ECLI:NL:RBNNE:2026:2736

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
K/4302/12012057 / CV EXPL 25-7741
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 lid 2 RvArt. 151 lid 2 RvArt. 6:96 BW
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling huurachterstand en einde huurovereenkomst woonruimte

Tussen eiser en gedaagde is een schriftelijke huurovereenkomst gesloten voor een zelfstandige woonruimte, waarbij gedaagde vanaf oktober 2022 geen huur heeft betaald, wat leidde tot een huurachterstand van €15.175,65. Gedaagde stelde dat de overeenkomst slechts een papieren constructie was om een inschrijfadres te verschaffen en dat de huurachterstand viel onder een vaststellingsovereenkomst van 24 oktober 2024, waarin finale kwijting was overeengekomen.

De kantonrechter oordeelde dat de schriftelijke huurovereenkomst dwingend bewijs levert van de afspraken en dat gedaagde onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd om dit te weerleggen. De vaststellingsovereenkomst zag alleen op zakelijke schulden van gedaagde en zijn vennootschap, niet op de privé huurachterstand van de woonruimte.

De huurovereenkomst is per eind juli 2025 geëindigd. De huurachterstand wordt vastgesteld op €15.112,65, verminderd met twee maanden huur na verkoop van het pand, waardoor €14.167,60 resteert. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten van €926,13 toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van in totaal €15.093,73, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten van €2.317,45. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve de verklaring voor recht.

Uitkomst: De huurovereenkomst is per eind juli 2025 geëindigd en gedaagde is veroordeeld tot betaling van €15.093,73 plus rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 12012057 \ CV EXPL 25-7741
Vonnis van 14 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Bureau Mercuur,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 maart 2026;
- de mondelinge behandeling van 3 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de aanhouding van de zaak voor schikkingsonderhandelingen;
- de brief van de gemachtigde van [eiser] van 8 juni 2026, waarin is aangegeven dat partijen geen schikking hebben getroffen en vonnis wordt gevraagd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen [eiser] als verhuurder en [gedaagde] als huurder is in 2022 een schriftelijke huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de zelfstandige woonruimte gelegen aan [adres 1] (hierna te noemen: het gehuurde).
2.2.
In artikel 3.1. en 3.2. van de huurovereenkomst is bepaald dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, ingaande 1 januari 2022. In artikel 4.5. van de huurovereenkomst is bepaald dat huurder een huurprijs van € 425,00 per maand (bestaande uit een kale huurprijs van € 330,00 plus een voorschot op de vergoeding in verband met de levering van gas/water/elektra in het gehuurde van € 85,00 plus servicekosten /administratiekosten van € 5,00) verschuldigd is.
2.3
Vanaf 1 juli 2023 bedroeg de (geïndexeerde) huurprijs van het gehuurde € 444,55 per maand, vanaf 1 juli 2024 € 461,00 per maand en vanaf 1 juli 2025 € 484,05 per maand.
2.4.
[gedaagde] heeft bij de Belastingdienst huurtoeslag aangevraagd en verkregen op het adres van het gehuurde aan [adres 1] .
2.5.
Sinds oktober 2022 heeft [gedaagde] geen huur aan [eiser] betaald. Hierdoor is er, berekend tot en met 1 juli 2025, een huurachterstand van in totaal € 15.175,65 ontstaan.
2.6.
[gedaagde] heeft vanaf 2 juli 2019 in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) ingeschreven gestaan op het adres aan [adres 2] . Dit pand was ook eigendom van [eiser] . [gedaagde] heeft vanaf 7 maart 2022 in de BRP ingeschreven gestaan op het adres van het gehuurde aan [adres 1] . Vanaf 12 augustus 2025 staat [gedaagde] in de BRP ingeschreven op het adres aan [adres 3] .
2.7.
[gedaagde] en/of de aan hem gelieerde vennootschap [bedrijf] B.V. (hierna te noemen: [bedrijf] ) huurde(n) tevens een aantal bedrijfspanden van [eiser] , te weten de panden gelegen aan [straatnaam] [nummer] , [nummer] en [nummer] te [plaats] . In deze panden exploiteerde [gedaagde] horecazaken.
