ECLI:NL:RBNNE:2026:2625

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
LEE 25/3336, LEE 25/3337
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 7:1 AwbArt. 7:1a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van belastingaanslagen en bezwaartermijn bij inbreng vordering in B.V.

Eisers hadden een rekening-courantschuld aan hun B.V. en brachten een vordering op hun zoon in de B.V. in om deze schuld af te lossen. Eisers stelden dat deze inbreng nietig was omdat het hypotheekrecht niet was overgedragen, wat zou leiden tot een lagere dividenduitkering en een lagere belastbare winst. De inspecteur stelde dat de aanslagen correct waren vastgesteld en dat geen gebreken aan de overdracht kleefden.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaar van eiser tegen de aanslag terecht niet-ontvankelijk was verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Inhoudelijk stelde de rechtbank vast dat de vordering rechtsgeldig was ingebracht en dat de rente-inkomsten terecht aan de B.V. waren toegerekend. De aanslagen waren daarom niet te hoog vastgesteld.

Ook de belastingrentebeschikkingen werden als juist beoordeeld, waarbij de rechtbank het standpunt van de inspecteur volgde dat de rente correct was berekend volgens de wettelijke bepalingen. De beroepen werden ongegrond verklaard, en eisers kregen geen proceskostenvergoeding of teruggaaf van griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat de aanslagen IB/PVV 2021 niet te hoog zijn vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/3336 en LEE 25/3337
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaken tussen

[eiser ] , uit [woonplaats] , eiser,

[eiseres], uit [woonplaats] , eiseres,
(hierna gezamenlijk te noemen: eisers)
en

De inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almere, de inspecteur(gemachtigde: mr. [naam 1] ).

Inleiding

Zaaknummer 25/3336 (aanslag eiser)
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.965, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 69.621 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.449. Tegelijk met dit besluit heeft de inspecteur bij beschikking een bedrag van € 1.298 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De inspecteur heeft het bezwaar ook behandeld als een verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021. In dezelfde brief heeft de inspecteur het verzoek tot ambtshalve vermindering afgewezen.
Zaaknummer 25/3337 (aanslag eiseres)
1.3.
De inspecteur heeft aan eiseres voor het jaar 2021 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.010, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 69.621 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.798. Tegelijk met dit besluit heeft de inspecteur bij beschikking een bedrag van € 1.787 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.4.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres afgewezen.
Beide zaaknummers
1.5.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft de beroepen op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn dochter, [naam 2] , en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [naam 3] .
1.7.
Partijen hebben na de zitting nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft in de nadere stukken geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen. [1] Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek volledig geweest. De nadere stukken blijven daarom voor de beoordeling buiten beschouwing.

Feiten

2.
2.1.
Eiser had in 2021 een aandelenbelang van 32% in [A B.V.] (de B.V.) en eiseres een aandelenbelang van 20%. De overige aandelen in de B.V. waren in bezit van de zoon en dochter van eisers.
2.2.
Op 7 december 2021 heeft de inspecteur een aangifte dividendbelasting ontvangen van de B.V. Hierin is aangegeven dat een dividend van € 244.813 wordt uitgekeerd aan de aandeelhouders, waarop een bedrag van € 36.721 aan dividendbelasting wordt ingehouden.
2.3.
De inspecteur heeft op 22 maart 2022 de aangiften IB/PVV voor het jaar 2021 van eisers ontvangen. Hierin is geen inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven.
2.4.
Per brieven met dagtekening 19 april 2023 heeft de inspecteur aan eisers kenbaar gemaakt dat hij van plan is af te wijken van de ingediende aangiften. In deze brieven staat - voor zover van belang - het volgende:

