ECLI:NL:RBNNE:2026:2688

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
C/18/26/1199 R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 288 lid 1 en lid 3 FaillissementswetArt. 349a lid 1 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling na geslaagd beroep op hardheidsclausule

Verzoekster heeft op 5 maart 2026 een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank Noord-Nederland behandelde het verzoek op 15 juni 2026, waarbij verzoekster en haar beschermingsbewindvoerder aanwezig waren.

De rechtbank constateert dat verzoekster is opgehouden met betalen en niet kan voortgaan met betaling van haar schulden, die zijn ontstaan tussen januari 2022 en juli 2024. Hoewel verzoekster niet te goeder trouw was ten aanzien van schulden aan het UWV, de Belastingdienst en het CJIB, wordt het verzoek toch toegewezen op grond van de hardheidsclausule. Deze clausule maakt het mogelijk om de regeling toe te wijzen indien aannemelijk is dat de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle zijn.

De rechtbank oordeelt dat verzoekster sinds het uitspreken van het beschermingsbewind op 9 augustus 2024 geen nieuwe schulden heeft gemaakt en dat haar situatie aanzienlijk is verbeterd. Verzoekster werkt 32 uur per week en het beschermingsbewind verloopt goed. Het verzoek om een eerdere ingangsdatum van de regeling wordt afgewezen omdat verzoekster niet voldeed aan de sollicitatieplicht tijdens het minnelijk traject.

De rechtbank stelt de duur van de schuldsaneringsregeling vast op 18 maanden vanaf de datum van het vonnis en benoemt een rechter-commissaris en bewindvoerder. Het vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en op 22 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Verzoekster wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling voor een termijn van 18 maanden, met afwijzing van een eerdere ingangsdatum.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: C/18/26/1199 R
Vonnis van 22 juni 2026
op het verzoek van
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],
wonende aan [adres],
hierna te noemen verzoekster,
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank wijst het verzoek toe.

1.PROCESGANG

1.1.
Verzoekster heeft op 5 maart 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met [beschermingsbewindvoerders namens bewindvoeringsbedrijf] B.V., beschermingsbewindvoerder.

2.RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
2.2.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
2.3.
Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.
2.4.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
2.5.
Verzoekster heeft een schuldenlast van in totaal € 27.202,57, waaronder schulden aan het UWV, de Belastingdienst en het CJIB. De schulden van verzoekster zijn ontstaan in de periode van januari 2022 tot en met juli 2024. Door het overlijden van haar opa, die als een tweede vader voor haar was, is verzoekster in een depressie geraakt. Door haar depressie kon het haar allemaal niet meer schelen en is zij goederen gaan bestellen zonder te betalen, wat mede geleid heeft tot het ontstaan van haar schulden. Verzoekster zag op enig moment door de bomen het bos niet meer en heeft ingezien dat het zo niet langer kon en is in 2024 hulp gaan zoeken bij de gemeente voor haar financiële problemen.
2.6.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij momenteel alles weer goed op de rit heeft en dat zij inmiddels voor 32 uur in de week aan het werk is.
2.7.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat er sinds het uitspreken van het beschermingsbewind op 9 augustus 2024 geen nieuwe schulden zijn ontstaan en dat verzoekster de afgelopen jaren geen bestellingen meer heeft gedaan bij postorderbedrijven. Het beschermingsbewind verloopt mede door de opstelling van verzoekster goed.
2.8.
De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de schulden aan het UWV, de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.
2.9.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).
2.10.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
2.11.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekster heeft aangetoond dat van de situatie zoals die was ten tijde van het ontstaan van haar schulden geen sprake meer is. Sinds het uitspreken van het beschermings-bewind op 9 augustus 2024 zijn er geen schulden meer ontstaan en het beschermingsbewind loopt goed. Ook de omstandigheid dat verzoekster momenteel werkzaam is, waardoor er meer ruimte in het budget is ontstaan, maakt dat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.
2.12.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
2.13.
Verzoekster heeft verzocht om de Wsnp eerder in te laten gaan, te weten vanaf
9 januari 2025 omdat zij vanaf dat moment heeft afgedragen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de ingangsdatum op de verzochte datum te bepalen, omdat ter zitting is gebleken dat verzoekster gedurende het minnelijk traject niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht. Om die reden voldoet zij niet aan de vereisten voor een eerdere toelating en zal het verzoek daartoe worden afgewezen.

3.3. BESLISSING

De rechtbank:
3.1.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],
wonende aan [adres];
3.2.
stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
3.3.
wijst het verzoek om een eerdere toelatingsdatum af;
3.4.
benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder],
gevestigd te [adres];
3.5.
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op
22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.