2.8.
[eiser] en [gedaagde] hebben op of omstreeks 24 oktober 2024 een - door hen beide ondertekende - overeenkomst gesloten, die het volgende vermeldt:
"Overeenkomst tussen [gedaagde] en zijn gelieerde bedrijven en [eiser]
Dit stuk wordt verder uitgewerkt door adviesbureau Mercuur.
 De restschuld van € 30.000 wordt door [gedaagde] in maximaal 5 jaar afbetaald. Eerste termijn wordt 1 maart 2025 in gelijke maandelijkse termijnen afbetaald.
 De inventaris van [gedaagde] en gelieerde bedrijven draagt alle eigendomsrechten van de inventaris over aan [eiser] betreffende nummers [nummer] en [nummer] op deze manier hebben partijen onderling verrekend.
 Partijen verlenen elkaar finale kwijting er is niets meer te vorderen over en weer.
(…)"
2.9.
Bureau Mercuur heeft de hiervoor onder 2.8. genoemde overeenkomst uitgewerkt in een nader document, genaamd 'vaststellingsovereenkomst afwikkeling huurschulden'. In dit document, dat niet door de daarin genoemde partijen is ondertekend, staat onder meer vermeld:
"
VASTSTELLINGSOVEREENKOMST AFWIKKELING HUURSCHULDEN
Als gesloten tussen:
[eiser] , wonende te [woonplaats] , in zijn hoedanigheid als
verhuurder.
En:
[gedaagde] , in zijn hoedanigheid als
huurderen als direct bestuurder van de besloten vennootschap
[bedrijf] B.V.
IN AANMERKING NEMENDE DAT:
1. Tussen [eiser] en [gedaagde] , en/of de besloten vennootschap [bedrijf] B.V. doorlopende huurovereenkomsten bestaan voor de navolgende percelen:
[adres 4]
[adres 5]
[adres 6]
2. Deze huurovereenkomsten bij vaststellingsovereenkomst van 24-10-2024 tussen partijen zijn beëindigd per 01-11-2024.
3. Er tussen partijen een drietal procedures aanhangig is bij de Rechtbank Noord Nederland, sector Civiel, locatie Groningen met betrekking tot de huurschulden en bijkomende kosten die zijn ontstaan.
4. Deze procedures gewoon hun doorgang vinden tussen partijen zodat het recht in deze haar beloop heeft, en in rechte komt vast te staan wat de vordering van verhuurder op huurder is, vermeerderd met nevenkosten.
KOMEN OVEREEN:
Dat de huurovereenkomsten voor de voornoemde drie panden tussen partijen per 01-11-2024 tussentijds zijn ontbonden per 24-10-2024 waardoor de schulden van [gedaagde] c.s. niet verder zullen toenemen.
Dat [gedaagde] , in zijn hoedanigheid als huurder, en als gemachtigde bestuurder van [bedrijf] B.V., de eigendom van de inventaris en goederen, als aanwezig in de percelen [adres 4] en [adres 6] , voor zover deze eigendom zijn, over draagt per heden aan [eiser] .
Dat, in verband met die overdracht, de restschuld, als berekend nadat in de drie huurdossiers vonnis is gewezen, wordt beperkt tot een bedrag van € 30.000,-.
Dat de overdrachtsprijs alzo het verschil is tussen de totale vordering van [eiser] op [gedaagde] c.s. en de overeengekomen € 30.000,00.
Dat deze restschuld, omgezet in een lening, door [gedaagde] c.s. worden afgelost in maximaal 60 maandelijkse termijnen, ingaande op 01-03-2025.
Dat op deze lening een rentepercentage van 6% is overeengekomen, waardoor de aflossingstermijnen maandelijks € 579,98 bedragen (inclusief rente), conform de bij deze overeenkomst behorende leningscalculator.
Dat partijen, na betaling van de laatste termijn van de lening, volgens de leningscalculator, elkaar finale kwijting verlenen, en over en weer niets meer van elkaar hebben te vorderen uit hoofde van de huurachterstanden en bijkomende kosten.
