ECLI:NL:RBNNE:2026:2600

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
LEE 26/1925
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7.9 BblArt. 7.10 BblArt. 7.91 Bbl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening inzake omgevingsvergunning tijdelijke woonunit en handhavingsverzoek sloopwerkzaamheden

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit en tegen de afwijzing van een handhavingsverzoek met betrekking tot sloopwerkzaamheden en mogelijke asbestverwijdering op een perceel.

Verzoekster betoogt dat de sloopwerkzaamheden verder gaan dan toegestaan, dat er mogelijk asbest aanwezig is dat onvoldoende is geïnventariseerd en dat het college ten onrechte geen handhavend heeft opgetreden. Het college stelt dat er geen sprake is van onverwijlde spoed, dat de vergunning terecht is verleend en dat een asbestinventarisatierapport aanwezig is waaruit blijkt dat geen asbest is aangetroffen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen onverwijlde spoed is voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van de omgevingsvergunning, omdat de woonunit al is geplaatst. Ten aanzien van de sloopwerkzaamheden is onverwijlde spoed wel aannemelijk, maar het onderzoek van het college naar de hoeveelheid sloopafval was beperkt en onvoldoende onderbouwd. Desondanks weegt de rechter de belangen en concludeert dat de belangen van verzoekster niet zwaarder wegen dan die van het college en de derde-partij. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

De rechter benadrukt dat het college de bezwarenprocedure volledig moet heroverwegen en dat bij eventuele toekomstige sloopwerkzaamheden met asbest de geldende regels moeten worden nageleefd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen vanwege het ontbreken van onverwijlde spoed en een zorgvuldige belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1925

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen, het college
(gemachtigden: D. Jansen en M.L. Ruessink).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij]uit [plaats], de derde-partij.

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit op het perceel [perceel] in [plaats] (het perceel) en de afwijzing van het handhavingsverzoek van verzoekster over asbest en bouw/sloop op dat perceel. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om voorlopige voorziening aan de hand van de gronden van verzoekster.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

