ECLI:NL:RBNNE:2026:2607

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/4486
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet MrbArt. 35 Wet MrbArt. 37 Wet MrbArt. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 68 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting bij gebruik openbare weg tijdens schorsing kenteken

Eiser is houder van een Peugeot 208 waarvan het kenteken van 11 juni 2024 tot en met 13 november 2024 was geschorst. Op 22 juli 2024 is vastgesteld dat eiser met de auto gebruik heeft gemaakt van de openbare weg, ondanks de schorsing. De inspecteur legde een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (mrb) en een verzuimboete op.

Eiser voerde aan dat de auto het grootste deel van de periode op privéterrein stond en slechts kort op de openbare weg was voor een apk-keuring. De rechtbank oordeelt dat de vrijstelling voor apk-keuring niet van toepassing is omdat de apk-keuring pas op 2 december 2024 heeft plaatsgevonden en eiser geen bewijs leverde van een eerdere keuring op 22 juli 2024.

De rechtbank stelt vast dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd over de juiste periode, ondanks een fout in de vermelding op de aanslag zelf. De verzuimboete van 50% van de nageheven belasting is passend en geboden, aangezien geen sprake is van afwezigheid van alle schuld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de aanslag en boete in stand blijven.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4486

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
de inspecteur van de Belastingdienst/ Centrale Administratieve Processen/ kantoor Apeldoorn, de inspecteur
(gemachtigde: [naam 1] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van 24 oktober 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser voor de periode 11 juni 2024 tot en met 14 november 2024 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting (mrb) opgelegd ten bedrage van € 421.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur eiser een verzuimboete van € 210 opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [naam 2] .

Feiten

2. Eiser is van 31 januari 2024 tot heden houder van een motorrijtuig van het merk Peugeot 208 met kenteken [kenteken] (de auto).
2.1.
De geldigheid van het kentekenbewijs van de auto was geschorst van 11 juni 2024 tot en met 13 november 2024.
2.2.
Op 22 juli 2024 is geconstateerd dat er met de auto gebruik van de openbare weg is gemaakt, terwijl het kentekenbewijs was geschorst.
2.3.
Naar aanleiding van de controle (2.2) heeft de inspecteur een vooraankondiging gestuurd aan eiser waarin hij een naheffingsaanslag over de periode 6 oktober 2023 tot en met 5 oktober 2024 aankondigt. Per abuis is op opgelegde de naheffingsaanslag (1.1) de periode 11 juni 2024 tot en met 14 november 2024 vermeld.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag mrb en de boetebeschikking terecht en naar de juiste bedragen heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag mrb en de boetebeschikking terecht en naar de juiste bedragen opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunten partijen
5. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag mrb en de boetebeschikking naar te hoge bedragen zijn opgelegd. Daartoe voert eiser aan dat de auto het grootste gedeelte van de periode waarover is nageheven op een privé terrein heeft gestaan, namelijk bij de kerk. Verder was het niet mogelijk om met de auto op de openbare weg te rijden als gevolg van diverse gebreken aan de auto. De auto is slechts voor enkele uren aan de openbare weg gezet, zodat de auto naar de garage kon worden gesleept voor een apk-keuring.
6. De inspecteur heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken.
Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
7. De rechtbank overweegt als volgt. Aan het schorsen van een kenteken van een auto zijn voorwaarden verbonden. Eén van de voorwaarden is dat met de auto waarvan het kenteken is geschorst geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg. [1] Tussen partijen is niet in geschil dat eiser met de auto op 22 juli 2024 gebruik heeft gemaakt van de openbare weg, terwijl het kenteken van de auto was geschorst.
8. Indien geconstateerd is dat met een auto waarvan het kenteken is geschorst gebruik wordt gemaakt van de openbare weg, kan de inspecteur een naheffingsaanslag opleggen. [2] Dit is alleen anders indien er een vrijstelling van toepassing is. Er wordt vrijstelling van belasting verleend voor auto’s waarmee tijdens de schorsing gebruik van de weg wordt gemaakt op de dag waarop dat auto naar aanleiding van de aanvraag van een keuringsbewijs aan een apk-keuring wordt onderworpen. [3] Aangezien het hier een vrijstelling betreft, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hij op 22 juli 2024 gebruik van de weg heeft gemaakt voor een te verrichten apk-keuring. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de apk-keuring heeft plaatsgevonden op 2 december 2024. Eiser heeft geen bewijs aangeleverd waaruit blijkt dat er (ook) een apk-keuring heeft plaatsgevonden op 22 juli 2024. Omdat de vrijstelling op 22 juli 2024 niet van toepassing was, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
9. De na te heffen belasting wordt dan berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg is geconstateerd. [4] Dat eiser gedurende een deel van de periode waarover de naheffingsaanslag is opgelegd met het motorrijtuig geen gebruik heeft gemaakt van de openbare weg is niet relevant bij het bepalen van de hoogte van de naheffingsaanslag. [5] Indien blijkt dat voor een gedeelte van het naheffingstijdvak de verschuldigde belasting al is betaald of niet op naam heeft gestaan van degene die de auto houdt, wordt de belasting in zoverre niet nageheven. [6] De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de hoogte van de naheffingsaanslag juist heeft bepaald. Dat abusievelijk op de aanslag een verkeerde periode is genoemd (2.4) doet daar niet aan af. Het nageheven bedrag is juist en in de vooraankondiging was de juiste periode wel genoemd. Eiser is hierdoor in zoverre niet benadeeld.
Is de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
10. De inspecteur heeft op grond van artikel 37 van Pro de Wet Mrb in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een boete opgelegd, omdat de belasting niet op aangifte is voldaan. De verzuimboete bedraagt maximaal 50% van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald. [7]
11. In het geval van eiser gaat het om een boete wegens een verzuim. Bij een dergelijke boete speelt de mate van schuld of verwijtbaarheid geen rol. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas), waarop eiser een beroep moet doen, kan de boete achterwege blijven. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van avas.
12. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de opgelegde verzuimboete gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden ook passend en geboden is. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van wisselend inkomen door seizoenswerk. Hierin ziet de rechtbank geen aanleiding voor een matiging. De rechtbank acht een verzuimboete van 50% van de nageheven belasting, leidend tot een bedrag van € 210, passend en geboden.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 30 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 19, eerste lid, van de Wet Mrb, in samenhang met de artikelen 67, eerste lid en 68, eerste lid, onderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994.
2.Artikel 35, eerste lid, van de Wet Mrb.
3.Artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel m van de Wet Mrb en artikel 22 van Pro het Uitvoeringsbesluit Mrb.
4.Artikel 35, tweede lid, van de Wet Mrb.
5.Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:973, r.o. 3.3.3 en 3.3.4.
6.Artikel 35, derde en vijfde lid, van de Wet Mrb.
7.Paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, onderdeel 2.