandering heeft plaatsgevonden. De WSNP-termijn wordt vastgesteld op 18 maanden vanaf de datum van het vonnis, zonder eerdere ingangsdatum. De rechtbank benoemt een rechter-commissaris en geeft last aan de bewindvoerder voor het openen van post.
Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de WSNP wordt toegewezen met een termijn van 18 maanden vanaf het vonnis.