3. De derde-partij heeft een aanvraag ingediend voor verlening van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit op het perceel. Het college heeft die omgevingsvergunning op 4 mei 2026 verleend. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Verzoekster heeft op 8 februari 2026 een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen asbest en bouw/sloop op het perceel. Het college heeft dat handhavingsverzoek met het besluit van 28 mei 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
5. Het college heeft op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft een schriftelijke reactie ingediend.
6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekster en de gemachtigden van het college deelgenomen. De derde-partij is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat zijn de twee onderwerpen van deze zaak?
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het handhavingsverzoek van 8 februari 2026 is gericht tegen de sloopwerkzaamheden aan de woning op het perceel. In dat verzoek stelt verzoekster dat geen sloopmelding is gedaan en dat geen asbestinventarisatie is uitgevoerd. Ter zitting heeft verzoekster bevestigd dat het handhavingsverzoek alleen daarover gaat.
8. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat de omgevingsvergunning van 4 mei 2026 is verleend voor het tijdelijk plaatsen van een woonunit op het perceel voor de omgevingsplanactiviteiten van het bouwen van een bouwwerk en het afwijken van de regels in het omgevingsplan.
Is er sprake van onverwijlde spoed bij het treffen van een voorlopige voorziening?
9. Verzoekster verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen inzake de sloopwerkzaamheden aan de woning op het perceel en in samenhang daarmee met de omgevingsvergunning voor de tijdelijke woonunit op het perceel. Volgens verzoekster worden de sloopwerkzaamheden aan de woning nog steeds voortgezet. Die werkzaamheden gaan verder dan het slopen van de schoorsteen, de tussenwanden en het vervangen van het dak. Mogelijk vinden ook sloopwerkzaamheden plaats in de kelder van de woning. Verzoekster vreest dat er asbest in de woning aanwezig is (geweest). Zij maakt zich grote zorgen over de gevolgen daarvan. Volgens verzoekster zijn belangrijke onderdelen van de woning zoals de kelder, het dak en delen van de oorspronkelijke dakconstructie niet of onvoldoende in de asbestinventarisatie onderzocht. Ook zijn bouwdelen die ten tijde van de inventarisatie al waren verwijderd, daarin ten onrechte niet meegenomen, aldus verzoekster.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van onverwijlde spoed bij het treffen van een voorlopige voorziening. De omgevingsvergunning voor de tijdelijke woonunit al is uitgevoerd. Uit het verzoek om voorlopige voorziening blijkt ook niet om welke redenen de vergunning geschorst zou moeten worden. Verder voert het college aan dat sprake is van een vergunningvrije verbouwing van de woning. Er is een asbestinventarisatierapport aanwezig, waarin is geconcludeerd dat er geen asbest is aangetroffen en dat het rapport geschikt is voor de verbouwing van de woning. Volgens het college heeft verzoekster tegen het handhavingsbesluit nog geen bezwaargronden ingediend en heeft zij zelf gevraagd om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Hiermee geeft verzoekster te kennen dat er geen sprake is van onverwijlde spoed, aldus het college.
10. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
10.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog van verzoekster over de omgevingsvergunning voor de tijdelijke woonunit onvoldoende grond oplevert voor het oordeel dat sprake is van de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bedoelde ‘onverwijlde spoed’. Daarbij is van belang dat de woonunit al is geplaatst op het perceel en daar wordt gebruikt. Met het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening kan die plaatsing niet alsnog worden voorkomen. Ook anderszins is niet gebleken dat sprake is van onverwijlde spoed bij de gevraagde schorsing van die vergunning. Niet valt in te zien dat de bezwaarprocedure in dit geval niet kan worden afgewacht. Nu op dit punt geen sprake is van onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist, dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden afgewezen voor zover dat ziet op de omgevingsvergunning.
10.2.
De voorzieningenrechter ziet in het betoog van verzoekster over de sloopwerkzaamheden op het perceel wel grond voor het oordeel dat sprake is van de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bedoelde ‘onverwijlde spoed’. Op zitting heeft verzoekster aangegeven dat de sloopactiviteiten aan de schoorsteen, de tussenwanden en het dak van de woning al zijn uitgevoerd. Ten aanzien van die activiteiten is er geen sprake van onverwijlde spoed. Evenmin is onverwijlde spoed gelegen in de zorgen die verzoekster heeft over mogelijke (gevolgen van) asbest in sloopmateriaal dat vrijgekomen is als gevolg van die uitgevoerde sloopwerkzaamheden. Dat sloopmateriaal is al afgevoerd. Het is echter niet uitgesloten dat nog niet alle sloopwerkzaamheden aan de woning zijn afgerond. Met die omstandigheid acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat in dit geval van spoedeisendheid sprake is met betrekking tot de sloopwerkzaamheden.
Is een sloopmelding vereist?
