ECLI:NL:RBNNE:2026:2521

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/18/25/153 R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 356 FwArt. 358 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling met schone lei ondanks niet-naleving inspanningsverplichtingen

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 24 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak van een schuldenaar die onder de schuldsaneringsregeling (Wsnp) viel. De schuldenaar voldeed niet aan zijn inspanningsverplichtingen, met name de sollicitatieplicht, wat formeel een tekortkoming vormt. De bewindvoerder en rechter-commissaris hadden de beëindiging van de regeling voorgedragen.

De schuldenaar heeft sinds 2000 een WAJONG-uitkering en stelt niet in staat te zijn te werken. Hoewel het UWV in 2017 oordeelde dat hij arbeidsvermogen had voor vier uur per dag, betwist de schuldenaar dit en heeft hij medische beperkingen waaronder een hernia, versleten knieën, een kapotte hand en een verstandelijke beperking. De rechtbank acht de telefonische herkeuring door het UWV onbetrouwbaar en concludeert dat de schuldenaar niet in staat is een reguliere baan te vervullen.

De rechtbank oordeelt dat de tekortkoming in het niet solliciteren niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend vanwege zijn medische en verstandelijke situatie. De schuldsaneringsregeling wordt daarom met schone lei beëindigd. Tevens wordt het salaris van de bewindvoerder vastgesteld op maximaal €4.330,85. De rechtbank wijst erop dat de regeling van rechtswege eindigt zodra de slotuitdelingslijst verbindend wordt.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen acht dagen na uitspraak, uitsluitend via een advocaat.

Uitkomst: De schuldsaneringsregeling wordt met schone lei beëindigd ondanks niet-naleving van de sollicitatieplicht vanwege niet-toerekenbare tekortkoming.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/25/153 R

vonnis van 24 april 2026

in de zaak van:
[schuldenaar], geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen de schuldenaar,
bewindvoerder: [bewindvoerder] .