Verdere afspraken zijn tussen partijen niet gemaakt in deze. (…)"
2.10.
[gedaagde] heeft na ontvangst van dit document aan [eiser] kenbaar gemaakt dat hij niet akkoord gaat met de inhoud van dit document.
2.11.
Bureau Mercuur heeft [gedaagde] namens [eiser] bij brief van 14 juli 2025 gesommeerd tot betaling van een bedrag aan huurachterstand van € 15.112,65, te vermeerderen met rente. Deze huurachterstand heeft betrekking op de periode van 1 oktober 2022 tot en met 31 juli 2025. In de brief wordt tevens aanspraak gemaakt op vergoeding van incassokosten van € 926,13 inclusief btw indien de vordering niet binnen vijftien dagen na bezorging van de brief, dus uiterlijk op 29 juli 2025, is voldaan.
2.12.
[gedaagde] heeft op deze sommatie gereageerd bij e-mail aan Bureau Mercuur van 22 juli 2025, waarin hij schrijft:
"Ik verwijs u naar het bijgevoegde stuk. Over en weer niks meer van elkaar te vorderen."
2.13.
Bureau Mercuur heeft hierop gereageerd bij e-mail aan [gedaagde] van 23 juli 2025, waarin zij schrijft:
"Het gaat in deze afspraken nadrukkelijk om alle zaken die voortvloeien uit de zakelijke overeenkomsten die partijen met elkaar hadden.
Daarvoor is inderdaad een akkoord gesloten.
Het heeft echter niets te maken met uw privé huursituatie, deze vordering valt dan ook nadrukkelijk buiten de tussen partijen gemaakte afspraken.
Ik zie uw betaling dan ook graag per omgaande tegemoet, als gevorderd. (…)"
2.14.
[gedaagde] heeft op deze e-mail gereageerd bij e-mail aan Bureau Mercuur van 23 juli 2025, waarin hij schrijft:
"Zakelijk en Prive, want alles was ook Prive ondertekend. Hier is een all-in deal van gemaakt. Of willen we gemaakte afspraken verbreken of open halen. Gaan we niet doen. Want dan blijven we bezig. (…)"
2.15.
Bureau Mercuur heeft hierop gereageerd bij e-mail aan [gedaagde] van 24 juli 2025, waarin zij schrijft:
"De overeenkomst die met u is gesloten zag uitsluitend op de zakelijke vorderingen en hebben niets van doen met uw privé woonsituatie.
Door vast te houden aan uw onhoudbare standpunten zie ik geen andere weg als mijn cliënte te adviseren om de met u gemaakte afspraken te annuleren, waardoor er geen akkoord meer bestaat, en de drie, tegen u uitgesproken vonnissen, weer volledig opvorderbaar zijn geworden.
Ik ontvang graag binnen 48 uur na heden uw bevestiging dat u de huurschuld met nevenkosten zult accepteren als nieuwe schuld, mocht dat niet het geval zijn dan acht ik alle overige afspraken als zijnde vervallen en zal ik de vonnissen als tegen u en de rechtspersoon uitgesproken ter verdere executie in behandeling nemen."
2.16.
[eiser] heeft het pand aan [adres 1] in mei/juni 2025 aan een derde verkocht.
2.17.
