ECLI:NL:RBNNE:2026:2517

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/18/26/1114 R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 288 lid 1 FaillissementswetArt. 288 lid 3 FaillissementswetArt. 349a lid 1 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling na geslaagd beroep op hardheidsclausule ex-ondernemer

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 24 april 2026 het verzoek van een ex-ondernemer tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De verzoeker had zijn onderneming in november 2025 beëindigd en verkeert sinds oktober 2024 onder beschermingsbewind. De totale schuldenlast bedroeg €101.851,76, voornamelijk ontstaan uit de onderneming.

Hoewel de verzoeker niet te goeder trouw was ten aanzien van een deel van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek, oordeelde de rechtbank dat op grond van de hardheidsclausule (artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro) de schuldsaneringsregeling toch kan worden toegewezen. De verzoeker heeft immers de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle gekregen, zoals blijkt uit het staken van de bedrijfsactiviteiten en het aangaan van loondienst.

De rechtbank stelde de duur van de schuldsaneringsregeling vast op 18 maanden vanaf de datum van het vonnis en benoemde een rechter-commissaris en bewindvoerder. Er werd geen eerdere ingangsdatum vastgesteld wegens gebrek aan onderbouwing. Tegen dit vonnis staat hoger beroep open binnen acht dagen via een advocaat.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling toe voor een termijn van 18 maanden na geslaagd beroep op de hardheidsclausule.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie
Zittingsplaats Leeuwarden
zaaknummer: C/18/26/1114 R

Vonnis van 24 april 2026

op het verzoek van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,

PROCESGANG

[verzoeker] heeft op 20 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 april 2026. Daarbij is [verzoeker] verschenen tezamen met de heer [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] en mevrouw [beschermingsbewindvoerder van schuldenbewindbedrijf] .

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. In verband hiermee wordt het volgende overwogen.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt. De schulden zijn voornamelijk ontstaan in de afgelopen drie jaar. De totale schuldenlast van [verzoeker] is €101.851,76. Een groot deel van de schulden zijn ontstaan uit de onderneming van [verzoeker] . Deze onderneming heeft [verzoeker] in november 2025 beëindigd. Sinds oktober 2024 maakt [verzoeker] gebruik van beschermingsbewindvoering.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin [verzoeker] nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. [verzoeker] heeft ingezien dat het voortzetten van de onderneming niet meer mogelijk was en heeft zijn bedrijfsactiviteiten gestaakt. Hij is daarna in loondienst getreden. Tezamen met de onderbewindstelling maakt dat de rechtbank het verzoek daarom zal toewijzen.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen nu onderbouwing hiervan ontbreekt.

BESLISSING

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
voorheem handelend onder de naam: [bedrijfsnaam] , voorheen gevestigd te [adres] ,
KvK-nummer [nummer] ;
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. D.J. Klijn,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] , gevestigd te [adres] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de
schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in het openbaar uitgesproken op
24 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.