ECLI:NL:RBNNE:2026:286

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
12012097 \ VV EXPL 25-90
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • T.J. Sleeswijk Visser
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11.4 Cao Gemeenten 2025-2027Art. 2 lid 1 Regeling onderzoek integriteitschendingArbeidsomstandighedenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing schorsing ambtenaar gemeente wegens onvoldoende grondslag ongewenst gedrag

De ambtenaar werd geschorst door de gemeente na meldingen van ongewenst gedrag jegens collega’s en bewoners van een vluchtelingenopvang. Een onafhankelijk onderzoek door BING kon de meldingen niet bevestigen, hoewel enkele WhatsApp-gesprekken met bewoners als ongepast werden beoordeeld. De gemeente kon echter niet aantonen dat deze gedragingen aan de schorsing ten grondslag lagen of dat voortzetting van de schorsing noodzakelijk was.

De kantonrechter stelde vast dat de schorsing alleen gerechtvaardigd is bij een zwaarwegend belang van de werkgever, wat hier ontbrak. De gemeente had onvoldoende toegelicht waarom minder ingrijpende maatregelen niet volstonden en waarom de schorsing noodzakelijk was voor het onderzoek of de veiligheid. Ook was sprake van een verschuiving van de schorsingsgrond zonder schriftelijke bevestiging.

De kantonrechter oordeelde dat de schorsing onterecht was en dat de ambtenaar recht heeft op wedertewerkstelling zodra hij arbeidsgeschikt is. Tevens werd de gemeente veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie en het betalen van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De schorsing van de ambtenaar wordt opgeheven en hij wordt toegelaten tot het werk zodra hij arbeidsgeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats [woonplaats]
Zaaknummer: 12012097 \ VV EXPL 25-90
Vonnis in kort geding van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. I.J. Woltman,
tegen
GEMEENTE HEERENVEEN,
te Heerenveen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde: mr. G.H. Boelens.
De zaak in het kort
[eiser] is door de gemeente geschorst na meldingen over ongewenst gedrag ten opzichte van collega’s. Uit onderzoek blijkt dat de juistheid van de meldingen niet kan worden vastgesteld. Wél blijkt dat [eiser] een aantal ongepaste WhatsApp-berichten verzond aan bewoners van de vluchtelingenopvang waarvoor hij een tijdlang verantwoordelijk was. De gemeente maakt echter onvoldoende aannemelijk dat die omstandigheid aan het schorsingsbesluit ten grondslag is gelegd. Ook licht de gemeente niet toe waarom verdere voortzetting van de schorsing nu nog noodzakelijk is. De gemeente moet daarom de schorsing opheffen en [eiser] weer toelaten tot het werk zodra hij arbeidsgeschikt is. In het onderdeel 'De beoordeling' legt de kantonrechter dat oordeel uit. Daaraan voorafgaand worden de procedure, de feiten en de vordering beschreven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de producties van [eiser]
- de conclusie van antwoord
- de producties van de gemeente
- de mondelinge behandeling van 21 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij de gemachtigden gebruik maakten van spreekaantekeningen.

2.De feiten

2.1.
[eiser] trad op [datum indiensttreding] in dienst van de gemeente, in de functie van – uiteindelijk – Specialist Inkomen.
2.2.
In de periode van 1 december 2023 tot 1 maart 2025 was [eiser] tijdelijk waarnemend locatiehoofd Gemeente Opvang Oekraïne (hierna: de opvang). Vanuit deze rol had [eiser] rechtstreeks contact met de bewoners van de opvang, ook via WhatsApp.
2.3.
Met ingang van 1 maart 2025 keerde [eiser] terug op de afdeling waar hij voorheen ook werkte als Specialist Inkomen, waar hij werd tewerkgesteld als Medewerker Poort.
2.4.
Op de arbeidsovereenkomst is de cao Gemeenten van toepassing. In artikel 11.4 van de Cao Gemeenten 2025-2027 (hierna: de cao) staat:
Artikel 11.4 | Schorsing als ordemaatregel
1. De werkgever kan de werknemer schorsen als:
a. tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld;
b. bedrijfs- of dienstbelangen dat noodzakelijk maken.
2. De werkgever meldt de werknemer schriftelijk:
a. waarom hij wordt geschorst,
b. wanneer de schorsing begint, en
c. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.
3. De werknemer krijgt tijdens de schorsing salaris en salaristoelage(n).
2.5.
