ECLI:NL:RBNNE:2026:269

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/17/203107 / KG ZA 25-245
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 611a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg exclusiviteitsbeding in samenwerkingsovereenkomst bedrijfsfitnessdiensten

NFP en BFNL hebben een samenwerkingsovereenkomst met een exclusiviteitsbeding waarin BFNL zich verbindt haar bedrijfsfitnessdiensten exclusief via het FiscFree-platform aan te bieden. NFP stelt dat BFNL hiermee niet haar diensten via een eigen multi-benefitplatform mag aanbieden, met name na de overname van het platform Alleo door BFNL.

BFNL betwist dit en stelt dat het exclusiviteitsbeding alleen ziet op samenwerking met derden en niet op het exploiteren van een eigen platform. De voorzieningenrechter past de Haviltex-maatstaf toe en concludeert dat partijen destijds niet hebben voorzien dat BFNL een eigen platform zou exploiteren en dat het beding dit niet expliciet verbiedt.

De rechter oordeelt dat BFNL haar diensten op een eigen multi-benefitplatform mag aanbieden, ook al maakt dit het mogelijk de exclusiviteitsafspraken te omzeilen. NFP had dit moeten voorzien en expliciet regelen indien dit niet gewenst was. De vorderingen van NFP worden daarom afgewezen en NFP wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van NFP af en bevestigt dat BFNL haar bedrijfsfitnessdiensten op een eigen multi-benefitplatform mag aanbieden.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: C/17/203107 / KG ZA 25-245
Vonnis in kort geding van 3 februari 2026
in de zaak van
NFP GROEP B.V.,
te Heerenveen,
eisende partij,
hierna te noemen: NFP,
advocaat: mr. J. de Rooij,
tegen
BEDRIJFSFITNESS NEDERLAND B.V.,
te Heerenveen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: BFNL,
advocaten: mr. M.H.C. Sinninghe Damsté en mr. D.J. de Bock.
De kern van de zaak
NFP en BFNL hebben in het verleden afspraken gemaakt over hun samenwerking. Daarin is een exclusiviteitsbeding opgenomen. Partijen verschillen van mening over de uitleg van dit beding, specifiek over de vraag of het BFNL wel of niet is toegestaan om haar bedrijfsfitnessdiensten aan te bieden op een eigen multi-benefitplatform. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de samenwerkingsovereenkomsten geen dergelijk vergaand verbod inhouden. De vorderingen van NFP worden daarom afgewezen. Dit oordeel zal hieronder worden toegelicht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de nagezonden productie van NFP
- de mondelinge behandeling van 20 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van NFP
- de pleitnota van BFNL.