Bureau Mercuur heeft [gedaagde] bij aanmaningen van 31 juli 2025, 15 augustus 2025 en 25 augustus 2025 gesommeerd tot betaling van een huurachterstand voor de periode van
1 oktober 2022 tot en met 31 juli 2025 ten bedrage van € 15.112,65, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft nadien geen betalingen aan [eiser] gedaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan [adres 1] per eind juli 2025 is geëindigd;
II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 16.158,18, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 15.112,65 vanaf
1 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
III. [gedaagde] in de proceskosten veroordeelt, onder bepaling dat de proceskosten voldaan dienen te worden binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis, en voor het geval voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede met veroordeling van [gedaagde] in de nakosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] vordert betaling van een bedrag aan achterstallige huur van in totaal
€ 15.112,65, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] legt aan zijn vorderingen - samengevat - het volgende ten grondslag. Partijen hebben een huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde gesloten waarin een maandelijkse betalingsverplichting voor [gedaagde] is opgenomen. Partijen hebben ook daadwerkelijk bedoeld om een huurovereenkomst met elkaar te sluiten. Van de door [gedaagde] gestelde 'papieren constructie' om [gedaagde] een inschrijfadres te verstrekken, waarbij nooit uitvoering aan de huurovereenkomst is gegeven, is volgens [eiser] geen sprake geweest. [gedaagde] heeft ook in het gehuurde gewoond en beschikte over de sleutels van het gehuurde. Hij heeft op dit adres bovendien huursubsidie aangevraagd en ontvangen en post van instanties ontvangen. [gedaagde] dient zijn betalingsverplichting uit hoofde van de huurovereenkomst jegens [eiser] dan ook onverkort na te komen. [gedaagde] is in gebreke gebleven met betaling van de huur voor de woonruimte over de periode van 1 oktober 2022 tot en met 31 juli 2025. Hierdoor is een huurachterstand ontstaan van in totaal € 15.175,65. Deze huurachterstand valt, anders dan [gedaagde] aanvoert, niet onder de door partijen gesloten overeenkomst van 24 oktober 2024 en de daarin genoemde bepaling over finale kwijting, nu deze overeenkomst slechts zag op de zakelijke schulden van [gedaagde] aan [eiser] per oktober 2024 in verband met de panden te [woonplaats] die [gedaagde] en/of [bedrijf] van [eiser] huurde(n). Ook in de latere uitwerking van deze overeenkomst door Bureau Mercuur wordt de huurachterstand betreffende de woonruimte te [plaats] niet genoemd maar uitsluitend de schulden betreffende de zakelijke huurpanden in [woonplaats] .
4.2.
[gedaagde] betwist de vorderingen van [eiser] , waartoe hij - samengevat - het volgende aanvoert. Tussen partijen is weliswaar een schriftelijke huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde gesloten, maar aan die huurovereenkomst hebben partijen nooit feitelijk uitvoering gegeven. [gedaagde] heeft nooit in het gehuurde gewoond, hij heeft geen sleutels van het pand ontvangen, geen gebruik gemaakt van het pand en er is nooit huur in rekening gebracht, noch is er aangemaand voor een huurachterstand. [eiser] heeft zich derhalve ook niet als verhuurder gedragen. De huurovereenkomst was een papieren constructie, die slechts diende om [gedaagde] een inschrijfadres te verschaffen, aangezien hij zich niet op het adres van de door hem gehuurde zakelijke panden kon inschrijven. [eiser] heeft hem aangeboden zich in te schrijven op het adres van één van zijn panden, eerst op het adres aan [adres 2] en later op het adres aan [adres 1] . [gedaagde] woonde echter feitelijk bij zijn horecazaak in [woonplaats] . Het feit dat [gedaagde] huurtoeslag heeft aangevraagd op het adres aan [adres 1] zegt niets over het bestaan van een feitelijk uitgevoerde huurrelatie tussen partijen. Omdat partijen nimmer uitvoering aan de huurovereenkomst hebben gegeven, was [gedaagde] geen huur aan [eiser] verschuldigd. Voor wat betreft de door [eiser] gestelde huurachterstand beroept [gedaagde] zich erop dat deze valt onder de finale kwijting die is opgenomen in de overeenkomst van partijen van 24 oktober 2024. Deze overeenkomst had tot doel om alle onderlinge kwesties definitief af te wikkelen tegen finale kwijting, zowel zakelijke schulden als privéschulden. Deze overeenkomst zag daarmee volgens [gedaagde] ook op de huurachterstand betreffende de woonruimte te [plaats] . [gedaagde] is om die reden van mening dat [eiser] eveneens geen achterstallige huur van hem kan vorderen. Het instellen van een vordering met betrekking tot een huurachterstand voor de woonruimte staat haaks op de bedoeling van vorenbedoelde overeenkomst, aldus [gedaagde] .
4.3.