Tijdens een gesprek op 16 september 2025 deelde de gemeente aan [eiser] mee dat zij hem schorste. Daarbij moest [eiser] zijn laptop, telefoon en toegangsdruppel inleveren. De gemeente liet [eiser] weten dat zij zijn bedrijfsmiddelen wilde onderzoeken.
2.6.
Per brief van 23 september 2025 bevestigde de gemeente de schorsing (hierna: het schorsingsbesluit). In het schorsingsbesluit staat, onder meer:
Op 16 september 2025 (...) is aan u meegedeeld dat u met onmiddellijke ingang bent geschorst op grond van artikel 11.4 eerste lid aanhef sub b, Cao Gemeenten.
(...)
Reden schorsing
U bent geschorst vanwege een vermoeden van ongewenst gedrag op de werkvloer/een melding van ongewenst gedrag op de werkvloer dat naar het oordeel van de gemeente onderzocht moet worden. Deze schorsing is uitdrukkelijk niet bedoeld als disciplinaire maatregel, maar als ordemaatregel die wij noodzakelijk vinden gelet op de aard van de situatie. Zo kunnen wij het onderzoek op een zorgvuldige en objectieve wijze uitvoeren, waarbij de belangen van alle betrokkenen worden gewaarborgd.
(...)
Inhoud schorsing
De schorsing geldt gedurende de duur van het onderzoek en het daaropvolgend beraad op uw positie.
(...)
Het vervolg
U wordt op een later moment uitgenodigd voor een gesprek waarin u de gelegenheid krijgt om uw zienswijze kenbaar te maken in het kader van hoor en wederhoor. (...)
2.7.
De gemeente heeft onderzoeksbureau BING (hierna: BING) opdracht gegeven het in het schorsingsbesluit genoemde onderzoek uit te voeren. Per brief van 20 oktober 2025 liet BING aan [eiser] onder meer het volgende weten:
Aanleiding en doelstelling onderzoek
BING verricht een onafhankelijk onderzoek naar aanleiding van twee ingediende meldingen over vermeend ongewenst gedag door u. De meldingen zijn tweeledig: enerzijds spreken de twee melders van vermeend ongewenst gedrag jegens één melder, anderzijds spreken de twee melders van vermeend ongewenst gedrag door u jegens vrouwen in het algemeen. De melder die zelf aangeeft ongewenst gedrag van u te hebben ervaren, wil voor u niet herleidbaar zijn in het onderzoek. De andere melder geeft aan bekend te zijn met het ongewenste gedrag dat u jegens voornoemde melder zou hebben vertoond. De vermeende ongewenste gedragingen zouden betrekking hebben op het sturen van berichten met een dubbele lading, het van top tot teen observeren, knipogen en het leggen van een hand op de schouder. Daarnaast hebben beide melders aangeven dat u jegens hen ongepaste opmerkingen zou hebben gemaakt gerelateerd aan (Oekraïense) vrouwen. Doelstelling van het onderzoek is om de melding conform de 'Regeling melden integriteitsschending’ van de gemeente Heerenveen te behandelen, de relevante feiten en omstandigheden van de melding te onderzoeken teneinde de gemeente Heerenveen in staat te stellen eventuele vervolgstappen te zetten.
Werkwijze onderzoek
In het kader van het onderzoek zullen wij onder meer kennis nemen van relevante documentatie en zullen wij interviews houden om de feiten en omstandigheden in kaart te brengen. Een en ander resulteert in een schriftelijke rapportage aan de gemeentesecretaris van de gemeente Heerenveen. Graag zouden wij met u een interview houden, aangezien de meldingen op u betrekking hebben. (...)
2.8.
Op 20 november 2025 hield BING een interview met [eiser] . In het verslag van dat interview (hierna: het interviewverslag) staat, voor zover hier van belang:
2. De onderzoekers geven aan dat bij de gemeente Heerenveen twee meldingen zijn binnengekomen van medewerkers over ongewenste omgangsvormen die de heer [eiser] zou hebben vertoond. Een van deze melders verklaart dat zij zelf ongewenste omgangsvormen van de heer [eiser] heeft ervaren. De andere melder betreft een mannelijke collega die verklaart ongewenste gedragingen van de heer [eiser] richting vrouwen te hebben waargenomen. Bij de start van het onderzoek werd bekend dat de vrouwelijke melder niet herleidbaar wilde zijn voorde heer [eiser] . Met deze melder is besproken wat dit betekent voor het onderzoek en op welke wijze wij haar verklaringen in het interview kunnen voorhouden aan de heer [eiser] . De medewerkster is zich bewust van de beperkingen die dit met zich meebrengt, maar blijft bij haar standpunt, omdat dit voor haar anders niet veilig voelt. Met de mannelijke medewerker hebben wij afgesproken dat wij zijn verklaring voor wat betreft de vrouwelijke medewerker niet meenemen in het onderzoek, voor zover dat tot herleidbaarheid leidt, gezien haar gewenste niet-herleidbaarheid. Wat deze mannelijke medewerker heeft verklaard over gedrag richting anderen, is met hem afgesproken dat wij dit wel in het onderzoek kunnen meenemen en dus ook herleidbaar naar hem kunnen voorhouden aan de heer [eiser] en dat zijn naam gedeeld mag worden. (...)
