ECLI:NL:RBNNE:2026:2885

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
25/4574, 25/4748 en 25/5220
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 3:43 AwbArt. 1.1 ChwArt. 3:5 Chw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning bouw 24 huurappartementen en parkeernormen

De zaak betreft de omgevingsvergunning voor de bouw van twee gebouwen met 24 huurappartementen op een perceel met bestemming 'Detailhandel' in De Westereen. Eisers betwisten de vergunning op grond van onder meer privacy, parkeernormen, bouwhoogte en aantasting van het straatbeeld.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) valt en dat de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is. Het college heeft de vergunning verleend ondanks strijdigheid met het bestemmingsplan, omdat het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en een goede ruimtelijke onderbouwing is gegeven.

De rechtbank oordeelt dat het college de belangen zorgvuldig heeft afgewogen, onder meer ten aanzien van privacy, waarbij de afstand tot woningen voldoende is om geen onevenredige aantasting te spreken. Ook het straat- en bebouwingsbeeld wordt niet onevenredig aangetast ondanks de overschrijding van de bouwhoogte van 8 naar circa 9,5 meter.

Ten aanzien van parkeren is de rechtbank van oordeel dat de gehanteerde CROW-normen passend zijn en dat de parkeerbehoefte van 29 plaatsen op eigen terrein kan worden gerealiseerd. Bestaande parkeerproblemen zijn volgens vaste jurisprudentie buiten beschouwing gelaten.

De beroepen worden ongegrond verklaard, waardoor de omgevingsvergunning in stand blijft en eisers de betaalde griffierechten niet terugkrijgen.

Uitkomst: De beroepen tegen de omgevingsvergunning voor de bouw van 24 appartementen worden ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/4574, LEE 25/4748 en LEE 25/5220