2.De feiten

2.1.
NFP is in 1995 opgericht als onderneming die zich richt op het aanbieden van fiscaal aantrekkelijke fietsregelingen voor werkgevers en werknemers. Het is een familiebedrijf dat in 2001 door de heer [bestuurder NFP] (hierna: [bestuurder NFP]) en zijn zus is overgenomen.
2.2.
Per 1 januari 2007 werden de mogelijkheden ruimer voor het aanbieden van bedrijfsfitness met fiscaal voordeel. NFP wilde hierop inspelen en heeft daarom, samen met twee van haar werknemers, de heer [werknemer I] en de heer [werknemer II] (hierna: [werknemer I] en [werknemer II]), BFNL opgericht.
2.3.
In de jaren daarna richtte NFP zich op het aanbieden van fietsplannen aan werkgevers en richtte BFNL zich op het aanbieden van bedrijfsfitness aan werkgevers.
2.4.
Rond 2013 heeft NFP het FiscFree-platform opgericht. Dat is een digitaal platform waarmee werkgevers hun medewerkers fiscaal voordelig toegang kunnen geven tot diverse secundaire arbeidsvoorwaarden. Op het FiscFree-platform werden onder andere de bedrijfsfitnessdiensten van BFNL aangeboden.
2.5.
In 2013 hebben partijen hun afspraken vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst (hierna: de samenwerkingsovereenkomst). In overweging D van deze overeenkomst staat:
De samenwerking zal op exclusieve basis zijn gedurende de duur van de overeenkomst. Dit houdt in dat BFNL niet met een vergelijkbare dienstverlener als NFP GROEP (of aanbieder die hetzelfde doel heeft als NFP GROEP) gaat samenwerken en dat NFP GROEP niet structureel het aanbod van een vergelijkbare dienstverlener als BFNL gaat opnemen in haar propositie, maar eventueel slechts in uitzonderlijke gevallen waarbij de werkgever anders geen diensten van NFP GROEP zou afnemen;
2.6.
Vooruitlopend op een overname van BFNL hebben partijen op 13 november 2019 een addendum toegevoegd aan de samenwerkingsovereenkomst (hierna: het addendum). In dit addendum staat, voor zover van belang:
OVERWEGINGEN:
(…)
B. NFP Groep drijft een onderneming die zich bezig houdt met het aanbieden aan werkgevers van additionele secundaire arbeidsvoorwaarden waarop belastingvoordeel te behalen is. De diensten van NFP Groep bestaan op dit moment uit het aanbieden van fietsplannen, leasefietsen, laptops, iPads, mobiele telefonie, assortiment van Coolblue, bol.com en weekendjeweg (de “
FiscFree Diensten”).
(…)
Artikel 6 Exclusiviteit Pro
6.1
De samenwerking tussen NFP Groep en BFNL zal voor wat betreft het aanbieden van bedrijfsfitness diensten via het FiscFree platform op exclusieve basis plaatsvinden.
(…)
6.3
BFNL verbindt zich jegens NFP Groep om tijdens de duur van deze Overeenkomst en voor een periode van twee (2) jaar nadat de Overeenkomst is geëindigd op initiatief van BFNL, zich te weerhouden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van NFP Groep in Nederland, rechtstreeks of via een derde, haar diensten aan te bieden aan ondernemingen die op een concurrerende of vergelijkbare wijze als NFP Groep via een portal diensten aanbiedt die identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met de FiscFree Diensten. Ter voorkoming van misverstanden, het voorgaande beperkt BFNL niet in het algemeen om haar diensten aan te bieden aan ondernemingen die zich bezighouden met het aanbieden van secundaire arbeidsvoorwaarden maar heeft uitsluitend betrekking op ondernemingen met een focus op de FiscFree Diensten.
2.7.
Op 14 november 2019 is BFNL overgenomen door Hansefit GmbH (hierna: Hansefit). [bestuurder NFP] hield een (indirect) minderheidsbelang in BFNL en [werknemer I] en [werknemer II] bleven de bestuurders.
2.8.
In februari 2023 heeft BFNL het klantenbestand van High Five B.V. (hierna: High Five) overgenomen, een andere aanbieder van bedrijfsfitness. High Five had een samenwerking met YourCampus B.V., later Alleo B.V. genoemd (hierna: Alleo). Alleo exploiteert net als NFP een multi-benefitplatform. BFNL heeft, als opvolger van High Five, de samenwerking met Alleo voortgezet.
2.9.
In februari 2024 is BFNL overgenomen door de Epassi groep (hierna: Epassi). De heer [bestuurder BFNL] (hierna: [bestuurder BFNL]) is sindsdien bestuurder van BFNL.
2.10.
In mei 2024 heeft NFP BFNL er op aangesproken dat BFNL haar bedrijfsfitnessdiensten aanbood op het platform van Alleo. Volgens NFP was dit in strijd met de exclusiviteitsafspraken die partijen hebben gemaakt, maar BFNL was het hier niet mee eens. Partijen zijn hierover in overleg getreden. Dit heeft ertoe geleid dat NFP en BFNL op 16 juni 2025 hun afspraken schriftelijk hebben vastgelegd. Deze afspraken hielden in dat BFNL de samenwerking met Alleo zal beëindigen en dat partijen bevestigen dat zij zich zullen houden aan de exclusiviteitsafspraken zoals neergelegd in overweging D van de samenwerkingsovereenkomst en artikel 6 van Pro het addendum. Partijen hebben daarnaast schriftelijke afspraken gemaakt over het verbeteren van hun samenwerking.
2.11.
In november 2025 heeft BFNL Alleo overgenomen. Epassi heeft in een persbericht aangekondigd dat de diensten van BFNL zullen worden geïntegreerd in het multi-benefitplatform van Alleo. Door (werknemers van) Epassi, Alleo en BFNL zijn soortgelijke berichten op LinkedIn geschreven.
2.12.
Per brief van 27 november 2025 heeft NFP BFNL geschreven dat het aanbieden van bedrijfsfitnessdiensten op het platform van Alleo een schending van de exclusiviteitsafspraken oplevert. NFP heeft BFNL gesommeerd deze schending te beëindigen. BFNL heeft per brief van 5 december 2025 aan NFP geschreven dat geen sprake is van een schending van de exclusiviteitsafspraken.

