Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2514

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2603534:R-RK
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot oplegging dwangakkoord wegens onredelijke weigering schuldeiser

Verzoeker heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om aan verweerder een dwangakkoord op te leggen, zodat verweerder moet meewerken aan een schuldregeling waarbij een deel van de schuld wordt kwijtgescholden. Verweerder, die bijna de gehele schuldenlast vertegenwoordigt, stemde niet in met het voorstel en betwistte de betrouwbaarheid en onderbouwing ervan.

De rechtbank stelde vast dat de Groningse Kredietbank het voorstel had getoetst en dat verzoeker twee schuldeisers heeft, waarvan verweerder 99,44% van de schuld bezit. Verweerder stelde dat de schuld niet te goeder trouw was ontstaan en dat verzoeker onvoldoende inzicht gaf in zijn financiële mogelijkheden. Ook was sprake van misleiding en benadeling bij het aangaan van de lening.

De rechtbank oordeelde dat de weigering van verweerder om in te stemmen met het voorstel niet onredelijk is, mede vanwege het grote belang van verweerder en het geringe belang van de andere schuldeiser. Het financiële voordeel van het dwangakkoord ten opzichte van een wettelijke schuldsaneringsregeling was minimaal. Daarom wees de rechtbank het verzoek tot oplegging van het dwangakkoord af.

Verzoeker handhaafde het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, waarover bij afzonderlijk vonnis zal worden beslist.

Uitkomst: Het verzoek tot oplegging van een dwangakkoord wordt afgewezen omdat de weigering van de schuldeiser niet onredelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: NL:TZ:2603534:R-RK
vonnis van 29 april 2026
in de zaak van:
[verzoeker ], geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
hierna te noemen [verzoeker ],
tegen
[verweerder] N.V.(voorheen genaamd [bedrijfsnaam] N.V.), vertegenwoordigd door Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso, correspondentieadres: [adres],
hierna te noemen [verweerder].

1.De procedure

1.1.
[verzoeker ] heeft op 12 februari 2026 twee verzoeken bij de rechtbank ingediend. In de eerste plaats wil [verzoeker ] dat de rechtbank [verweerder] een dwangakkoord oplegt. Zij moet dan meewerken aan de schuldregeling van [verzoeker ]. Als de rechtbank dit verzoek afwijst, wil [verzoeker ] worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
1.2.
Mr. A.J. Vereijken heeft namens [verweerder] op 14 april 2026 een verweerschrift ingediend.
1.3.
Het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord is behandeld op de zitting van 23 april 2026. Hierbij zijn verschenen [verzoeker ] bijgestaan door mevrouw [naam], werkzaam bij de Groningse Kredietbank.
1.4.
[verweerder] is opgeroepen maar niet ter zitting verschenen.
1.5
De rechtbank heeft bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De totale schuldenlast van [verzoeker ] is
€ 51.859,47. [verzoeker ] heeft 2 schuldeisers. [verzoeker ] heeft met hulp van de Groningse Kredietbank op 20 november 2025 een (nieuw) voorstel gedaan in verband met een inkomensverandering waarbij een deel van de schulden wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeisers wordt kwijtgescholden. De schuldeisers krijgen een uitkering van
14,45 %. Het voorstel is gebaseerd op een saneringskrediet.
2.2.
[verweerder] is niet met dit voorstel akkoord gegaan. In totaal vordert [verweerder]
€ 51.567,80 van [verzoeker ] Dat is 99,44 % van de totale schuldenlast..
2.3.
[verzoeker ] is een alleenstaande man van 67 jaar. [verzoeker ] ontvangt een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank en pensioen. Daarnaast werkt verzoeker een aantal uren per week

3.Het verweer

3.1.
[verweerder] stemt niet in met het voorstel omdat [verzoeker ] bij herhaling nieuwe voorstellen toestuurt, waarbij hij negeert dat er maar 2 schuldeisers zijn, waarbij de andere schuld een verwaarloosbaar bedrag betreft. [verweerder] wil akkoord gaan indien [verzoeker ] 1/3e deel van de schuld ineens voldoet.
3.2.
[verweerder] zet in het verweerschrift grote vraagteken bij de betrouwbaarheid van het crediteurenakkoord. De Groningse Kredietbank heeft volgens [verweerder] 5 keer een sterk wisselend aanbod gedaan. [verzoeker ] maakt onvoldoende inzichtelijk waarom het door hem gedane voorstel het uiterste is waartoe hij financieel in staat is en waarom het voorstel binnen een tijdsbestek van vier maand vijf keer wijzigt. Verder beschikt [verweerder] over een pandrecht op alle aan [verzoeker ] toebehorende roerende zaken en ontvangt [verweerder] ca.
€ 4.700,00 per jaar uit hoofde van een gelegd derdenbeslag. Ook was [verzoeker ] volgens [verweerder] niet te goeder trouw bij het ontstaan van de schuld. Achteraf werd duidelijk dat [verzoeker ] op het moment van aangaan van de lening al forse betalingsachterstanden had bij zijn verhuurder. Dat heeft er toe geleid dat de verhuurder een ontruimingsprocedure is gestart tegen [verzoeker ] met als eindresultaat beëindiging van de exploitatie van de zaak binnen 4,5 maand na het aangaan van de lening. [verzoeker ] heeft de in het pand aanwezige roerende zaken prijsgegeven zonder zich te bekommeren over de aan [verweerder] verpande bedrijfsinventaris en de door [verweerder] aan hem in bruikleen verstrekte koel- en taptechniek.