In de aangifte wordt geen bedrag aangegeven voor inkomen uit aanmerkelijk belang. Uit mijn informatie blijkt dat u een bedrag van € 69.621 aan reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang hebt ontvangen van [A B.V.] Omdat de inkomsten niet zijn aangegeven, is het inkomen uit aanmerkelijk belang te laag. Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 69.621. De Nederlandse dividendbelasting die eventueel is ingehouden zal ik met de aanslag verrekenen.
2.5.
Per brieven met dagtekening 3 mei 2023 stuurt de inspecteur aan eisers de mededeling dat hij van de ingediende aangiften is afgeweken conform de brief van 19 april 2023. De aanslag van eiser is vastgesteld op 6 september 2024 en die van eiseres op 27 mei 2025.
2.6.
Volgens gegevens die de inspecteur heeft ontvangen van de heer [naam 4] , de voormalig gemachtigde van eisers, was er op de opheffingsdatum € 285.925 aanwezig in de B.V. De inspecteur heeft het inkomen uit aanmerkelijk belang van eisers als volgt bepaald:
Regulier voordeel
Vervreemdings-voordeel
Verkrijgingsprijs
Inkomen uit aanmerkelijk belang
Eiser
€ 78.340
€ 13.156
€ 4.719
€ 86.777
Eiseres
€ 48.963
€ 8.222
€ 4.719
€ 52.466
Het totale inkomen uit aanmerkelijk belang van eisers is € 139.242. De inspecteur heeft het inkomen 50%/50% aan eisers toegerekend, zijnde € 69.621 per persoon.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt voor eiser eerst of de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Als het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, is (na toepassing van prorogatie) in geschil of het verzoek tot ambtshalve vermindering terecht is afgewezen. Inhoudelijk gaat het er bij de aanslagen van eisers om wat de hoogte is van het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Ook is in geschil of de inspecteur terecht en tot de juiste bedragen belastingrente in rekening heeft gebracht aan eisers. De rechtbank beoordeelt deze vragen aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de aanslagen van eisers niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de inspecteur het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard?
4.
4.1.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. [2] Deze termijn begint te lopen op de dag na de dagtekening van de aanslag, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. [3] Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. [4] Het bezwaarschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard wanneer het bezwaarschrift na afloop van de termijn is ingediend, tenzij sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. [5] Hiervan is sprake als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [6]
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aanslag is gedagtekend op 6 september 2024. Er zijn geen aanwijzingen voor een latere bekendmaking, dus de bezwaartermijn is op de dag na de dagtekening van de aanslag gaan lopen. Het bezwaarschrift van eiser is, ruim acht maanden later, op 28 mei 2025 en daarmee ruimschoots buiten de bezwaartermijn van zes weken ontvangen.
4.3.
Eiser heeft aangegeven dat hij er na de ontvangst van zijn aanslag vanuit ging dat deze het inkomen van eisers gezamenlijk betrof. Dit inkomen was volgens eiser niet te hoog en daarom was er geen aanleiding om op dat moment bezwaar te maken. Eiser vindt het verwarrend dat acht maanden later pas een aanslag aan eiseres werd opgelegd en is van mening dat de overschrijding van de bezwaartermijn hem daarom niet kan worden aangerekend. Als de aanslag van eiseres op dezelfde datum was opgelegd als zijn aanslag, had hij op tijd bezwaar kunnen maken voor beide aanslagen, aldus eiser.
4.4.
Deze toelichting van eiser brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De aanslag die aan eiser werd opgelegd, vermeldde alleen eiser zijn gegevens (en niet die van eiseres) en de bezwaartermijn geldt per individuele aanslag. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is dus geen sprake.
4.5.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de aanslag van eiser ongegrond.
Rechtstreeks beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot ambtshalve vermindering
5.
5.1.
