ECLI:NL:RBNNE:2026:2728

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
LEE 26/674
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 AWRArt. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd over invorderingsmaatregelen bij voorlopige voorziening belastingrecht

Verzoeker heeft bij de rechtbank Noord-Nederland een beroepschrift en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen uitspraken op bezwaar van de Belastingdienst over diverse belastingaanslagen. De rechtbank heeft verzoeker meerdere malen verzocht om ontbrekende stukken en een volmacht, maar deze zijn niet volledig aangeleverd.

De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen als er een lopende bezwaar- of beroepsprocedure is en er sprake is van onverwijlde spoed. Verzoeker vraagt om stopzetting van invorderingsmaatregelen, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechter in belastingzaken niet bevoegd is om over invorderingsmaatregelen te oordelen.

De beoordeling van invorderingsmaatregelen behoort tot de burgerlijke rechter. Daarom verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd om op het verzoek om voorlopige voorziening te beslissen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om te beslissen over het verzoek om stopzetting van invorderingsmaatregelen bij voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/674

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Rechtbank Noord-Nederland heeft op 26 februari 2026 tegelijkertijd een beroepschrift en een verzoek om voorlopige voorziening ontvangen. Het beroepschrift en het verzoek om voorlopige voorziening heeft verzoeker op 25 februari 2026 zelf, zonder tussenkomst van een gemachtigde, op digitale wijze bij rechtbank Gelderland ingediend, terwijl zij waren gericht aan rechtbank Midden-Nederland.
1.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat beroepen in het belastingrecht van belanghebbenden die in de provincie Flevoland wonen, door de rechtbank Noord-Nederland worden behandeld. Uit de stukken van verzoeker begrijpt de rechtbank dat verzoeker in Zeewolde woont en dat is de reden dat het beroepschrift is doorgestuurd naar de belastingrechter in de rechtbank Noord-Nederland, die het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zal behandelen.
1.3.
Verzoeker stelt in zijn beroepschrift en verzoek om voorlopige voorziening (1.1.) in beroep te gaan tegen de uitspraken op bezwaar van de Belastingdienst betreffende 4 aanslagen inkomstenbelasting, 1 aanslag loonheffing, 7 aanslagen omzetbelasting en 3 aanslagen zorgverzekeringswet.
1.4.
De rechtbank heeft verzoeker bij bericht van 27 februari 2026 geïnformeerd dat zijn beroepschrift niet voldoet aan de vereisten, omdat hij heeft verzuimd een kopie mee te sturen van de onder 1.3. vermelde uitspraken op bezwaar. De rechtbank heeft verzoeker tevens geïnformeerd dat de rechtbank in een voorlopige voorziening niet zal beslissen over invorderingsmaatregelen. De rechtbank heeft verzoeker om een reactie gevraagd binnen vier weken na 27 februari 2026.
1.5.
Bij bericht van 15 april 2026 heeft de rechtbank verzoeker herinnerd aan het onder 1.4. vermelde bericht van de rechtbank en hem verzocht om uiterlijk 29 april 2026 te reageren.
1.6.
Op 18 mei 2026 heeft de griffier van de belastingkamer gebeld met verzoeker met het verzoek om alsnog te reageren op het onder 1.4. vermelde bericht van de rechtbank.
1.7.
Op 20 mei 2026 heeft verzoeker één pagina van een aan hem gerichte beslissing van de ontvanger op een verzoek om uitstel van betaling van 21 april 2026 overgelegd betreffende 14 belastingaanslagen.
1.8.
Omstreeks 20 mei 2026 heeft iemand telefonisch contact gezocht met de griffier van de belastingkamer en gesteld namens verzoeker te bellen. De griffier heeft meegedeeld pas met een gemachtigde van verzoeker te kunnen overleggen als een volmacht is overgelegd. Aan de griffier werd meegedeeld dat dit in orde zou worden gemaakt. Er is daarna niets meer van verzoeker vernomen.

Karakter voorlopige voorziening

2.
2.1.
De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, ook wel bodemprocedure genoemd, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Daarbij gelden als voorwaarden dat tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt (vereiste van connexiteit) en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. [1] Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.
2.2.
De voorzieningenrechter kan uitspaak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. [2] De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker, ondanks meerdere pogingen van de rechtbank, niet de gevraagde stukken en toelichting op zijn beroep en voorlopige voorziening heeft ingediend. De voorzieningenrechter heeft evenmin een volmacht ontvangen van een gevolmachtigde.
4. De voorzieningenrechter leidt uit de wel overlegede stukken af dat verzoeker beroepen bij de rechtbank wil indienen tegen uitspraken op bezwaar inzake belastingaanslagen en dat hij bij wijze van voorlopige voorziening vraagt dat de bijhorende invorderingsmaatregelen worden stopgezet.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechter in belastingzaken onbevoegd is over de invorderingsmaatregelen te oordelen. Vragen over het stopzetten, maar ook over de rechtmatigheid van invorderingsmaatregelen dienen te worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter. [3] De voorzieningenrechter zal zich dan ook onbevoegd verklaren.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Uitgesproken op 7 juli 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 juni 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1981, r.o. 4.6.