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Partijen zijn aan de door hen gesloten huurovereenkomst gebonden
4.4.
Tussen partijen is in geschil of zij, zoals [eiser] stelt, daadwerkelijk hebben bedoeld om een huurovereenkomst te sluiten, met de daaraan voor partijen als verhuurder en huurder verbonden rechten en verplichtingen, met betrekking tot de woonruimte aan [adres 1] , dan wel of deze huurovereenkomst, zoals [gedaagde] aanvoert, slechts als een 'papieren constructie' was bedoeld om aan [gedaagde] een inschrijfadres te verschaffen, waarbij door partijen feitelijk nimmer uitvoering aan de huurovereenkomst is gegeven.
4.5.
De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 157 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) als uitgangspunt heeft te gelden dat een door partijen ondertekende onderhandse akte, zoals de onderhavige huurovereenkomst, tussen partijen dwingend bewijs oplevert van de afspraken die daarin staan. Dit houdt in dat de kantonrechter in deze procedure, behoudens tegenbewijs, dient uit te gaan van de juistheid van wat er in de huurovereenkomst staat. De kantonrechter gaat er daarom in beginsel
vanuit dat partijen hebben bedoeld om een huurovereenkomst met de daaraan over en weer verbonden rechten en verplichtingen te sluiten met betrekking tot het gehuurde. Op grond van artikel 4.5. van deze huurovereenkomst rust op [gedaagde] als huurder de verplichting tot betaling aan [eiser] van een maandelijkse huurprijs als tegenprestatie voor het ter beschikking stellen van het gehuurde door [eiser] .
4.6.
Op grond van artikel 151 lid 2 Rv Pro staat tegenbewijs open tegen de hiervoor genoemde dwingende bewijskracht van de huurovereenkomst tussen partijen. [gedaagde] heeft naar het oordeel van de kantonrechter echter onvoldoende aangevoerd om tot dit tegenbewijs te worden toegelaten. Het verweer van [gedaagde] op dit punt komt er in de kern op neer dat wat er in de huurovereenkomst staat niet klopt en een schijnconstructie is, maar deze stelling ontbeert naar het oordeel van de kantonrechter een voldoende concrete onderbouwing aan de hand van daartoe aangewezen feiten en omstandigheden of door middel van schriftelijke stukken. Uit hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden afgeleid dat partijen - in afwijking van de in de huurovereenkomst opgenomen afspraken - niet de bedoeling hebben gehad om een bindende huurovereenkomst met betrekking tot de woonruimte aan [adres 1] te sluiten. Dat, zoals [gedaagde] aangeeft, hij nooit een sleutel van het gehuurde zou hebben ontvangen, is door [eiser] uitdrukkelijk betwist. Ter zitting heeft [gedaagde] bovendien aangegeven dat hij een aantal keren zelf naar het gehuurde is gegaan om de post op te halen. Die stelling valt naar het oordeel van de kantonrechter niet te rijmen met de stelling van [gedaagde] dat hij niet over een sleutel van het gehuurde beschikte. De omstandigheid dat [eiser] geen facturen voor de huur aan [gedaagde] stuurde, leidt naar het oordeel van de kantonrechter evenmin tot de conclusie dat partijen niet de bedoeling hadden om een huurovereenkomst te sluiten. De verplichting tot betaling van huur is immers een brengschuld. Dit betekent dat de huurder er zelf voor moet zorgen dat het verschuldigde bedrag tijdig aan de verhuurder wordt betaald. De verhuurder is niet verplicht om maandelijks een factuur voor de huur aan de huurder te sturen of hem aan te manen bij niet-betaling van de huur. [eiser] heeft ter zitting bovendien aangegeven dat hij aanvankelijk niet achter de (achterstallige) huur van de woonruimte aanging zodat [gedaagde] in ieder geval de lasten voor de zakelijke panden kon blijven voldoen. Verder heeft [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter zijn stelling dat hij bij zijn horecazaak in [woonplaats] woonde - mede in het licht van de uitdrukkelijke betwisting hiervan door [eiser] - niet voldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die concreet kunnen onderbouwen dat [gedaagde] daar woonde.