De hoofdregel is dat eiser, voordat hij beroep instelt bij de rechtbank tegen de afwijzing van het verzoek tot ambtshalve vermindering, eerst bezwaar moet maken tegen de beslissing van de inspecteur om dit verzoek af te wijzen. [7] Het is mogelijk om onder voorwaarden in afwijking daarvan rechtstreeks in beroep te komen. [8] Partijen hebben op de zitting aangegeven prijs te stellen op de inhoudelijke behandeling van het geschil over het verzoek tot ambtshalve vermindering. Met toepassing van artikel 7:1a van de Awb (prorogatie) zal de rechtbank het beroepschrift met instemming van partijen aanmerken als een rechtstreeks beroep tegen de beschikking waarmee de inspecteur het verzoek tot ambtshalve vermindering heeft afgewezen.
5.2.
Het gaat er hierbij om of de aanslag van eiser tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Omdat bij eiseres inhoudelijk dezelfde punten spelen, zal de rechtbank hierna voor eiser en eiseres gezamenlijk de vraag beantwoorden of de aanslagen tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.
Zijn de aanslagen tot te hoge bedragen vastgesteld?
6.
6.1.
Eisers stellen dat de belastbare inkomens uit aanmerkelijk belang in de aanslagen te hoog zijn vastgesteld en voeren - samengevat - het volgende aan. In 2009 had eiser in privé een vordering op zijn zoon van € 453.000 (de vordering). Destijds had eiser ook een (hoge) rekening-courantschuld aan de B.V. Omdat de Belastingdienst deze schuldpositie te hoog vond, heeft eiser toen voorgesteld om de vordering die hij had op de zoon in te brengen in de B.V., waarmee eiser zijn schuld bij de B.V. (gedeeltelijk) afloste. Volgens eisers kleefden er echter gebreken aan de inbreng van de vordering in de B.V. Omdat sprake was van een hypothecaire lening, had ook het hypotheekrecht moeten worden overgedragen. Dit is niet gebeurd. Volgens eisers was de inbreng van de vordering hiermee nietig en moet dit worden teruggedraaid, waardoor de rente wordt teruggeboekt en het vermogen van de B.V. lager wordt en hiermee ook de dividenduitkering in 2021.
6.2.
De inspecteur stelt dat de aanslagen niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld en voert - ook samengevat - aan dat hij geen aanwijzingen heeft gevonden dat een hypothecaire zekerheid is gevestigd, zodat de vordering aan de B.V. kon worden overgedragen en terecht op deze wijze in de administratie en aangiften is verwerkt. Bovendien geldt dat als de cessie nietig zou zijn, de rekening-courantschuld die eiser had aan de B.V. - en waarmee de cessie is verrekend - zou herleven. De vordering die eiser stelt te hebben op de B.V. inzake de misgelopen rente valt dan weg tegen de (hogere) vordering van de B.V. op eiser, aldus de inspecteur.
6.3.
De rechtbank begrijpt het standpunt van eisers zo dat zij stellen dat de rente van 2011 tot 2016 niet aan de B.V., maar aan eisers in privé (box 3) toekwam, waarmee de dividenduitkering in 2021 lager wordt. Volgens eisers moet een bedrag van € 59.220 aan rente worden gecorrigeerd, waardoor het vermogen van de B.V. vlak voor de liquidatie
€ 205.489 bedroeg in plaats van € 285.925.
6.4.
De rechtbank leidt uit de stukken af dat de vordering op de zoon van 2011 (het oudste jaar dat nog kan worden geraadpleegd) tot en met 2018 op de balans van de B.V. is opgenomen. De vordering is in de aangiften Vpb van de B.V. over deze jaren steeds gepresenteerd als een vordering op de zoon en ontbreekt in (het box 3-vermogen in) de aangiften IB/PVV van eiser. In 2019, 2020 en 2021 is de vordering wel (weer) opgenomen in het box 3-vermogen van eiser.
6.5.
De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat er gebreken hebben gekleefd aan de overdracht van de vordering aan de B.V. in 2009. De rechtbank heeft zelfs niet kunnen vaststellen dat sprake was van een hypothecaire geldlening, omdat eiser hiervan geen stukken heeft overgelegd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de vordering op de zoon in het verleden rechtsgeldig is ingebracht in de B.V. Gelet op het feit dat de vordering op de zoon ook steeds op de balans van de B.V. is gepresenteerd, hetgeen eiser ook heeft erkend, zijn de rente-inkomsten dan ook terecht aan de B.V. toegerekend. De rechtbank ziet in het dossier geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat het vermogen van de B.V. op de opheffingsdatum lager was dan het bedrag € 285.925 waar de inspecteur vanuit is gegaan. Dit betekent dat de belastbare inkomens uit aanmerkelijk belang, en daarmee de aanslagen IB/PVV 2021, niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.