3. De heer [XX] vraagt op welke wijze door de onderzoekers conclusies worden getrokken over de melding van de vrouwelijke medewerkster, gezien haar gewenste niet-herleidbaarheid. De onderzoekers geven aan dat hetgeen zij op wens van de vrouwelijke medewerkster niet mogen voorhouden aan de heer [eiser] , niet in het onderzoek mee kan worden genomen en derhalve ook geen onderdeel zal zijn van de conclusie. Zij kunnen dus enkel een conclusie trekken over hetgeen zij aan de heer [eiser] voor kunnen leggen en waar de heer [eiser] op kan reageren. (...)
23. De onderzoekers geven aan dat de gemeente Heerenveen de telefoon van de heer [eiser] heeft ingenomen aangezien hier volgens de melders gesprekken op zouden staan met Oekraïense bewoners en gelet op de uitspraken die de heer [eiser] hierover volgens de melders gedaan heeft. De onderzoekers vragen de heer [eiser] hoe hij er tegenover staat als de onderzoekers zijn WhatsApp gesprekken zouden doorzoeken en of zij dan ongepaste gesprekken met Oekraïense vrouwen aantreffen. De heer [eiser] verklaart dat op zijn telefoon absoluut geen ongepaste gesprekken terug te vinden zijn. Hij geeft aan dat hij er geen problemen mee heeft als de onderzoekers zijn gesprekken met Oekraïeners onderzoeken. (...)
2.9.
BING legde de bevindingen van het onderzoek vast in de Rapportage onderzoek van 15 januari 2026 (hierna: het onderzoeksrapport). In hoofdstuk 4 van het onderzoeksrapport staat onder meer:
4.1
Vermeende ongewenste gedragingen jegens melder II
(...) Gezien het standpunt van melder om niet herleidbaar te willen zijn voor betrokkene, het feit dat betrokkene in algemene zin het verwijt niet herkent en er geen ander bewijs is waarop wij onze conclusie kunnen baseren, kunnen wij niet vaststellen dat de gedragingen van betrokkene zoals melder II die geschetst heeft, daadwerkelijk gebeurd zijn. (...)
4.2
Vermeende ongewenste gedragingen volgens melder I
Melder I heeft verklaard over een patroon dat hij heeft waargenomen, waarin betrokkene zich volgens hem ongepast jegens vrouwen heeft gedragen. Melder I heeft enkel in algemene zin dit patroon genoemd, maar dit niet kunnen duiden met concrete onderzoekbare situaties. Melder l verklaart wel dat een andere mannelijke collega aanwezig is geweest bij de stoere mannenpraat en de vermeende opmerking zoals hierboven geciteerd, maar daarvan heeft hij de naam niet met de onderzoekers willen delen. Om die reden is voor ons niet te verifiëren of betrokkene deze uitspraken daadwerkelijk heeft gedaan. Ten aanzien van de andere situaties die melder I heeft genoemd, merken wij op dat dit een-op-een situaties zijn geweest dan wel algemene verklaringen van melder I die niet nader onderzoekbaar zijn, als geen namen gedeeld worden van vrouwen die het gedrag zouden hebben ondergaan en/of van getuigen. Betrokkene heeft wel twee mannelijke collega’s genoemd met wie hij naar eigen zeggen vaak zou roken en noemt daarnaast dat hij slechts twee keer met melder I samen heeft gerookt. Omdat het vermeende gedrag waarover gemeld is, reeds niet is vast te stellen vanwege onvoldoende concrete informatie/situaties en/of aangereikte getuigen, hebben wij geen interview meer gehouden met de door (de advocaat van) betrokkene gesuggereerde mannelijke collega, waarmee betrokkene vaak rookt.
4.3
Vermeende ongewenste gedragingen jegens vrouwelijke bewoners Oekraïne opvang
Zowel melder I als melder II verklaart over uitspraken die betrokkene jegens hen zou hebben gedaan over vrouwelijke Oekraïense bewoners, waarbij hij WhatsAppgesprekken zou hebben laten zien.
