Uitspraak
RECHTBANK Noord-Nederland
1.PROCESGANG
2.RECHTSOVERWEGINGEN
3.3. BESLISSING
schuldenaargerichte brieven en telegrammen.
Rechtbank Noord-Nederland
Verzoeker heeft op 27 februari 2026 een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het faillissementsrekest tegen hem werd geschorst totdat onherroepelijk op het verzoek werd beslist. Tijdens de zitting van 4 mei 2026 verscheen verzoeker met zijn schuldhulpverlener.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker niet volledig te goeder trouw was ten aanzien van een deel van zijn schulden, die grotendeels recentelijk zijn ontstaan vanuit zijn onderneming. Verzoeker is sinds november 2025 in loondienst en heeft zijn onderneming ontbonden, wat een belangrijke gedragsverandering vormt. De rechtbank oordeelde dat ondanks de weigeringsgrond op grond van artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro, het verzoek op grond van de hardheidsclausule (artikel 288 lid 3 Fw Pro) kan worden toegewezen omdat verzoeker de oorzaken van zijn schulden onder controle heeft gekregen.
Hoewel de financiële situatie van verzoeker precair is en er geen financiële hulpverlening is betrokken, achtte de rechtbank de recente keer ten goede voldoende. De termijn van de schuldsaneringsregeling werd vastgesteld op 18 maanden vanaf de datum van het vonnis. Verzoeker heeft geen eerdere ingangsdatum verzocht of onderbouwd.
De rechtbank benoemde een rechter-commissaris en bewindvoerder en gaf de bewindvoerder last tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen. Het vonnis werd uitgesproken op 18 mei 2026 en is aanvechtbaar binnen acht dagen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegewezen voor een termijn van 18 maanden vanaf 18 mei 2026.