3.Het geschil

3.1.
NFP vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. BFNL gebiedt om - zowel gedurende de looptijd van de samenwerkingsovereenkomst - aangevuld met het addendum, volledig en onverkort uitvoering te geven aan de in Overweging D van de samenwerkingsovereenkomst en in de artikelen 6.1 en 6.3 (nieuw) van het addendum vastgelegde exclusiviteitsverplichtingen, in die zin dat BFNL de samenwerking met NFP voor wat betreft het aanbieden van bedrijfsfitnessdiensten op exclusieve basis laat plaatsvinden, en zich onthoudt van het aanbieden, doen aanbieden of integreren van haar bedrijfsfitnessdiensten via of in het platform van Alleo, dan wel enig ander met FiscFree concurrerend of vergelijkbaar (multi-benefit)platform, ongeacht door welke (groeps)entiteit dat platform wordt geëxploiteerd,
en voorts om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis:
i. iedere samenwerking met Alleo, waaronder iedere samenwerking die ertoe strekt dat de bedrijfsfitnessdiensten van BFNL via het platform van Alleo worden aangeboden of daarin worden geïntegreerd, te staken en gestaakt te houden,
ii. het aanbieden of doen aanbieden van haar bedrijfsfitnessdiensten aan ondernemingen die op een concurrerende of vergelijkbare wijze als NFP via een portal diensten aanbieden die identiek of vergelijkbaar zijn met de FiscFree-diensten, waaronder, maar niet beperkt tot Alleo, te staken en gestaakt te houden,
iii. iedere (vorm van) klantbenadering of communicatie door BFNL waarin wordt verwezen naar een samenwerking met Alleo die ertoe strekt dat de bedrijfsfitnessdiensten van BFNL (direct of indirect) via het portal van Alleo worden aangeboden of dat BFNL daarvan (mede) onderdeel vormt of zal gaan vormen, te staken en gestaakt te houden,
2. BFNL gebiedt om onverwijld, doch uiterlijk binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis:
i. alle uitingen (waaronder op haar website, LinkedIn-pagina en overige communicatiemiddelen) die duiden op een samenwerking van BFNL met Alleo die ertoe strekt dat de bedrijfsfitnessdiensten van BFNL via het portal van Alleo worden of zullen worden aangeboden of daarin worden geïntegreerd, te verwijderen en verwijderd te houden,
ii. een ondubbelzinnige rectificatie toe te zenden aan alle door BFNL benaderde (rechts)personen, waaronder klanten van BFNL en NFP, inhoudende dat BFNL geen bedrijfsfitnessdiensten via het platform van Alleo zal aanbieden of daarin zal integreren, en haar bedrijfsfitnessdiensten uitsluitend via het FiscFree-platform van NFP aanbiedt en zal blijven aanbieden, en
iii. zich maximaal in te spannen om aan BFNL gelieerde entiteiten, waaronder Alleo, Epassi en personen gelieerd aan BFNL, Alleo en Epassi te bewegen uitingen als bedoeld onder 2(i) te verwijderen,
3. BFNL verbiedt om de bedrijfsfitnessdiensten van BFNL aan te bieden via, of te integreren in, een door BFNL, Alleo, Epassi en/of een andere aan een van deze partijen gelieerde vennootschap te exploiteren multi-benefitportal, althans een portal die diensten aanbiedt die identiek zijn aan of vergelijkbaar zijn met de diensten die worden aangeboden op het FiscFree portal, waaronder in ieder geval moet worden begrepen het huidige portal van Alleo,
4. BFNL op de voet van artikel 611a Rv veroordeelt tot betaling van een dwangsom voor het geval BFNL niet, niet geheel of niet tijdig aan de gevorderde hoofdveroordelingen onder 1, 1(i), 1(ii), 1 (iii), 2(i) en 2(ii) of 3 voldoet en waarbij de voorzieningenrechter de dwangsom bepaalt op € 200.000,00 per overtreding en € 100.000,00 voor iedere dag (dagdeel daaronder begrepen) dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 10.000.000,00, althans andere door de voorzieningenrechter te bepalen bedragen,
5. BFNL veroordeelt in de (na)kosten van dit geding, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
3.2.
BFNL concludeert tot niet-ontvankelijkheid van NFP, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van NFP, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van NFP in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