• Melder II verklaart dat betrokkene tegen haar zou hebben gezegd terwijl hij haar WhatsAppgesprekken liet zien met Oekraïense vrouwen ‘dat zij hem allemaal wel wilden’ c.q. ‘dat hij goed in de markt ligt’, maar dat melder II dat niet verder moest vertellen.
• Melder I verklaart dat betrokkene tijdens een rookpauze WhatsAppgesprekken op zijn telefoon aan melder I heeft getoond die hij van Oekraïense vrouwen uit de opvang zou hebben gekregen. Melder I verklaart dat hij de berichten niet heeft kunnen lezen, aangezien betrokkene het maar kort liet zien en daarbij de opmerking maakte: ‘Ze blijven maar contact opnemen’.
• Melder I verklaart dat hij bij de receptie aan medewerker A vroeg of een terugbelverzoek wel naar betrokkene moest worden doorgezet, aangezien hij toen al niet meer voor de Oekraïne opvang werkte. Volgens hem reageerde medewerker A toen met ‘[voornaam betrokkene] moet afstand houden van de vrouwen van de Oekraïne opvang’. Melder I verklaart dat medewerker A nadrukkelijk vrouwen noemde en dat de manier waarop zij het zei maakte dat hij het gevoel kreeg dat er meer speelde en er wellicht iets was voorgevallen.
Ten aanzien van de opmerking die medewerker A zou hebben gemaakt, volgt uit het onderzoek dat medewerker A de verklaring van melder I niet ondersteunt. Zij herkent niet dat zij specifiek ‘vrouwen’ heeft genoemd, maar heeft de opmerking naar eigen zeggen enkel gemaakt omdat zij geen ‘twee kapiteins op één schip’ meer wilde. Door medewerker A is aangegeven dat betrokkene nog door bewoners benaderd werd, hetgeen niet meer de bedoeling was aangezien hij geen locatiehoofd meer was.
(...)
Gezien de signalen van beide melders dat betrokkene via WhatsApp contact zou hebben met Oekraïense vrouwen, de opmerkingen die hij daarover volgens de melders gemaakt zou hebben en de verklaringen van betrokkene en medewerker A dat betrokkene nog benaderd werd door Oekraïense bewoners, is nader onderzocht hoe de WhatsAppcontacten tussen betrokkene en Oekraïense bewoners zijn verlopen. In bijzijn en met toestemming van betrokkene is op woensdag 3 december 2025 een export gemaakt van zijn WhatsAppgesprekken met Oekraïense bewoners. In totaal zijn 48 bruikbare chats geëxporteerd van 43 verschillende personen. Er zijn 43 chats geëxporteerd van het toestel van de gemeente en vijf van zijn privétoestel. Van de 43 personen in totaal zijn 26 vrouw en 16 man en van één persoon hebben wij dit niet kunnen achterhalen. Van deze 43 personen heeft betrokkene met 5 personen (tevens) gesprekken gehad nadat hij was gestopt als locatiehoofd. De gesprekken met de overige 38 personen zijn enkel geweest toen betrokkene locatiehoofd was.