4.7.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, gaat de kantonrechter ervan uit dat partijen hebben bedoeld om een hen bindende huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde te sluiten, die door beide partijen diende te worden nagekomen, waaronder de verplichting voor [gedaagde] om maandelijks huur aan [eiser] te betalen.
Verklaring voor recht over einde huurovereenkomst
4.8.
[eiser] vordert in het petitum van de dagvaarding een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde per eind juli 2025 is geëindigd. In de conclusie van repliek geeft [eiser] echter aan dat hij ontbinding van de huurovereenkomst (door de kantonrechter) vordert. De kantonrechter neemt aan dat dit laatste een verschrijving betreft, nu de gemachtigde van [eiser] ter zitting expliciet heeft gesproken over een verklaring voor recht omtrent het einde van de huurovereenkomst. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering van [eiser] . Deze vordering zal dan ook worden toegewezen.
De omvang van de huurachterstand
4.9.
Vast staat dat [gedaagde] vanaf oktober 2022 tot en met 31 juli 2025 geen huur heeft voldaan, waarmee een huurachterstand is ontstaan. In de dagvaarding noemt [eiser] aanvankelijk, onder verwijzing naar productie 3 bij de dagvaarding, een bedrag aan huurachterstand van € 15.175,65. Verderop in de dagvaarding en in het petitum noemt [eiser] echter een (iets) lager bedrag aan huurachterstand over genoemde periode, namelijk € 15.112,65. Omdat de kantonrechter niet meer kan toewijzen dan er gevorderd wordt, zal in dit vonnis van een huurachterstand van in totaal € 15.112,65 worden uitgegaan. De hoogte van dit bedrag is door [gedaagde] ook niet betwist.
Valt de huurachterstand voor de woonruimte onder de afwikkeling van schulden tegen finale kwijting in de overeenkomst van 24 oktober 2024?
4.10.
De kantonrechter verwerpt het verweer van [gedaagde] dat de huurachterstand voor de woonruimte valt onder de overeenkomst van partijen van 24 oktober 2024 en de daarin opgenomen betaling over finale kwijting. Daartoe is het volgende redengevend.
4.11.
Bij de beantwoording van de vraag of de huurachterstand voor de woonruimte is begrepen in de overeenkomst van 24 oktober 2024 en de daarin opgenomen bepaling over finale kwijting komt het (in eerste instantie) aan op de uitleg van de desbetreffende bepalingen van die overeenkomst. Hierbij stelt de kantonrechter voorop dat het voor de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld bepalend is de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van het contract mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. [1]
4.12.
Een redelijke uitleg van de overeenkomst van 24 oktober 2024 brengt naar het oordeel van de kantonrechter mee dat deze overeenkomst slechts ziet op de afwikkeling van de zakelijke schulden van [gedaagde] en aan hem gelieerde bedrijven aan [eiser] . In deze overeenkomst wordt meerdere malen gesproken over [gedaagde] en aan hem gelieerde bedrijven. Dit wijst er naar het oordeel van de kantonrechter op dat deze overeenkomst betrekking heeft op de zakelijke schulden die [gedaagde] en hem gelieerde bedrijven aan [eiser] hadden. In de overeenkomst wordt de kwestie van de huurachterstand in privé niet genoemd. De vermelding van de naam van [gedaagde] in de overeenkomst moet naar het oordeel van de kantonrechter, zoals namens [eiser] ter zitting ook is aangegeven, zo worden opgevat dat [gedaagde] op persoonlijke titel, als borgstelling, heeft meegetekend voor de overeenkomst met [eiser] inzake de afwikkeling van de zakelijke schulden. Ter zitting is bovendien gebleken dat partijen voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst niet expliciet hebben gesproken over de gehuurde woning en de in dat kader bestaande huurachterstand en dat de zakelijke schulden de aanleiding voor partijen vormden om de overeenkomst te sluiten. Deze omstandigheden wijzen er naar het oordeel van de kantonrechter ook op dat de overeenkomst slechts ziet op de zakelijke schulden.
4.13.