4.De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord.

4.1.
De rechtbank wijst het verzoek om een dwangakkoord op te leggen af. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot deze beslissing komt.
Beoordelingskader
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. De rechtbank moet ten eerste vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank vaststellen dat de weigering om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling onredelijk is. Hierbij moet de rechtbank de belangen van de weigerende schuldeiser(s), de overige schuldeisers en schuldenaar tegen elkaar afwegen. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt dat een schuldeiser mag weigeren om mee te werken aan en door de schuldenaar aangeboden schuldregeling waarbij de schuldenaar maar een deel van de vordering hoeft te betalen. Alleen in bijzondere gevallen kan een schuldeiser gedwongen worden om akkoord te gaan met zo’n betalingsvoorstel. Het is dan aan de schuldenaar om deze feiten en omstandigheden te stellen en, waar nodig, te bewijzen. Het moet duidelijk zijn dat de weigering van de schuldeiser om in te stemmen met het akkoord niet redelijk is.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat het voorstel is ingediend en getoetst door de Groningse Kredietbank. De Groningse Kredietbank heeft vooral gekeken naar de positie van de schuldeisers wanneer er geen dwangakkoord tot stand zou komen maar een schuldsaneringsregeling zou worden uitgesproken. De Groningse Kredietbank is volgens de rechtbank een onafhankelijke en deskundige partij.
De door verzoeker aangeboden schuldregeling is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd en niet goed en betrouwbaar gedocumenteerd. Verzuimd is om bij het verzoekschrift alle voorstellen, die aan [verweerder] zijn gedaan te overleggen. Slechts het laatste van de vijf verschillende voorstellen, die aan [verweerder] zijn gedaan, is overgelegd.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker twee schuldeisers heeft en dat [verweerder]
99,44 % van de totale schuldenlast vertegenwoordigt. [verweerder] heeft onder andere aangevoerd dat zij niet instemt met de regeling omdat de vordering niet te goeder trouw is ontstaan. Ten aanzien van de vordering van [verweerder] is sprake van misleiding en een forse benadeling van € 25.974,44. [verzoeker ] is op 19 juni 2013 een geldlening aangegaan terwijl hij op voorhand al wist dat hij forse betalingsachterstanden had aan zijn verhuurder en dat hij deze lening niet terug kon betalen, aldus [verweerder]. Weliswaar stelt [verzoeker ] ter zitting dat hij de geldlening een aantal jaren eerder is aangegaan en ontkent dat hij al problemen had met de verhuurder maar [verzoeker ] heeft dit niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande de weigerende schuldeiser in redelijkheid tot weigering van instemming met het aanbod heeft kunnen komen. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van de weigerende schuldeiser zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. Het belang van de overige schuldeiser is slechts zeer gering nu deze schuldeiser slechts 0,66 % vertegenwoordigt van de totale schuldenlast. Daarnaast is het financiële voordeel van een dwangakkoord ten opzichte van een WSNP-traject zodanig gering dat dit nauwelijks enig gewicht in de schaal legt om de schuldeiser te dwingen akkoord te gaan met de voorgestelde schuldregeling. Van enig zwaarwegend voordeel aan de zijde van verzoeker is de rechtbank niet gebleken. Ook in de situatie van het dwangakkoord zou verzoeker immers gedurende achttien maanden het door de Groningse Kredietbank verstrekte saneringskrediet moeten aflossen op basis van zijn maandelijkse afloscapaciteit (alle inkomsten boven het vrij te laten bedrag).
4.5.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de weigering van [verweerder] om in te stemmen met het voorstel van [verzoeker ] niet onredelijk is. Het verzoek zal dus worden afgewezen.
4.6.
[verzoeker ] heeft op de zitting laten weten het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te handhaven als het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord wordt afgewezen. Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt bij afzonderlijk vonnis beslist.

5.BESLISSING

De rechtbank
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.