In de gesprekken van 36 van de 43 personen hebben wij ten aanzien van de inhoud in het licht van onderhavig onderzoek geen bijzonderheden aangetroffen. Deze gesprekken hebben een zakelijke inhoud. In de gesprekken met zeven personen zijn wij berichten tegengekomen, die vermeldenswaard zijn. Dit zijn zes gesprekken met vrouwen en één gesprek met een man. Van één van de vrouwelijke bewoners heeft betrokkene aangegeven dat dit een Oekraïense vluchteling is, maar dat hij haar niet kent vanuit zijn interim functie als locatiehoofd. Hoe hij haar dan wel heeft leren kennen, heeft hij niet gedeeld, ondanks navraag vanuit ons daarover. Van de andere zes personen staat vast dat dit bewoners waren van de Oekraïne opvang in de periode dat betrokkene daar locatiehoofd was. Uit het onderzoek is gebleken dat betrokkene in gesprekken met drie vrouwelijke bewoners spreekt over onderwerpen als relaties, zijn libido en/of het leven van [ZZ] , onder meer in relatie tot roddels die over hem zouden rondgaan. Daarnaast is uit het onderzoek gebleken dat hij aan deze drie bewoners privé-informatie heeft verteld over zijn vrouw en kinderen, waarbij hij ook foto’s van hen deelt. De gesprekken met deze drie bewoonsters vinden gedeeltelijk in de avond en de nacht plaats. Ten aanzien van het WhatsAppgesprek met de vierde Oekraïense vrouw, geeft betrokkene aan dat deze vrouw (bewoner IV) geen onderdeel was van de opvang. Omdat onduidelijk is of hij een functionele relatie tot haar had, laten wij dit gesprek verder buiten beschouwing in deze conclusie. In het gesprek met bewoner V blijkt uit de exports dat hij haar ‘muze’ heeft genoemd. Betrokkene licht hierover toe dat dit gesprek is ontstaan nadat bewoner V hem buiten had zien tekenen en zij daar toen een gesprek over hebben gehad en vervolgens hebben voortgezet via WhatsApp. Uit de export van het gesprek met bewoonster VI blijkt dat de teksten die over en weer worden gestuurd in eerste instantie een zakelijk karakter hebben, maar betrokkene ook 25 vakantiefoto's deelt waarop zijn kinderen onder meer te zien zijn. Ten aanzien van het gesprek met (mannelijke) bewoner VII viel ons in eerste instantie de startzin ‘Hoezo mis jij mij?’ op en om deze reden hebben wij dit gesprek aan betrokkene voorgehouden. Op basis van de toelichting vanuit betrokkene is deze startzin plausibel en passend bij de situatie.
(...)
2.10.
Per brief van 19 januari 2026 nodigde de gemeente [eiser] uit voor een bespreking over het onderzoeksrapport op 28 januari 2026.

3.De vordering

3.1.
[eiser] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. De gemeente te veroordelen om het schorsingsbesluit van 23 september 2025 binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, in te trekken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 ineens en € 2.500,00 per dag / dagdeel dat de gemeente hiermee in gebreke blijft;
II. De gemeente te veroordelen om [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, zijn werkzaamheden te laten hervatten, op de gebruikelijk wijze en met alle verantwoordelijkheden, bevoegdheden en zonder beperkingen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 ineens en € 2.500,00 per dag / dagdeel dat de gemeente hiermee in gebreke blijft;
III. De gemeente te verplichten om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis een brief en/of emailbericht aan de medewerkers van de gemeente te sturen, waarin wordt aangegeven dat [eiser] ten onrechte is geschorst, dat de gemeente te vroeg onjuiste conclusies heeft getrokken, dat de eerdere communicatie niet juist is geweest en dat [eiser] weer terugkeert op de werkvloer, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen inhoud, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 ineens en € 2.500,00 - per dag / dagdeel dat de gemeente hiermee in gebreke blijft;
IV. De gemeente te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure.

4.De beoordeling

Inleiding
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening tot wedertewerkstelling. Voor toewijzing is allereerst nodig dat [eiser] daarbij op het moment van uitspraak een spoedeisend belang heeft. Als dat het geval is vormt de kantonrechter zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
[eiser] heeft een spoedeisend belang
4.2.
[eiser] heeft (nog steeds) een spoedeisend belang bij de gevorderde voorlopige voorzieningen. Hij wil immers worden toegelaten tot zijn werk, maar de gemeente laat dat niet toe. [eiser] mag bij de rechter bescherming inroepen tegen deze eenzijdige en onvrijwillige vrijstelling van zijn werk. Dat wordt niet anders doordat het bevoegd gezag binnenkort een besluit neemt over het vervolg(traject) na ontvangst van het onderzoeksrapport.
De belangen die de kantonrechter moet afwegen
4.3.
Schorsing van een werknemer is alleen gerechtvaardigd als de werkgever daarvoor een redelijke grond heeft die, ten opzichte van het belang van de werknemer, voldoende zwaar weegt. [1] Daarom moet de kantonrechter bij de beoordeling van de vordering tot wedertewerkstelling van [eiser] de belangen van partijen tegen elkaar afwegen.
4.4.
Aan de ene kant is er het belang van [eiser] om te worden toegelaten tot het werk. Volgens vaste rechtspraak betreft dat in beginsel een zwaarwegend belang. Het verrichten van de bedongen arbeid is belangrijk voor een werknemer voor zelfontplooiing, sociale contacten, de ontwikkeling van identiteit en eigenwaarde en als vorm van maatschappelijke participatie. [2] Daarom moet de kantonrechter de vordering van [eiser] toewijzen, tenzij met een voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat in een bodemprocedure de schorsing stand zal houden.
4.5.