6.6.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het afwijzen van het verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag van eiser ongegrond en verklaart het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond.
Zijn de belastingrentebeschikkingen tot de juiste bedragen vastgesteld?
7.
7.1.
Eisers stellen dat, omdat in de voorlopige aanslagen het box 2-inkomen niet was genoemd, er vanuit mocht worden gegaan dat de aanslagen conform de ingediende aangiften werden vastgesteld. Verder stellen eisers dat de gehanteerde belastingrentepercentages aan de hoge kant zijn.
7.2.
De inspecteur stelt dat hij de belastingrentebeschikkingen in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en tot de juiste bedragen heeft vastgesteld. De inspecteur heeft op de zitting toegelicht dat het ruim 8 maanden langer heeft geduurd om de aanslag van eiseres op te leggen, omdat in haar aangifte een aanzienlijk box 3-vermogen was opgenomen, waarvoor het inkomen aan de hand van een nieuwe rekenmethode moest worden vastgesteld.
7.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Aan belastingplichtigen wordt belastingrente in rekening gebracht als een aanslag wordt vastgesteld na 6 maanden na afloop van het kalenderjaar waarover belasting moet worden (bij)betaald. [9] De belastingrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden na het kalenderjaar en eindigt zes weken na de dagtekening van de desbetreffende aanslag. [10] De inspecteur heeft tot drie jaar na afloop van het betreffende kalenderjaar de tijd om nader onderzoek te doen en een aanslag vast te stellen. [11] In de periode 1 oktober 2020 tot en met 30 juni 2023 bedroeg het tarief van de belastingrente 4%, in de periode 1 juli 2023 tot en met 31 december 2023 6%, in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 7,5% en in de periode vanaf
1 januari 2025 6,5%.
7.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de belastingrentebeschikkingen tot de juiste bedragen vastgesteld. De inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV 2021 niet overeenkomstig de door eisers ingediende aangiften vastgesteld, maar is (terecht) daarvan afgeweken. Die afwijking heeft geresulteerd in een te betalen bedrag aan belasting. De inspecteur heeft vervolgens de verschuldigde belastingrente met inachtneming van de wettelijke bepalingen over de juiste periode berekend. Dat met de afwijking van de aangiften enige tijd gemoeid is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om de belastingrente te verminderen. Het komt voor rekening van eisers dat zij geen inkomen uit aanmerkelijk belang hebben aangegeven, waardoor de aanslagen resulteerden in te betalen bedragen IB/PVV en daardoor belastingrente. Over de hoogte van het percentage heeft de Hoge Raad in een recent arrest
- kort gezegd - geoordeeld dat de belastingrente voor aanslagen vennootschapsbelasting te hoog was, maar dat dit niet geldt voor de belastingrente voor de inkomstenbelasting. [12]

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB/PVV 2021 van eisers in stand blijven. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.A. Veenstra, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:68 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)
4.Artikel 6:9 van Pro de Awb.
5.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
6.Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.
7.Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb.
8.Op grond van artikel 7:1a van de Awb.
9.Op grond van artikel 30fc, eerste lid van de AWR.
10.Artikel 30fc, tweede lid van de AWR in combinatie met artikel 9 van Pro de Invorderingswet.
11.Artikel 11, derde lid van de AWR.
12.Hoge Raad, 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, r.o. 4.11.1 tot en met 4.11.7.