Nu de overeenkomst van 24 oktober 2024 slechts ziet op de zakelijke schulden van [gedaagde] en aan hem gelieerde vennootschappen aan [eiser] en niet ook op de huurachterstand van [gedaagde] in privé met betrekking tot de woonruimte aan [adres 1] , valt deze huurachterstand naar het oordeel van de kantonrechter niet onder de in de overeenkomst opgenomen regeling over de afwikkeling van schulden tegen finale kwijting. Dit brengt mee dat [gedaagde] onverkort maandelijks huur aan [gedaagde] verschuldigd is gebleven voor genoemde woonruimte.
[gedaagde] moet de gevorderde huurachterstand min twee maanden voldoen
4.14.
Ter zitting is gebleken dat [eiser] het door [gedaagde] gehuurde pand in mei of juni 2025 aan een derde heeft verkocht. [eiser] heeft in verband hiermee ter zitting verklaard dat hij ook namens de koper van het pand mag optreden. De kantonrechter stelt echter vast dat [eiser] geen volmacht van de koper van het pand heeft overgelegd waaruit blijkt dat [eiser] gerechtigd is om namens deze koper te handelen en (in deze procedure) de huur na de verkoop van het pand namens deze koper te incasseren. In verband daarmee dienen naar het oordeel van de kantonrechter vanaf de verkoop van het pand twee maanden aan huur in mindering te worden gebracht op het door [eiser] gevorderde bedrag aan huurachterstand. De kantonrechter zal daarbij uitgaan van 1 juni 2025 als verkoopdatum. Dit betekent dat de verschuldigde huur over de maanden juni en juli 2025, zijnde bedragen van € 461,00 respectievelijk € 484,05, in totaal € 945,05, in mindering zal worden gebracht op de ingestelde vordering ter zake de huurachterstand van € 15.112,65. Derhalve is aan huurachterstand toewijsbaar een bedrag van € 14.167,60.
Wettelijke rente over de huurachterstand
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand is als onweersproken toewijsbaar, zoals hierna bij de beslissing is vermeld.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.16.
[eiser] vordert voorts een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.120,62 inclusief btw. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 Burgerlijk Pro Wetboek en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, waaronder de verzending van een veertiendagenbrief aan [gedaagde] , is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval voldaan. Het door [eiser] gevorderde bedrag voldoet niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW Pro gestelde eisen, nu in de veertiendagenbrief een lager bedrag is genoemd dan thans wordt gevorderd, namelijk een bedrag van € 926,13 inclusief btw. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn daarom slechts toewijsbaar tot het in de veertiendagenbrief vermelde bedrag van € 926,13.
Conclusie
4.17.
Gelet op het vorenstaande is in totaal toewijsbaar een bedrag van € 14.167,60 (hoofdsom) + € 926,13 (buitengerechtelijke incassokosten) = € 15.093,73.
Proceskosten
4.18.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van [eiser] vastgesteld als volgt:
- dagvaardingskosten € 145,45
- griffierecht € 732,00
- salaris gemachtigde € 1.296,00 (3 punten x tarief € 432,00)
- nakosten € 144,00 (te vermeerderen met de kosten van betekening als vermeld bij de beslissing)
--------------
€ 2.317,45
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen als hierna bij de beslissing is vermeld.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
4.20.
Het vonnis zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, met uitzondering van de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht. Een verklaring voor recht is naar haar aard niet vatbaar voor tenuitvoerlegging en kan daarom niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. [2]

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verklaart voor recht dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woonruimte op het adres aan [adres 1] per eind juli 2025 is geëindigd;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 15.093,73, te vermeerderen met de wettelijke rente over de niet betaalde huurtermijnen in de periode van 1 oktober 2022 tot en met 31 mei 2025, vanaf de vervaldata van deze termijnen tot aan de dag der algehele voldoening;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op
€ 2.317,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente indien de proceskosten niet binnen genoemde termijn zijn voldaan, vanaf het verstrijken van deze termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
5.4.
verklaart het vonnis voor wat betreft de veroordelingen genoemd onder 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
520/MP

Voetnoten

1.Vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 en HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427.
2.Zie HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1815.