NFP heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen
4.1.
NFP stelt dat BFNL de tussen hen geldende exclusiviteitsafspraken schendt en dat haar commerciële positie hierdoor wordt benadeeld. NFP heeft hiermee een voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen.
De exclusiviteitsafspraken moeten worden uitgelegd
4.2.
Tussen partijen is in geschil of het BFNL op grond van de exclusiviteitsafspraken in de samenwerkingsovereenkomst en het addendum wel of niet is toegestaan om haar bedrijfsfitnessdiensten aan te bieden op een eigen multi-benefitplatform. Niet in geschil is dat BFNL Alleo mocht overnemen en dat BFNL een eigen multi-benefitplatform mag exploiteren. Het gaat alleen over de vraag of zij haar bedrijfsfitnessdiensten op zo’n eigen multi-benefitplatform mag aanbieden.
4.3.
Volgens NFP is dat niet het geval. Dat volgt volgens haar uit de bepalingen van het addendum. Daarin staat dat de samenwerking tussen partijen voor wat betreft het aanbieden van bedrijfsfitnessdiensten via het FiscFree platform op exclusieve basis zal plaatsvinden, en dat BFNL zich, zonder schriftelijke toestemming van NFP, er van zal weerhouden om
rechtstreeks of via een derdehaar diensten aan te bieden aan - kort gezegd - een ander multi-benefitplatform dan FiscFree. Het is BFNL dus niet toegestaan haar bedrijfsfitnessdiensten aan te bieden op een ander multi-benefitplatform, of dat nou een platform van een derde is of een door haar zelf geëxploiteerd platform (rechtstreeks). Zou dit anders zijn, dan zou dat betekenen dat BFNL de exclusiviteitsafspraken gemakkelijk kan omzeilen door haar diensten niet via het multi-benefitplatform van een derde aan te bieden, maar die derde simpelweg over te nemen, zoals zij met Alleo heeft gedaan. BFNL zou haar diensten dan alsnog op datzelfde multi-benefitplatform kunnen aanbieden, omdat het dan een eigen platform zou zijn geworden. Als zo’n omzeiling mogelijk zou zijn, zouden de exclusiviteitsafspraken inhoudsloos worden, aldus NFP.
4.4.
BFNL betwist deze uitleg van NFP. BFNL wijst erop dat in overweging D van de samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat BFNL niet met een vergelijkbare dienstverlener als NFP gaat samenwerken. ‘Samenwerken’ impliceert dat sprake is van een derde, omdat je niet met jezelf kan samenwerken. Het exclusiviteitsbeding in het addendum ziet bovendien niet op de eigen, rechtstreekse verkoop van BFNL aan haar eigen klanten. Het is BFNL immers toegestaan om haar bedrijfsfitnessdiensten rechtstreeks aan te bieden aan werkgevers, zoals zij al jaren doet en wat haar het grootste deel van haar omzet oplevert. Gelet hierop is het BFNL ook toegestaan om haar eigen diensten rechtstreeks aan te bieden via een eigen multi-benefitplatform. Het is haar alleen niet toegestaan om haar diensten aan te bieden via het multi-benefitplatform van een derde, aldus BFNL. Daarnaast is de reikwijdte van het addendum volgens BFNL beperkt tot ondernemingen die een focus hebben op de FiscFree diensten en heeft haar platform die focus niet.
4.5.
De voorzieningenrechter overweegt dat aan de hand van de Haviltex-maatstaf van de Hoge Raad moet worden uitgelegd wat partijen zijn overeengekomen. Deze maatstaf komt er kort gezegd op neer dat bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst niet alleen de tekst van belang is, maar het aankomt op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle feiten en omstandigheden van het geval van belang. [1]
Partijen hebben geen afspraken gemaakt over de huidige situatie
4.6.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in de tekst van de samenwerkingsovereenkomst en het addendum niet expliciet en ondubbelzinnig is opgenomen of het BFNL al dan niet is toegestaan om haar bedrijfsfitnessdiensten aan te bieden op een eigen multi-benefitplatform. Dit zal daarom uit de tekst en de redelijke verwachtingen van partijen moeten worden afgeleid. Daarbij is van belang dat in artikel 6.3 (nieuw) van het addendum is opgenomen dat het BFNL - kort gezegd - niet is toegestaan om rechtstreeks of via een derde haar diensten