11. Verzoekster betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen sloopmelding moest worden gedaan. Volgens verzoekster is het feit dat de woning grotendeels is gestript en dat meerdere containers met materialen zijn afgevoerd, moeilijk verenigbaar met de conclusie van het college dat sprake zou zijn van beperkte, vergunningvrije werkzaamheden. Daarnaast betoogt verzoekster dat veel eerder een asbestinventarisatie had moeten plaatsvinden. De woning dateert uit een periode waarin asbesthoudende materialen veelvuldig werden toegepast. In dit geval heeft de asbestinventarisatie pas plaatsgevonden nadat omvangrijke sloopwerkzaamheden al waren uitgevoerd. Volgens verzoekster zijn daarbij belangrijke onderdelen van de woning niet of onvoldoende in die inventarisatie onderzocht. Er heeft in die inventarisatie geen destructief onderzoek plaatsgevonden, waardoor niet controleerbaar is of alle revelante bouwdelen voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden voldoende zijn onderzocht. Het college heeft verzuimd om handhavend tegen de sloopwerkzaamheden op te treden, aldus verzoekster.
11.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen grond bestaat om de sloopwerkzaamheden stil te leggen en dat de derde-partij niet gehouden was om een sloopmelding te doen. Het handhavingsverzoek is beoordeeld aan de hand van de artikelen 7.9 en 7.10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Niet geconstateerd is dat de hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m³ bedroeg. Volgens het college heeft de derde-partij een redelijke inschatting van die hoeveelheid gemaakt en die doorgegeven aan het college. Dat sprake was van het afvoeren van sloopafval in meerdere containers leidt niet tot een andere conclusie. Verder stelt het college zich op het standpunt dat in dit geval geen sprake is geweest van sloop waarbij asbest is verwijderd. Volgens het college wist de derde-partij niet of kon hij redelijkerwijs niet vermoeden dat zich in de woning asbest of een asbesthoudend product bevond. Ondanks dat heeft de derde-partij een asbestinventarisatie laten uitvoeren. Uit dat rapport volgt dat er in de woning geen asbest of asbestverdacht materiaal aanwezig was. Het college acht het rapport volledig en ziet geen reden om aan dat rapport voorbij te gaan. Door verzoekster is niet aangetoond dat er wel sprake is van asbest. Het enkele feit dat een woning uit een periode komt waarin asbest werd toegepast, betekent niet dat er per definitie asbest in de woning aanwezig is. Als de derde-partij alsnog een sloopmelding zou doen, zou er geen aanleiding zijn om de sloopwerkzaamheden stil te leggen of maatwerkvoorschriften op te leggen, aldus het college.
11.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat een sloopmelding onder meer is vereist indien de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m³ bedraagt. Gelet op de grootte van de woning en de woningonderdelen die in de afgelopen maanden zijn gesloopt, was het naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter op voorhand niet uit te sluiten dat sprake zou zijn van meer dan 10 m³ sloopafval. Na ontvangst van meldingen van verzoekster over de sloopwerkzaamheden in het najaar van 2025 heeft een toezichthouder onderzoek gedaan naar de sloopwerkzaamheden. De derde-partij heeft een inschatting gegeven dat sprake was van minder dan 10 m³ sloopafval. Het college heeft dat niet met controlegegevens gestaafd. Over die inschatting heeft het college helemaal geen gegevens ingediend. Gelet daarop heeft de voorzieningenrechter twijfels bij het standpunt van het college dat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting niet meer dan 10 m³ zou bedragen. Het onderzoek daarnaar was erg beperkt en voldoet naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aan het bepaalde in artikel 3:2 van Pro de Awb.
11.3.
Of ten tijde van de al verrichtte sloopactiviteiten artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl is overtreden, is voor de voorzieningenrechter niet meer goed vast te stellen. Dat geldt ook voor het vereiste van het doen van een melding voorafgaand aan de sloopactiviteiten. Wel is voor de voorzieningenrechter voldoende duidelijk geworden dat de derde-partij ten tijde van het handhavingsbesluit van 28 mei 2026 over een asbestinventarisatierapport beschikte. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het voorlopige oordeel dat op het moment van het nemen van het besluit om niet te handhaven ten aanzien van de op dat moment nog te verrichten activiteiten niet is voldaan aan de in het Bbl opgenomen norm.
Hoe weegt de voorzieningenrechter in dit geval de betrokken belangen?
12. Uit bovenstaande overwegingen blijkt dat naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter aan het handhavingsbesluit van 28 mei 2026 een zorgvuldigheidsgebrek kleeft. Hierna zal de voorzieningenrechter ingaan op de gevolgen die dat heeft voor de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter weegt daarbij de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening enerzijds tegenover en de belangen van de derde-partij en het college die pleiten tegen het treffen daarvan anderzijds.
12.1.
