ECLI:NL:RBNNE:2026:2528

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
LEE 26/536
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:21 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens geldige intrekking zonder wilsgebrek

Eiseres stelde beroep in tegen een besluit van het UWV waarbij haar bezwaar tegen de toekenning van een WGA-vervolguitkering werd afgewezen. Zij trok het beroep vervolgens in vanwege stress en een medische beperking (ASS). De rechtbank bevestigde de intrekking, waarna eiseres verzocht deze ongedaan te maken met het argument dat de intrekking niet weloverwogen was en voortkwam uit overmacht.

De rechtbank oordeelde dat de intrekking rechtsgeldig was omdat deze na afloop van de beroepstermijn plaatsvond en niet berustte op wilsgebrek, bedrog of dwaling. Eiseres had binnen de termijn uitstel kunnen vragen of hulp kunnen inschakelen. Er waren geen medische stukken die haar stelling ondersteunden dat zij niet in staat was rationeel te handelen.

Daarom is het beroep niet-ontvankelijk verklaard en is het bestreden besluit onherroepelijk geworden. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan zonder zitting en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de intrekking rechtsgeldig was en niet ongedaan kan worden gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/536

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. R. Boonstra).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de vraag of de intrekking van het beroep van eiseres ongedaan kan worden gemaakt. Zij voert aan dat die intrekking een direct gevolg was van haar medische beperking onder extreme druk en dat het niet ging om een weloverwogen keuze. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen aanleiding is om de intrekking van het beroep ongedaan te maken omdat geen sprake is van wilsgebrek, bedrog of dwaling. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Inleiding en procesverloop

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft op 20 januari 2026 beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van het Uwv van 12 december 2025 (bestreden besluit), waarbij haar bezwaar tegen het met ingang van 28 mei 2024 toekennen van een WGA [1] -vervolguitkering naar een mate van 45,07% arbeidsongeschiktheid, ongegrond is verklaard.
1.1.
Eiseres heeft dit beroep bij brief van 25 februari 2026 ingetrokken, omdat de hele bezwaarprocedure haar te veel stress kost. De rechtbank heeft de intrekking bij brief van
3 maart 2026 aan eiseres bevestigd.
1.2.
Eiseres heeft vervolgens bij brief van 12 maart 2026 de rechtbank verzocht om de intrekking van het beroep ongedaan te maken en de beroepsprocedure te heropenen. Zij heeft hiervoor als redenen genoemd een situatie van overmacht, dwaling en haar medische beperking (ASS [2] ).
1.3.
Het Uwv heeft bij brief van 10 april 2026 op verzoek van de rechtbank daarop een reactie gegeven. Het Uwv vindt de door eiseres genoemde redenen weliswaar invoelbaar, maar niet van dien aard dat zij niet zou kunnen worden gehouden aan haar intrekking van het beroep. Verder ziet het Uwv niet in dat eiseres genoodzaakt was om het beroep in te trekken.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat zij daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 12 mei 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De vraag die de rechtbank moet beoordelen is of de intrekking van het beroep van eiseres ongedaan kan worden gemaakt. Zij doet dat aan de hand van de door eiseres daarvoor genoemde argumenten, die hierna zullen worden besproken.
3. Op grond van artikel 6:21, eerste lid, van de Awb kan het beroep schriftelijk worden ingetrokken. Behoudens in de gevallen waarin de intrekking van het beroep onbevoegdelijk is gedaan dan wel de intrekking binnen de beroepstermijn wordt herroepen, kan een eenmaal ingetrokken beroep niet meer ongedaan worden gemaakt, tenzij er sprake is van een wilsgebrek, bedrog of dwaling. [3]
4. Eiseres voert aan dat de directe aanleiding voor de intrekking van het beroep was dat zij daarvóór onverwacht een hoge factuur van haar toenmalige advocaat ontving; daardoor zag zij zich genoodzaakt om de samenwerking stop te zetten en kon zij niet binnen de gestelde termijn van vier weken een nieuwe belangenbehartiger vinden. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat deze situatie stress voor eiseres heeft opgeleverd, is dit echter onvoldoende grond om de intrekking van het beroep ongedaan te maken. Eiseres had, ondanks de situatie waarin zij op dat moment verkeerde, binnen de gestelde termijn voor het indienen van de gronden van het beroep uitstel kunnen vragen dan wel een derde kunnen vragen om haar te helpen. Niet is komen vast te staan dat eiseres door haar ASS op het moment van de intrekking van het beroep niet in staat was om logisch na te denken of rationele oplossingen te zien. Dat de intrekking van het beroep berustte op een wilsgebrek, bedrog of dwaling is de rechtbank niet gebleken. Dat eiseres stelt dat de intrekking geen weloverwogen keuze was, maar een direct gevolg van haar medische beperking onder extreme druk, is ook onvoldoende om de intrekking van het beroep ongedaan te maken. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt geen medische stukken overgelegd waaruit dat blijkt. Haar stelling dat zij in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat de
WIA-zaak losstond van haar Wajong-aanvraag, maakt het niet anders.
5. De rechtbank stelt verder vast dat er geen sprake was van een intrekking terwijl de beroepstermijn nog liep. Het beroep is daarom bevoegd ingetrokken, een intrekking die na afloop van de beroepstermijn door eiseres niet meer ongedaan gemaakt kon worden. Dit betekent dat het bestreden besluit rechtens onaantastbaar is geworden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk. [4] Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.Autismespectrumstoornis.
3.Vergelijk de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:254, en 21 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3671.
4.Zie het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2297.