ECLI:NL:RBNNE:2026:2860

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
LEE 25/758
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet waardering onroerende zakenArt. 18 Wet waardering onroerende zakenArt. 1.12 Procesreglement bestuursrecht rechtbankenArt. 8:36c Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanpassing WOZ-waarde van 42 bedrijfsruimtes na beroep

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van 42 bedrijfsruimtes, elk 45 m² groot, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €43.000 per onroerende zaak voor het belastingjaar 2024.

Na een ongegrondverklaring van het bezwaar door de heffingsambtenaar, diende belanghebbende beroep in bij de rechtbank. De heffingsambtenaar verlaagde vervolgens ambtshalve de waarde naar €37.000 en deed een schikkingsvoorstel van €34.000, dat niet werd aanvaard.

De rechtbank oordeelde dat de onroerende zaken op de toestandsdatum volledig gereed waren en dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde ten minste €37.000 bedroeg, mede op basis van vergelijkbare verkopen. Omdat belanghebbende geen nadere gronden aanvoerde en het schikkingsvoorstel niet accepteerde, stelde de rechtbank de waarde vast op €37.000 per bedrijfsruimte.

De beroepen werden gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en het griffierecht van €53 aan belanghebbende vergoed.

Uitkomst: De WOZ-waarde van de 42 bedrijfsruimtes is vastgesteld op €37.000 per onroerende zaak na ambtshalve verlaging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/758 en 26/123 tot en met 26/163
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 juli 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 januari 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [adres] (de onroerende zaken), per 1 januari 2023 (waardepeildatum), voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op € 43.000 per onroerende zaak.
1.2.
Bij uitspraken op bezwaar van 21 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de WOZ-waarden gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft op 19 februari 2025 een beroepschrift ingediend tegen de uitspraken op bezwaar.
1.4.
Bij brief van 18 maart 2025 heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarden van de onroerende zaken ambtshalve verlaagd tot een bedrag van € 37.000 per onroerende zaak.
1.5.
Bij brief van 30 april 2025 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een schikkingsvoorstel gedaan om de waarde per onroerende zaak vast te stellen op € 34.000 en het griffierecht van € 53 te vergoeden.
1.6.
De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar [naam] (taxateur) deelgenomen. Belanghebbende procedeert digitaal bij de rechtbank. De griffier van de rechtbank heeft op 18 maart 2026 om 11:47 uur in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarin belanghebbende is uitgenodigd voor de zitting onder vermelding van datum, tijd en plaats van die zitting. Van de plaatsing van dit bericht in het digitale dossier is volgens de loggegevens van het digitale systeem op 18 maart 2026 om 11:47 uur een notificatiebericht gestuurd aan het door belanghebbende bij het indienen van zijn beroepschrift voor dit doel opgegeven e-mailadres. [1] Het laatstgenoemde tijdstip geldt als het tijdstip waarop belanghebbende de uitnodiging voor de zitting heeft ontvangen. [2] Belanghebbende is dus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting. De rechtbank heeft de zitting daarom laten doorgaan.

Feiten

2. De onroerende zaken betreffen 42 bedrijfsruimtes van ieder 45 m², geschikt voor opslag en magazijn.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaken niet te hoog heeft vastgesteld.
4. Belanghebbende heeft in bezwaar aangevoerd dat sommige van de onroerende zaken nog in aanbouw waren. In beroep heeft belanghebbende geen nadere gronden aangevoerd of een waarde bepleit.
5. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat alle onroerende zaken op toestandsdatum gereed zijn. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij van belanghebbende geen reactie op het onder 1.5. vermelde schikkingsvoorstel heeft ontvangen. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar een waardematrix opgesteld waarin een waarde van € 46.000 per onroerende zaak is vastgesteld. De heffingsambtenaar is daarom van mening dat de waarde van de onroerende zaken tenminste de bij ambtshalve vermindering vastgestelde waarde van € 37.000 bedraagt.
6. De rechtbank is van oordeel dat de waarde van de onroerende zaken op de bij ambtshalve vermindering vastgestelde waarde van € 37.000 moet worden bepaald. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) wordt de waarde van de onroerende zaken bepaald op de waarde die aan de onroerende zaken dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [3]
8. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaken bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert. Ingevolge artikel 18, derde lid, onder b, van de Wet WOZ wordt, in het geval een onroerende zaak in het kalenderjaar voorafgaande aan het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld, wijzigt als gevolg van bouw, verbouwing of verbetering, in afwijking in zoverre van het eerste lid, de waarde bepaald naar de staat van die zaak bij het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld.
9. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de onroerende zaken niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar in zijn uitspraken op bezwaar heeft gecontroleerd én vastgesteld dat de onroerende zaken op (tenminste) de toestandsdatum 100% gereed waren. De rechtbank is van oordeel dat de enkele betwisting daarvan door belanghebbende in zijn bezwaarschrift, die hij overigens ook niet heeft herhaald in zijn beroepschrift, onvoldoende is om te concluderen dat de onroerende zaken nog in aanbouw zijn.
10. De rechtbank overweegt verder dat de heffingsambtenaar in de door hem overgelegde waardematrix de waarde van de onroerende zaken heeft vastgesteld op € 46.000 door deze te vergelijken met drie verkochte, goed vergelijkbare bedrijfsruimtes in de gemeente Midden-Groningen. Mede bezien in het licht dat belanghebbende ten aanzien van de waarde geen nadere gronden heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde tenminste de bij ambtshalve vermindering vastgestelde waarde van € 37.000 bedraagt. Omdat belanghebbende niet in is gegaan op het door de heffingsambtenaar gedane schikkingsvoorstel (1.5.) en de heffingsambtenaar ter zitting heeft verklaard dit voorstel te hebben ingetrokken, bestaat er ook geen reden voor een verdere verlaging van de WOZ-waarden.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank overweegt dat de WOZ-waarden ná de uitspraken op bezwaar zijn verlaagd. De aldus vastgestelde waarde heeft de heffingsambtenaar, naar het oordeel van de rechtbank, aannemelijk gemaakt. De beroepen zijn daarom gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar en stelt de waarde vast op de bij ambtshalve vermindering vastgestelde waarde van € 37.000.
12. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Aan belanghebbende is eenmaal, in het beroep met zaaknummer LEE 25/758, een bedrag van € 53 aan griffierecht in rekening gebracht. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de onroerende zaken tot het bij vermindering vastgestelde bedrag van € 37.000 per onroerende zaak;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraken op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 in het beroep met zaaknummer LEE 25/758 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Haanstra, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 14 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Voetnoten

1.Zie artikel 1.12, tweede lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken.
2.Zie artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.