PROCESGANG

Bij vonnis van deze rechtbank van 28 mei 2025 is ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
De bewindvoerder heeft op 5 januari 2026 schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
De rechter-commissaris heeft de rechtbank voorgedragen de schuldsaneringsregeling te beëindigen.
Op 11 februari 2026 heeft een verificatievergadering inzake de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar plaatsgevonden.
De zaak is behandeld ter zitting van 6 maart 2026, alwaar de schuldenaar tezamen met zijn echtgenote is verschenen. Voorts is de beschermingsbewindvoerder van de schuldenaar, de heer [beschermingsbewindvoerder van bewindvoerdersbedrijf] , verschenen. De bewindvoerder is eveneens ter zitting verschenen.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank dient te beoordelen of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. In geval van een toerekenbare tekortkoming zal de rechtbank vervolgens beoordelen of dat tot de beëindiging van de schuldsaneringsregeling moet leiden onder onthouding van “de schone lei”.
Uit de verslagen van de bewindvoerder en de voordracht van de rechter-commissaris is gebleken dat de schuldenaar niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting. De schuldenaar heeft sinds 2000 een WAJONG uitkering en heeft verklaard dat hij niet in staat is om te werken. De bewindvoerder heeft verzocht om dit met medische stukken te onderbouwen. Hierop heeft de schuldenaar een brief van het UWV van 21 maart 2017 en een rapport van de arbeidsdeskundige van 20 maart 2017 toegezonden. Hieruit volgt dat na een telefonische herkeuring is geoordeeld dat de schuldenaar arbeidsvermogen heeft en 4 uur per dag belastbaar is. Uit de overgelegde uitdraai van de huisarts blijkt dat onder meer sprake is geweest van een hernia, maar dat de schuldenaar op 21 september 2023 weer klachtenvrij is. De rechter-commissaris heeft op basis van deze stukken op 20 januari 2026 het verzoek van de schuldenaar om hem vrij te stellen van de sollicitatieverplichting afgewezen. De schuldenaar heeft gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling niet gesolliciteerd.
Ter zitting heeft de schuldenaar aangegeven dat hij zich niet meer kan herinneren dat hij in 2017 telefonisch door het UWV is gekeurd. Hij is in 2000 voor het laatst bij een arts van het UWV geweest. Toen is hij voor 90-100% afgekeurd. Sindsdien heeft hij naar eigen zeggen geen nieuwe brieven of oproepen voor keuring meer van het UWV ontvangen. De schuldenaar heeft drie weken geleden zelf om een herkeuring verzocht, maar heeft te horen gekregen dat dit wel anderhalf jaar kan duren. De schuldenaar is analfabeet en heeft al vanaf zijn 18e jaar rugklachten. Daarnaast heeft hij versleten knieën, een kapotte hand en op dit moment last van een hernia. Deze klachten zijn bekend bij het GAK en de uitkeringsinstantie.
De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat dat zij nu informatie heeft gekregen die eerder niet bij haar bekend was. De verklaring van de schuldenaar strookt niet met het bericht van het UWV uit 2017. Omdat de schuldenaar niet heeft gesolliciteerd en niet is vrijgesteld van zijn sollicitatieverplichting heeft hij strikt genomen niet voldaan aan de verplichtingen voortvloeiende uit de Wsnp.
De rechtbank heeft vervolgens de behandeling ter zitting aangehouden voor de duur van vier weken om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen met medische stukken zijn gestelde arbeidsongeschiktheid nader te onderbouwen.
Bij bericht van 1 april 2026 heeft de bewindvoerder rechtbank een aantal stukken doen toekomen afkomstig van de schuldenaar. Dit betreft een aantal oude medische stukken daterend uit de periode voorafgaand aan de WIA-uitkering, een uiterst summiere uitdraai uit het patiëntendossier van de huisarts en een verklaring van de ambulant begeleider en casusregisseur van de schuldenaar en zijn echtgenote, de heer [casusregisseur van zorgverlenersorganisatie] , van 25 maart 2026.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de medische problemen al lange tijd spelen en de schuldenaar zich in januari 2026 bij de huisarts heeft gemeld in verband met een hernia. De heer [casusregisseur van zorgverlenersorganisatie] begeleid het gezin al sinds 2019 en uit zijn verklaring blijkt dat dat de schuldenaar een verstandelijke beperking heeft. Daarnaast kampt de schuldenaar met ernstige en aantoonbare lichamelijke beperkingen, die door de jaren heen verslechteren. Ten slotte vervult de schuldenaar al jaren een intensieve mantelzorgrol voor zijn vrouw en zijn kinderen. De heer [casusregisseur van zorgverlenersorganisatie] plaatst zijn vraagtekens bij de telefonische herkeuring door het UWV, die gelet op de verstandelijke beperking van de schuldenaar, zonder enige voorbereiding of begeleiding niet tot een betrouwbare beoordeling kan hebben geleid. Het UWV heeft sindsdien geen enkele activiteit ondernomen gericht op re-integratie of arbeidstoedeling.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de schuldenaar niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting nu hij niet is vrijgesteld van zijn sollicitatieverplichting en niet heeft gesolliciteerd. De rechtbank is echter van oordeel dat deze tekortkoming onder de gegeven omstandigheden niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend. De rechtbank overweegt daartoe dat anders dan uit het rapport van het UWV uit 2017 volgt, de rechtbank het zeer onwaarschijnlijk acht dat de schuldenaar in een regulier betaalde baan voor minimaal vier uur per dag arbeid zou kunnen verrichten. De verklaring van de ambulant begeleider van het gezin, de beperkte medische stukken en de indruk die de rechtbank van de schuldenaar ter zitting heeft gekregen, maken dat in ieder geval met zekerheid kan worden gesteld dat als de schuldenaar onder begeleiding in een beschermde werksfeer al enige werkzaamheden zou kunnen verrichten, dit niet tot enige afloscapaciteit voor de crediteuren zou leiden. De rechtbank zal derhalve de schuldsaneringsregeling met ‘schone lei’ beëindigen.
De rechtbank heeft de vergoeding van de bewindvoerder in het vonnis van 13 februari 2026 van de echtgenote van verzoeker, [echtgenote verzoeker] , reeds vastgesteld op een bedrag van
€ 4.119,35 (inclusief onkosten en omzetbelasting). Deze vergoeding ziet mede op de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar. Omdat de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar op dat moment nog niet kon worden beëindigd en is deze doorgelopen heeft de bewindvoerder nog recht op een aanvullende vergoeding. De rechtbank zal die aanvullende vergoeding vaststellen op € 211,50 (inclusief onkosten en omzetbelasting). Voor zover actief aanwezig is, kan de bewindvoerder de vergoeding als salaris opnemen. Voor zover de kosten van het griffierecht ad € 820,00 voor het deponeren van de slotuitdelingslijst niet uit de boedel kunnen worden voldaan, komen deze ten laste van de Staat.
Ingevolge artikel 356 lid 2 van Pro de Faillissementswet (Fw) zal de schuldsaneringsregeling van rechtswege geëindigd zijn, zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden. Alsdan zijn de vorderingen die vallen onder de werking van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar krachtens artikel 358 lid 1 Fw Pro niet langer afdwingbaar.

BESLISSING

De rechtbank:
­ beëindigt de schuldsaneringsregeling;
­ stelt vast dat de schuldenaar zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is nagekomen;
­ stelt het salaris voor de bewindvoerder, inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezige actief tot een bedrag van maximaal € 4.330,85 (inclusief het reeds vastgestelde salaris bij vonnis van 13 februari 2026).
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en in het openbaar uitgesproken op
24 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.