De schorsing van [eiser] kan in een bodemprocedure standhouden als de gemeente een voldoende zwaarwegend belang heeft. Daarbij kan worden gedacht aan het feit dat de gemeente, ter bescherming van andere werknemers, adequaat moet reageren op signalen dat sprake is van een (sociaal) onveilige werkomgeving. In de Arbeidsomstandighedenwet is immers vastgelegd dat iedere werknemer recht heeft op een veilige en gezonde werkomgeving. Ook in verband met goed werkgeverschap mag van een werkgever worden verlangd dat daar actief naar wordt gehandeld.
4.6.
Verder kunnen de aard en de ernst van gedragingen meebrengen dat schorsing een proportioneel middel is. Uiteindelijk hangt het af van de concrete omstandigheden van het geval of bepaald handelen een redelijke grond voor schorsing oplevert.
De meldingen rechtvaardigen geen schorsing
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat de gemeente iets moest doen met de meldingen van ongewenst gedrag. Het is daarom niet onbegrijpelijk dat de gemeente besloot om BING onderzoek te laten doen naar de meldingen. Het opdragen van een dergelijk onderzoek ligt ook in lijn met het bepaalde in artikel 2 lid 1 van Pro de toepasselijke Regeling onderzoek integriteitschending van de gemeente. Wél onbegrijpelijk is dat de gemeente de aard en de ernst van de meldingen al meteen van voldoende gewicht vond om [eiser] te schorsen. Dat licht de kantonrechter als volgt toe.
4.8.
De gemeente schorste [eiser] wegens een vermoeden en/of melding van ongewenst gedrag op de werkvloer, zoals blijkt uit het schorsingsbesluit. Uit de brief van BING van 20 oktober 2025 blijkt dat de vermeende ongewenste gedragingen betrekking hadden op gedrag van [eiser] tegenover twee melders, een man (hierna: melder I) en een vrouw (hierna: melder II). BING schrijft immers dat het gaat om het sturen van berichten met een dubbele lading, het van top tot teen observeren, het knipogen en het leggen van een hand op de schouder van melder II. Daarnaast zou [eiser] naar beide melders toe ongepaste opmerkingen zou hebben gemaakt gerelateerd aan (Oekraïense) vrouwen. De schorsing zag daarmee alleen op vermeend gedrag van [eiser] tegenover directe collega’s. Een andere grond kan ten tijde van het opleggen van de schorsing niet worden afgeleid uit het betoog van de gemeente.
4.9.
Of [eiser] zich schuldig maakte aan het hem verweten gedrag kwam echter niet vast te staan, zoals blijkt uit de paragrafen 4.1 en 4.2 van het onderzoeksrapport. Dat dit de meest waarschijnlijke uitkomst van het onderzoek was, had de gemeente al bij aanvang van het onderzoek kunnen weten. Melder II wilde immers niet herleidbaar zijn voor [eiser] . Terecht merkt BING al in het interviewverslag op dat het deel van de melding dat zij niet aan [eiser] kan voorhouden ook niet kan worden meegenomen in de conclusies. Alleen al dit gegeven had de gemeente ertoe moeten brengen om terughoudend te zijn met het opleggen van een volledige schorsing aan [eiser] .
4.10.
Aangenomen dat [eiser] zich wél schuldig maakte aan het hiervoor beschreven gedrag, dan nog acht de kantonrechter de volledige schorsing een disproportioneel middel. Een schorsing mag volgens de cao immers alleen worden opgelegd als de bedrijfs- of dienstbelangen dat noodzakelijk maken. De gemeente licht niet toe waaruit blijkt dat de aard en de ernst van het verweten gedrag het opleggen van de schorsing noodzakelijk maken. Ook van een concreet veiligheidsrisico voor beide melders is niets gebleken. Het kennelijk bij meldster II levende gevoel van ongemak vormt in ieder geval onvoldoende aanleiding om een dergelijk veiligheidsrisico aan te nemen.
4.11.
De gemeente licht ook niet toe welke minder ingrijpende middelen zij onderzocht, voorafgaand aan het opleggen van de schorsing. Daarmee maakt de gemeente onvoldoende aannemelijk dat op 16 september 2025 haar belang bij schorsing, zwaarder woog dan het belang van [eiser] om (nog) tot het werk te worden toegelaten.
4.12.
Het voorgaande leidt tot het voorlopig oordeel dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de gemeente [eiser] niet had mogen schorsen voorafgaand aan het onderzoek van BING.
De uitkomsten van het onderzoek rechtvaardigen ook geen (voortzetting van de) schorsing
4.13.
