ECLI:NL:RBNNE:2026:2610

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
LEE 25/4436
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1, tweede lid, Wet MrbArt. 37, derde en vierde lid, Wegenverkeerswet 1994Art. 44, derde lid, KentekenreglementArt. 69, eerste lid, Wet MrbArt. 69, tweede lid, Wet Mrb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en verzuimboete terecht opgelegd voor auto zonder handelaarskenteken op openbaar terrein

Eiser maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (mrb) en een verzuimboete die de inspecteur had opgelegd voor het tijdvak 28 januari 2024 tot en met 27 januari 2025. De naheffing bedroeg €492 en de boete €246. De inspecteur stelde dat de auto van eiser, een Volvo V70 uit de bedrijfsvoorraad, op de openbare weg stond geparkeerd zonder handelaarskenteken, wat niet is toegestaan volgens de handelaarsregeling.

Eiser betoogde dat de auto op het eigen terrein van zijn garage stond, waar auto’s in reparatie staan, en dus niet op de openbare weg. De rechtbank stelde vast dat het terrein feitelijk openstond voor het openbaar verkeer, zonder fysieke barrières of waarschuwingen, en kwalificeerde het als openbare weg. Hierdoor was het gebruik van de auto zonder handelaarskenteken onrechtmatig.

De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en naar de juiste bedragen waren opgelegd. De verzuimboete van 50% van de nageheven belasting was passend en geboden, mede omdat eiser geen beroep deed op afwezigheid van schuld. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, waardoor de aanslag en boete in stand bleven en eiser geen proceskostenvergoeding kreeg.

Uitkomst: De naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en de verzuimboete zijn terecht opgelegd omdat de auto zonder handelaarskenteken op een voor het publiek toegankelijk terrein stond dat als openbare weg kwalificeert.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4436

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
de inspecteur van de Belastingdienst/ Centrale Administratieve Processen/ kantoor Apeldoorn, de inspecteur
(gemachtigde: [naam 1] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser voor het tijdvak 28 januari 2024 tot en met 27 januari 2025 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting (mrb) opgelegd ten bedrage van € 492.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur eiser een verzuimboete van € 246 opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag mrb en de boetebeschikking gehandhaafd.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de waarnemers van de gemachtigde van de inspecteur, [naam 2] en [naam 3] . Eiser is - zonder bericht van verhindering - niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft eiser op 16 maart 2025 per brief meegedeeld waar en wanneer de zitting zou plaatsvinden. De rechtbank heeft deze brief aangetekend verstuurd naar het adres van eiser. Uit informatie uit het track & trace-systeem van PostNL blijkt dat de uitnodiging op 18 maart 2025 aan eiser is uitgereikt en dat is getekend voor ontvangst. Eiser is dus op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting. De rechtbank heeft de zitting daarom doorgang laten vinden.

Feiten

2. Vanaf 15 januari 2024 behoort een motorrijtuig van het merk Volvo, type V70, met kenteken [kenteken] (de auto) tot de bedrijfsvoorraad van het autobedrijf van eiser.
2.1.
Op 27 januari 2025 is door een controlemedewerker van de Belastingdienst geconstateerd dat de auto geparkeerd stond aan het adres [adres] . De auto was ten tijde van de controle niet voorzien van een handelaarskentekenplaat.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag mrb en de boetebeschikking terecht en naar de juiste bedragen heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag mrb en de boetebeschikking terecht en naar de juiste bedragen opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunten partijen
5. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag mrb en de boetebeschikking ten onrechte zijn opgelegd, omdat de auto niet geparkeerd stond op de openbare weg, maar op het eigen terrein van de garage waar alle auto’s staan die daar in reparatie zijn.
6. De inspecteur stelt dat hij de naheffingsaanslag mrb en de boetebeschikking terecht heeft opgelegd overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving. De auto van eiser bevond zich op het controlemoment op de openbare weg zonder een handelaarskenteken. Het parkeerterrein staat feitelijk open voor het openbaar rij- of ander verkeer. Het is niet van belang wie de eigenaar van het terrein is.
Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
7. De Wet op de Motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet Mrb) kent een bijzondere regeling (de handelaarsregeling) voor auto’s die tot de bedrijfsvoorraad worden gerekend. [1] Eén van de voorwaarden van de handelaarsregeling is dat bij gebruik van de openbare weg door een auto uit de bedrijfsvoorraad de zogenoemde handelaarskentekenplaat moet worden gevoerd. [2] Indien niet aan de voorwaarden voor toepassing van de handelaarsregeling is voldaan, kan de belasting worden nageheven. [3] De naheffing wordt in beginsel berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag waarop wordt geconstateerd dat de auto gebruik heeft gemaakt van de openbare weg. [4]
7.1.
Voor de beantwoording van de vraag of een terrein als een openbare weg moet worden aangemerkt, is beslissend of het terrein feitelijk voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaat. Daarvoor zijn de feitelijke omstandigheden van belang, zoals of door de rechthebbende(n) wordt geduld dat het algemene rijverkeer gebruik maakt van het terrein. [5] Dat een parkeerplaats op een privéterrein is gelegen, hoeft dus niet te betekenen dat er geen sprake kan zijn van een openbare weg.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert het eigen terrein van de garage waar de auto van eiser geparkeerd stond als openbare weg. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de foto’s in het dossier blijkt dat het parkeerterrein voor iedereen feitelijk vrij toegankelijk was. De toegang werd niet belemmerd door bijvoorbeeld hekken, palen, slagbomen of kettingen. Ook waren er geen borden of waarschuwingen aangebracht, waaruit bleek dat de eigenaar er niemand wilde hebben. Omdat de auto op de openbare weg stond geparkeerd, zonder een handelaarskentekenplaat, heeft eiser niet voldaan aan de voorwaarden van de handelaarsregeling. De rechtbank is daarom van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Is de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
8. De inspecteur heeft op grond van artikel 70 van Pro de Wet mrb in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een boete opgelegd, omdat de belasting niet op aangifte is voldaan. De verzuimboete bedraagt maximaal 50% van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald. [6]
9. In het geval van eiser gaat het om een boete wegens een verzuim. Bij een dergelijke boete speelt de mate van schuld of verwijtbaarheid geen rol. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) kan de boete achterwege blijven, maar daarop heeft eiser geen beroep gedaan.
10. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de opgelegde verzuimboete gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden ook passend en geboden is. Voor een matiging ziet de rechtbank geen aanleiding. Eiser heeft ook daartoe namelijk niets aangevoerd. De rechtbank acht een verzuimboete van 50% van de nageheven belasting, leidend tot een bedrag van € 246, passend en geboden.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag mrb en de boetebeschikking in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 30 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 1, tweede lid, van de Wet Mrb.
2.Artikel 37, derde en vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 44, derde lid, van het Kentekenreglement.
3.Artikel 69, eerste lid, van de Wet Mrb.
4.Artikel 69, tweede lid, van de Wet Mrb.
5.Hoge Raad 11 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4801, r.o. 3.2.
6.Paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, onderdeel 2.