De voorzieningenrechter weegt enerzijds mee dat niet uitgesloten is dat in de toekomst nog sloopwerkzaamheden in de woning zullen plaatsvinden en dat die werkzaamheden onomkeerbare gevolgen kunnen hebben. Ook weegt mee dat niet uitgesloten is dat (gevolgen van) die werkzaamheden invloed zullen hebben op het woon- en leefklimaat van verzoekster. Anderzijds weegt de voorzieningenrechter mee dat al uitgebreide sloopwerkzaamheden aan de woning hebben plaatsgevonden, dat reeds afgevoerd sloopafval uit de woning niet meer kan worden onderzocht, dat de woning thans deels weer wordt opgebouwd, dat de derde-partij over een asbestinventarisatierapport beschikt, dat de derde-partij belang heeft bij het voortzetten van werkzaamheden in de woning en dat het college ter zitting heeft aangegeven bij het alsnog indienen van een sloopmelding geen aanleiding zou zien om maatwerkvoorschriften aan de derde-partij op te leggen.
12.2.
Hiervoor heeft de voorzieningenrechter overwogen twijfels te hebben over de zorgvuldige voorbereiding van het besluit van 28 mei 2026. Dat is voor de voorzieningenrechter op zichzelf echter in dit geval niet voldoende om een voorlopige voorziening te treffen. Het college dient in het kader van de nog lopende bezwarenprocedure een volledige heroverweging te maken over dat besluit. Daarbij dient het college alle feiten en omstandigheden te betrekken. De voorzieningenrechter acht het niet uitgesloten dat het genoemde zorgvuldigheidsgebrek in die heroverweging kan worden hersteld.
12.3.
Gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening minder zwaar wegen dan de belangen van het college en de derde-partij bij het niet treffen van een voorlopige voorziening. Vaststaat dat grote delen van de woning al zijn gesloopt en dat een hoeveelheid sloopafval al (enige tijd geleden) van het perceel is afgevoerd. Het treffen van een voorlopige voorziening kan die werkzaamheden niet meer ongedaan maken. Ook kunnen daarmee de zorgen van verzoekster over de al verrichtte werkzaamheden en het afgevoerd materiaal niet worden weggenomen. Voldoende aannemelijk is dat als er nog sloopwerkzaamheden in de toekomst gaan plaatsvinden, die zullen zien op een kleiner deel van de woning. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het college niet te volgen dat de asbestinventarisatie daarvoor van belang is. De voorzieningenrechter acht het daarbij van belang dat de asbestinventarisatie van maart 2026 is uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf, conform een werkveldspecifiek certificatieschema. Uit dat rapport volgt dat de hele woning is onderzocht. In het rapport is geconcludeerd dat ter plaatse van de woning geen asbesthoudende materialen zijn waargenomen en dat het rapport geschikt is voor het verbouwen van de woning. Dat verzoekster kritische kanttekeningen plaatst bij de juistheid en volledigheid van het rapport geeft geen aanleiding om aan dat rapport te twijfelen. Los van het feit dat het rapport is opgesteld door een deskundig bedrijf, heeft verzoekster dat rapport niet met een tegenrapport van een asbestdeskundige bestreden. Het college mocht de conclusies uit het rapport betrekken bij de beoordeling van het handhavingsverzoek van verzoekster en bij zijn standpunt dat als de derde-partij alsnog een sloopmelding zou doen geen aanleiding bestaat om maatwerkvoorschriften op te leggen. In het licht hiervan ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter nog dat als bij eventuele toekomstige sloopwerkzaamheden onverhoopt toch asbesthoudend materiaal wordt aangetroffen, de derde-partij dit moet melden aan het college en dat aan de voor de verwijdering daarvan geldende regels moet worden voldaan.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
Artikel 7.9
1. De normadressaat beschikt over een asbestinventarisatierapport voor het gedeelte van het bouwwerk waar wordt gesloopt, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevindt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. werkzaamheden die worden verricht in of aan een bouwwerk of gedeelte daarvan dat na 1 januari 1994 is gebouwd;
b. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van rem- en frictiematerialen;
c. het als een geheel verwijderen van verwarmingstoestellen;
d. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk:
1° verwijderen van waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen, telecombuizen en mantelbuizen, voor zover deze deel uitmaken van een ondergronds openbaar water-, gas-, elektra-, riool- of telecomleidingnet;
2° verwijderen van geklemde vloerplaten onder een verwarmingstoestel;
3° verwijderen van beglazingskit die is verwerkt in de constructie van een kas; of
4°verwijderen van pakkingen uit:
i. een verbrandingsmotor;
ii. een verwarmingstoestel met een nominaal vermogen dat lager is dan 2.250 kW; of
iii. een procesinstallatie of onderdelen van een procesinstallatie, inclusief aan- en afvoerende leidingen; of
5° verwijderen van gas- en elektrotechnische componenten die aanwezig zijn in een distributiesysteem, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, door of vanwege een distributiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet; en
e. het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, anders dan dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevengebruiksfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevengebruiksfunctie niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking in totaal ten hoogste 35 m2 bedraagt.
3. Degene die een handeling laat verrichten waarop het eerste lid van toepassing is, verstrekt, voordat de handeling wordt verricht, een afschrift van het asbestinventarisatierapport aan degene die de handeling verricht.
Artikel 7.10
1. Het is verboden een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden.
[…]