ECLI:NL:RBNNE:2026:2519

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/18/26/1113 R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 288 FwArt. 349a lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling met toepassing hardheidsclausule en eerdere ingangsdatum

De rechtbank Noord-Nederland behandelde het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). [Verzoeker] verkeert in een situatie van betalingsonmacht met een totale schuldenlast van €38.012,12, grotendeels ontstaan uit zijn onderneming die tot 1 juli 2024 actief was. Hoewel een deel van de schulden jonger is dan drie jaar en daarmee de goed trouw eis niet volledig wordt voldaan, is op grond van de hardheidsclausule toch toewijzing mogelijk.

De rechtbank oordeelt dat [verzoeker] de oorzaken van zijn schuldenproblematiek onder controle heeft gekregen, onder meer doordat hij sinds augustus 2024 budgetbeheer voert via Kredietbank Nederland, zijn onderneming heeft beëindigd en geen ondernemersactiviteiten meer verricht. Dit leidt tot een bestendige gedragsverandering waardoor herhaling van de problematiek niet te verwachten is.

Verder heeft [verzoeker] verzocht om een eerdere ingangsdatum van de Wsnp, omdat hij sinds 15 mei 2025 betalingen aan schuldeisers verricht. De rechtbank stelt de ingangsdatum van de regeling daarom vast op 15 mei 2025, waardoor de looptijd van 18 maanden eindigt op 15 november 2026. De rechtbank benoemt tevens een rechter-commissaris en geeft last aan de bewindvoerder voor het openen van aan de schuldenaar gerichte correspondentie.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegewezen met toepassing van de hardheidsclausule en ingangsdatum 15 mei 2025.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/26/1113 R

Vonnis van 24 april 2026

op het verzoek van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres ] ,
[verzoeker] , hierna te noemen [verzoeker] ,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

PROCESGANG

[verzoeker] heeft op 9 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp).
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 april 2026. Daarbij is [verzoeker] verschenen tezamen met de heer [schuldhulpverlener] bij Kredietbank Nederland.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn/haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat [verzoeker] zijn schulden niet ouder zijn dan drie jaar. [verzoeker] zijn totale schuldenlast is €38.012,12. Het grootste gedeelte van de schuldenlast vloeit voort uit de onderneming die [verzoeker] dreef tot 1 juli 2024.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin [verzoeker] nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. [verzoeker] maakt sinds augustus 2024 gebruik van budgetbeheer bij Kredietbank Nederland. De onderneming is uitgeschreven in het handelsregister en [verzoeker] onderneemt geen activiteiten meer als ondernemer. De rechtbank zal het verzoek tot toelating tot de Wsnp daarom toewijzen.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
[verzoeker] heeft verzocht om de Wsnp eerder in te laten gaan, omdat hij sinds 15 mei 2025 (al dan niet door middel van beslag) heeft afgedragen ten behoeve van de schuldeisers. De rechtbank ziet aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op 15 mei 2025. Op die datum is een aanbod voor een minnelijke regeling gedaan richting de schuldeisers. Sinds april 2014 heeft [verzoeker] een Wajong uitkering van het UWV, waarop sinds 1 juli 2024 beslag op ligt. [verzoeker] heeft geen sollicitatieplicht vanwege zijn beperkingen. Gedurende de looptijd van het minnelijk traject heeft [verzoeker] gespaard ten behoeve van de schuldeisers, dit naast het beslag op zijn uitkering. Dit alles maakt dat [verzoeker] aan de verplichtingen heeft voldaan.

BESLISSING

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres ] ,
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf 15 mei 2025, waardoor deze termijn eindigt op 15 november 2026;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.H. Beuker,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres ] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar/schuldenares gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in het openbaar uitgesproken op
24 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.