aan te bieden aan ondernemingendie op concurrerende of vergelijkbare wijze als NFP diensten aanbieden. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter ziet dit verbod op het aanbieden van bedrijfsfitnessdiensten aan een multi-benefitplatform van een andere onderneming en niet op het opnemen van die bedrijfsfitnessdiensten in een eigen multi-benefitplatform. In dat geval is er immers geen sprake van het aanbieden van diensten aan een onderneming, maar van het integreren van de eigen diensten in het eigen platform. Ook uit de toevoeging dat BFNL rechtstreeks noch via een derde haar diensten mag aanbieden aan dergelijke ondernemingen, kan niet worden afgeleid dat BFNL haar bedrijfsfitnessdiensten niet op een eigen multi-benefitplatform mag aanbieden. Die toevoeging ziet namelijk slechts op de wijze van het aanbieden van diensten aan een andere onderneming (rechtstreeks of via een derde). Uit de tekst volgt dus niet dat BFNL haar bedrijfsfitnessdiensten niet mag aanbieden op een eigen multi-benefitplatform.
4.7.
De vraag is vervolgens wat de redelijke verwachtingen over en weer van partijen zijn. De voorzieningenrechter overweegt in dat kader dat [bestuurder NFP] in zijn schriftelijke verklaring heeft geschreven dat de intentie van partijen, zowel bij het sluiten van de samenwerkingsovereenkomst als het addendum, was dat BFNL niet wilde dat NFP met BFNL-achtige partijen zou gaan samenwerken en dat NFP niet wilde dat BFNL met NFP-achtige partijen zou gaan samenwerken. Het gaat daarbij dus om samenwerking met andere partijen en niet om het starten van een eigen multi-benefitplatform door BFNL. Volgens [bestuurder NFP] is bij het sluiten van het addendum nooit gesproken over dit scenario. Dat onderwerp speelde simpelweg niet, aldus [bestuurder NFP]. Ook van de zijde van BFNL is verklaard dat partijen destijds niet voor ogen hadden dat BFNL op enig moment zelf een multi-benefitplatform zou gaan exploiteren en haar bedrijfsfitnessdiensten daarop zou willen aanbieden.
4.8.
Hieruit volgt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat partijen ten tijde van het maken van de exclusiviteitsafspraken niet hebben nagedacht over de mogelijkheid dat BFNL een eigen multi-benefitplatform zou willen starten. Zij hebben daarom ook geen afspraken gemaakt over de vraag of BFNL haar eigen bedrijfsfitnessdiensten daar dan op zou mogen aanbieden. Partijen hebben dus niet voorzien in de situatie die nu is ontstaan.
BFNL mag haar diensten aanbieden op een eigen multi-benefitplatform
4.9.
Nu partijen niet hebben voorzien in de mogelijkheid dat BFNL haar eigen bedrijfsfitnessdiensten zou aanbieden op een eigen multi-benefitplatform, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat BFNL redelijkerwijs mocht verwachten dat dit was toegestaan. Aan NFP kan worden toegegeven dat dit het voor BFNL mogelijk maakt om de exclusiviteitsafspraken te omzeilen. In plaats van haar diensten aan te bieden aan een derde partij met een multi-benefitplatform, kan BFNL die derde partij overnemen zodat het een multi-benefitplatform van haarzelf wordt en zij haar bedrijfsfitnessdiensten alsnog op dat platform mag aanbieden. Dat neemt echter niet weg dat de tekst van de exclusiviteitsafspraken en de bedoeling van partijen van destijds geen verbod inhouden zoals door NFP is gevorderd. Een dergelijk verbod is dusdanig vergaand dat NFP redelijkerwijs niet mag verwachten dat dit onder de exclusiviteitsafspraken valt. Dat zou BFNL namelijk fors beperken om zich verder te ontwikkelen in de markt, zonder dat partijen daar afspraken over hebben gemaakt. Als NFP had willen voorkomen dat BFNL in de toekomst een rechtstreekse concurrent van haar zou worden, dan had het op haar weg gelegen om daar vooraf heldere en eenduidige afspraken over te maken. Dat zij dat niet heeft gedaan, dient voor haar risico te komen.
De vorderingen van NFP worden afgewezen
4.10.
Nu de voorzieningenrechter voorshands van oordeel is dat het BFNL is toegestaan om haar bedrijfsfitnessdiensten aan te bieden op een eigen multi-benefitplatform, zullen de vorderingen van NFP worden afgewezen.
4.11.
NFP is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van BFNL worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van NFP af,
5.2.
veroordeelt NFP in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als NFP niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt NFP tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
936

Voetnoten

1.Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.