ECLI:NL:RBNNE:2026:2572

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/18/26/1133 R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 349a lid 1 FaillissementswetArt. 288 FaillissementswetArt. 295 FaillissementswetArt. 327 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek schuldsaneringsregeling met eerdere ingangsdatum ondanks niet fulltime werken

Verzoekster heeft op 6 maart 2026 een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De rechtbank Noord-Nederland behandelde het verzoek op 29 april 2026, waarbij verzoekster en haar schuldhulpverlener aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat verzoekster in een toestand verkeert waarin zij niet meer kan betalen of redelijkerwijs niet kan voortgaan met betaling van haar schulden. Hoewel de Wsnp-regeling in principe 18 maanden duurt vanaf de datum van uitspraak, heeft verzoekster verzocht om een eerdere ingangsdatum omdat zij al 18 maanden afdroeg, deels via loonbeslag.

Ondanks dat verzoekster niet volledig werkte zonder medische reden, is vastgesteld dat door een foutieve berekening van de beslagvrije voet feitelijk evenveel is afgedragen als bij een volledig dienstverband. Daarom wijkt de rechtbank af van het algemene uitgangspunt en stelt de ingangsdatum vast op 7 november 2024. De formele looptijd wordt met zes maanden verlengd om de bewindvoerder voldoende tijd te geven zijn taken uit te voeren. Verzoekster wordt ontheven van haar afdracht- en sollicitatieplicht gedurende deze verlengde periode, maar blijft medewerkingsplichtig.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling toe met een eerdere ingangsdatum en verlengt de looptijd met zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/26/1133 R
Vonnis van 8 mei 2026
op het verzoek van
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker, hierna te noemen [verzoekster] ,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

1.PROCESGANG

1.1.
[verzoekster] heeft op 6 maart 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 29 april 2026. Daarbij is [verzoekster] verschenen tezamen met de heer [schuldhulpverlener] , haar schuldhulpverlener van [schuldhulpbedrijf] en mevrouw [schuldhulpmaatje] , haar schuldhulpmaatje.

2.RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt.
2.2.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2.3.
Gebleken is dat [verzoekster] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
2.4.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
2.5.
[verzoekster] heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw, omdat zij 18 maanden (al dan niet door middel van beslag) heeft afgedragen. De afdrachten zijn met stukken, waaronder berekeningen van het vrij te laten bedrag, onderbouwd. De rechtbank ziet aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op 18 maanden voor de datum van deze uitspraak. Hoewel [verzoekster] niet volledig heeft gewerkt zonder dat daar een medische reden aan ten grondslag lag, is dat in beginsel een reden om geen eerdere ingangsdatum te hanteren omdat er niet maximaal is afgedragen ten behoeve van de schuldeisers. In dit specifieke geval is echter gebleken dat er gedurende de periode vanaf juni 2024 loonbeslag is geweest, en dat als gevolg van een achteraf gezien onjuiste berekening van de beslagvrije voet door [verzoekster] feitelijk evenveel is afgedragen als in een situatie waarin zij een salaris zou hebben genoten op basis van een volledig dienstverband. Onder deze bijzondere omstandigheden zal de rechtbank in dit geval afwijken van het hierboven geformuleerde beginsel en de ingangsdatum van de Wsnp vaststellen op 7 november 2024.
De looptijd van de Wsnp-regeling van [verzoekster] is veel eerder ingegaan dan de datum van dit vonnis, echter de bewindvoerder kan nu pas starten met zijn taken. Daarom verlengt de rechtbank de formele looptijd van de Wsnp-regeling met zes maanden. Dat gebeurt op grond van de verlengingsbevoegdheid in artikel 349a lid 1 Fw, want als uitgangspunt wordt gehanteerd dat zes maanden een redelijke termijn is voor de bewindvoerder om zijn taken uit te voeren. Daardoor duurt de Wsnp-regeling nog zes maanden vanaf de datum van dit vonnis. [verzoekster] is gedurende de resterende periode van de Wsnp-regeling ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel (artikel 295 Fw Pro) en van zijn inspanningsverplichting (artikel 288 Fw Pro). De medewerkings- en informatieplichten van de schuldenaar jegens de bewindvoerder (art. 327 Fw Pro in verbinding met art. 105-105a Fw) gelden wel gedurende deze laatste maanden van de Wsnp-regeling.
BESLISSING
De rechtbank:
2.6.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
2.7.
stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf
7 november 2024 en verlengt de termijn van deze regeling met zes maanden. Zodat deze loopt tot 7 november 2026 en ontheft [verzoekster] gedurende die periode van haar sollicitatie- en afdrachtplicht.
2.8.
benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
2.9.
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op
8 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.