De gemeente betoogt voorts dat uit de bevindingen uit het onderzoeksrapport volgt dat er terecht vermoedens waren van ongewenst gedrag en dat [eiser] dus – ook achteraf gezien – terecht is geschorst. De reden van de schorsing is echter verschoven volgens de gemeente. De reden verschoof omdat uit het onderzoeksrapport blijkt dat [eiser] zich niet integer gedroeg en daarover tegenover BING onjuist verklaarde.
4.14.
Voor zover de gemeente daarmee bedoelt aan te geven dat zij [eiser] toch met ingang van 16 september 2025 mocht schorsen miskent zij dat een ongemerkte verschuiving van de schorsingsgrond niet tot de mogelijkheden behoort.
4.15.
Het onderzoeksrapport ziet inderdaad zowel op gedrag van [eiser] ten opzichte van de melders, als op gedrag van [eiser] ten opzichte van bewoners van de opvang. Het schorsingsbesluit en de brief van BING van 20 oktober 2025 bevatten echter geen enkele aanwijzing dat die tweede vorm van ongewenst gedrag op 16 september 2025 ook aan de schorsing ten grondslag is gelegd (zie 2.6). De kantonrechter ziet vooralsnog geen reden om aan te nemen dat deze grond (alsnog) moet worden ingelezen in het schorsingsbesluit.
4.16.
Pas tijdens het interview van 20 november 2025 kwam voor het eerst ter sprake dat de gemeente ook onderzoek wilde laten doen naar deze tweede vorm van ongewenst gedrag. Uit het interviewverslag blijkt echter niet duidelijk dat het een zelfstandige grondslag vormt voor schorsing. De vraag van de onderzoekers van BING om de telefoon uit te mogen lezen lijkt te zijn geplaatst in de sleutel van de ongewenste gedragingen van [eiser] waarover melders zich bij de gemeente hebben geklaagd. Voor zover volgens de gemeente sprake zou zijn van een aanvullende grondslag voor schorsing van [eiser] , dan ontstond die dus pas nadat [eiser] al was geschorst. De gemeente heeft deze aanvullende grond niet schriftelijk bevestigd aan [eiser] . Dat had gezien de tekst van artikel 11.4 van de cao wel gemoeten.
4.17.
Volgens de gemeente moet ongeacht het voorgaande de schorsing worden voortgezet. De uitkomsten van het onderzoek rechtvaardigen dat [eiser] niet terugkeert op de werkvloer zolang het bevoegd gezag geen besluit heeft genomen over het vervolg, aldus de gemeente. De kantonrechter volgt dat betoog niet, om twee redenen.
4.18.
Ten eerste licht de gemeente niet toe welke bevindingen uit het onderzoeksrapport het noodzakelijk maken dat [eiser] geschorst blijft. Weliswaar blijkt uit het onderzoeksrapport dat [eiser] zich in zijn vorige functie in een aantal WhatsApp-berichten ongepast heeft uitgelaten tegenover bewoners van de opvang, maar dat enkele feit kan in dit geval voortzetting van de schorsing niet dragen. Daarmee zegt de kantonrechter niet dat [eiser] geen verwijt kan worden gemaakt van zijn gedrag, maar de noodzaak tot schorsing licht de gemeente niet toe. De omstandigheid dat [eiser] een verwijt kan worden gemaakt, rechtvaardigt immers niet zonder meer voortzetting van de schorsing. De gemeente had nader moeten toelichten waaruit blijkt dat de aard en de ernst van het gedrag van [eiser] maken dat voortzetting van de schorsing noodzakelijk is.
4.19.
Die nadere toelichting valt ook niet af te leiden uit de verklaring van Medewerker A in paragraaf 4.3 van het onderzoeksrapport (zie 2.9). Anders dan de gemeente kennelijk doet, begrijpt de kantonrechter haar verklaring niet als een mededeling uit angst voor (verder) ongewenst gedrag door [eiser] . Medewerker A verklaart immers dat [eiser] geen contact moest hebben met bewoners van de opvang omdat zij niet langer onder zijn verantwoordelijkheid vielen. Aanwijzingen dat Medewerker A ook bedoelde aan te geven dat bewoners van de opvang – nu of in het verleden – een veiligheidsrisico liepen, leest de kantonrechter niet in haar verklaring. Haar opmerking zag daarmee niet op vermeend seksistisch of grensoverschrijdend gedrag of een ander veiligheidsrisico voor bewoners van de opvang.
4.20.
Het verwijt van de gemeente dat [eiser] een onjuiste verklaring aflegde tegenover BING, kan de schorsing ook niet zelfstandig dragen. Deze verklaring ziet niet op en poging tot misleiding van de onderzoekers van BING of de gemeente, maar op de verkeerde inschatting van [eiser] over wat als ‘ongepast gesprek’ moest worden gezien volgens BING. Ook hier geldt dat [eiser] mogelijk beter had moeten weten, maar dat rechtvaardigt niet het voortzetten van de schorsing.
4.21.
Verder gaat de kantonrechter ook niet mee in het betoog van de gemeente dat terugkeer van [eiser] op de werkvloer leidt tot een onveilige situatie voor (kwetsbare) burgers die hij dan te woord moet staan. Tijdens de mondelinge behandeling gaf [eiser] onweersproken aan dat hij in zijn huidige functie alle gesprekken met burgers voert samen met een collega.
4.22.
Ten tweede licht de gemeente niet toe waarom schorsing noodzakelijk is voor het bevoegd gezag om een besluit te kunnen nemen. De mededeling van de gemeente dat zij geschrokken is van de inhoud van het onderzoeksrapport maakt dat niet anders.
4.23.
Het voorgaande maakt dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat in een bodemprocedure de voortzetting van de schorsing stand zal houden. Daarom wijst de kantonrechter de voorlopige voorziening tot opheffing van de schorsing toe.
De gemeente moet [eiser] toelaten tot het werk
4.24.
Omdat de gemeente de schorsing moet opheffen, moet zij [eiser] in beginsel ook toelaten tot het werk. Tijdens de mondelinge behandeling liet [eiser] echter weten zich op dit moment arbeidsongeschikt te achten. De daadwerkelijke toelating tot het werk moet daarom in overleg met de bedrijfsarts worden vormgegeven. Concreet betekent dit dat de gemeente het contact tussen de bedrijfsarts en [eiser] op gang moet brengen via een formele ziekmelding. Vervolgens is het aan de bedrijfsarts om partijen te adviseren over de re-integratie van [eiser] .
De gemeente moet een rectificatie plaatsen
4.25.
Zoals hiervoor uiteen is gezet, is de opgelegde en voortgezette schorsing van [eiser] naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onterecht geweest. De gemeente heeft zich niet verzet tegen een vorm van rectificatie in het geval de schorsing als onterecht zou worden aangemerkt.
4.26.
Om eventuele discussies tussen partijen over de inhoud van de rectificatie voor te zijn, zal de kantonrechter vooralsnog de tekst van dat bericht bepalen op de manier zoals in de beslissing staat vermeld. Daarbij is rekening gehouden met wat in het kader van dit kort geding is komen vast te staan en de over en weer aan de orde zijnde belangen. Voor een meer uitgebreide rectificatie als door [eiser] gevorderd, is daarmee vooralsnog onvoldoende grond. Het ligt voor de hand om de rectificatie gelijk te laten plaatsvinden met de opheffing van de schorsing.
De kantonrechter legt de gemeente geen dwangsommen op
4.27.
Tijdens de mondelinge behandeling zegde de gemeente toe zich aan een veroordelend vonnis te houden. De kantonrechter ziet daarom geen reden de veroordelingen te versterken met een dwangsom.
De gemeente moet de proceskosten betalen
4.28.
De gemeente is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.183,47
Het vonnis blijft gelden tijdens eventueel hoger beroep
4.29.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissing van de kantonrechter moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt de gemeente om het schorsingsbesluit van 23 september 2025
binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, in te trekken,
5.2.
veroordeelt de gemeente om [eiser] binnen 24 uur na betekening van
dit vonnis zijn werkzaamheden te laten hervatten op de gebruikelijk wijze en met alle verantwoordelijkheden, bevoegdheden en zonder beperkingen, althans - gedurende dat sprake is van arbeidsongeschiktheid - op de wijze die de bedrijfsarts adviseert,
5.3.
gebiedt de gemeente om binnen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan haar medewerkers het volgende bericht per brief of e-mail te sturen:
“Op 16 september 2025 heeft de gemeente de heer [eiser] geschorst. De kantonrechter heeft beslist dat deze schorsing onvoldoende grond heeft en daarmee onterecht is geweest. De heer [eiser] zal, indien en zodra hij arbeidsgeschikt is, terugkeren op de werkvloer.”
5.4.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 1.183,47, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.J. Sleeswijk Visser en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
c53230

Voetnoten

1.Gerechtshof Amsterdam 21 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2023:441.
2.vgl. handelingen Tweede Kamer 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 1.