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

1. [naam]uit De Westereen, eiseres 1
(gemachtigden: J. Boskma en J. de Haan),
2. [naam]uit De Westereen, eiseres 2,
3. [naam]uit De Westereen, eiser 3,
hierna gezamenlijk te noemen eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadiel, het college
(gemachtigde: H. Sikkema).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Dijkstra Plan & Projectontwikkeling B.V.uit Bolsward (vergunninghoudster).
(gemachtigde: mr. L.M. Blankestijn)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning voor de realisatie van de nieuwbouw van 24 appartementen. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen, omdat de twee gebouwen voor 24 huurappartementen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster is eigenaar van het perceel aan de [adres] [nummer] te Westereen (het perceel). Daarop staat een winkelpand dat voorheen gebruikt werd voor detailhandel. Dat winkelpand staat nu al geruime tijd leeg.
2.1.
Vergunninghoudster heeft op 9 oktober 2023 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van twee gebouwen voor 24 appartementen (het project).
2.2.
De gemeenteraad van de gemeente Dantumadiel heeft op 23 september 2025 een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven voor het project.
2.3.
Met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ [1] en ‘handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening’ [2] .
2.4.
Eisers hebben beroepen ingesteld tegen het bestreden besluit. De beroepen zijn geregistreerd onder de zaaknummers LEE 25/4574 (eiseres 1), LEE 25/4748 (eiseres 2) en LEE 25/5220 (eiser 3).
2.5.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.6.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres 1, eiseres 2, eiser 3, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld van [naam] en [naam], die beiden werkzaam zijn bij vergunninghoudster.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
3.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend voordat de Omgevingswet in werking is getreden, blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing zoals die gold voor 1 januari 2024. [3] Dat geldt ook voor de Crisis- en herstelwet (Chw).
Crisis- en herstelwet is van toepassing.
4. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat in dit geval de Chw van toepassing is. Dat is zo omdat in dit geval met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo van het bestemmingsplan is afgeweken ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen (namelijk 24 appartementen) in een aaneengesloten gebied of herstructurering van woon- en werkgebieden. [4] Omdat het college bij de bekendmaking van het besluit dit niet heeft vermeld, zal de rechtbank in deze procedure niet toetsen of voldaan is aan de indieningsvereisten van de Chw. Wel acht de rechtbank het van belang hier uitdrukkelijk op te wijzen omdat de toepasselijkheid van de Chw van belang is voor het indienen van een eventueel hoger beroep. De rechtbank verwijst hiervoor naar de rechtsmiddelverwijzing die in deze uitspraak is opgenomen onder het kopje ‘Informatie over hoger beroep’.
Toetsingskader
5. Voor het perceel gold het bestemmingsplan ‘Plancontourenplan De Westereen-east’ (bestemmingsplan). Aan het perceel is de bestemming ‘Detailhandel’ toegekend. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van detailhandel met (onder meer) de daarbij behorende parkeervoorzieningen. [5] Het project is in strijd met de planregels voor onder meer het gebruik en de bouwhoogte (van maximaal 8 meter).
5.1.
Voor het planologisch strijdig (bouw)gebruik is een omgevingsvergunning nodig om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels. [6] In dit geval kan een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan worden verleend, als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. [7]
5.2.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [8]
Procedureel
6. Eisers betogen dat het college met een persoonlijk bericht op hun ingediende zienswijzen had moeten reageren. Het college heeft dat niet gedaan. Eisers hebben uit de krant moeten vernemen dat de omgevingsvergunning is verleend en daarmee ook dat hun zienswijzen voor het college niet tot andere inzichten heeft geleid. Eiseres 1 stelt in dat licht in het bijzonder dat hij ten onrechte niet is gehoord voordat de omgevingsvergunning werd verleend.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in de nota van zienswijzen bij het bestreden besluit inhoudelijk op de zienswijzen is ingegaan. Hoewel het college geen mededeling als bedoeld in artikel 3:43 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gedaan zijn eisers niet in hun belangen geschaad, omdat zij op tijd beroepen tegen de verleende omgevingsvergunning hebben ingediend.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt dat hierna uit.
6.2.1.
Niet in geschil is dat het college in het bestreden besluit de zienswijzen inhoudelijk heeft beantwoord. In de ‘nota zienswijzen en commentaar’ is namelijk inhoudelijk ingegaan op de zienswijzen van eisers. Eisers bestrijden niet dat dat de ‘nota zienswijzen en commentaar’ onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit.
6.2.2.
Het college erkent dat aan eisers geen mededeling is gedaan van het bestreden besluit en het college daarmee in strijd met artikel 3:43 van Pro de Awb heeft gehandeld. Dat leidt echter niet tot de conclusie dat het bestreden besluit onrechtmatig is. De rechtbank overweegt daartoe dat de mededeling op grond van artikel 3:43 van Pro de Awb een handeling is die dateert van na het bestreden besluit. Zo’n onregelmatigheid kan de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aantasten. [9] Als een gebrek kleeft aan de mededeling, kan dat leiden tot verschoonbaarheid van een te laat ingediend beroep. Dat is in dit geval niet aan de orde omdat eisers allen tijdig beroep hebben ingesteld. Zij hebben verder op zitting erkend in voldoende mate in de gelegenheid te zijn geweest om in beroep hun argumenten naar voren te brengen.
6.3.
Ook de beroepsgrond van eiseres 1 dat zij gehoord had moeten worden, slaagt niet. Op grond van de procedure van afdeling 3.4 van de Awb die in dit geval is gevolgd, geldt niet de verplichting dat degene die zienswijzen tegen het ontwerpbesluit heeft ingebracht vóór het nemen van het definitieve besluit nog moet worden gehoord. [10]
Goede ruimtelijke ordening: privacy
7. Eiseres 2 en eiser 3 voeren aan dat hun privacy door het project onevenredig wordt geschaad. Door de overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte hebben de toekomstige bewoners van de appartementen waar het project op ziet zicht op hun woningen en op hun tuinen. Hun privacy zal daarom verloren gaan.
7.1.
Het college betoogt dat de privacy niet onevenredig wordt geschaad. Daarbij betrekt het college dat de afstand tussen de te bouwen appartementen en de woningen en tuinen van eiseres 2 en eiser 3 te groot is om te kunnen spreken van een onevenredige aantasting van hun privacy.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt dat hierna uit.
7.3.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat een zekere mate van aantasting van privacy niet betekent dat het college een vergunning voor afwijking van het bestemmingsplan moet weigeren. Aan het college komt beleidsruimte toe bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor afwijking van het bestemmingsplan een vergunning te verlenen. Het college heeft de keuze om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. [11] Het college dient de daarbij betrokken belangen af te wegen.
7.4.
Het college heeft een afweging gemaakt tussen het algemeen belang van de bouw van de appartementen aan de ene kant en (onder meer) het belang van eiseres 2 en eiser 3 bij behoud van privacy aan de andere kant. De rechtbank kan het standpunt van het college volgen dat de gevolgen van de afwijking van het bestemmingsplan (voor de appartementengebouwen met een bouwhoogte van ongeveer 9,5 meter) op de privacy van eiser 3 niet onevenredig zijn. Op zitting is besproken dat eiser 3 zich vooral zorgen maakt om de inkijk in zijn woning. De afstand vanaf de vergunde appartementen tot het perceel van eiser 3 bedraagt ongeveer 15 meter en de woning ligt nog enkele meters verder weg van de appartementen. Daartussen bevindt zich de openbare weg. Hoewel deze woning direct aan de overzijde van de weg is gelegen, heeft het college de gevolgen voor de inkijk in deze woning en de daarbij horende tuin naar het oordeel van de rechtbank niet van dusdanige aard hoeven achten dat die inbreuk onevenredig is. Het college heeft daarbij mogen betrekken dat bewoners van woningen in een bebouwde omgeving tot op zekere hoogte enige inkijk moeten aanvaarden. De woning met tuin van eiseres 2 is nog verder weg gelegen van het perceel dan de woning en de tuin van eiser 3. Het gaat om een afstand van meer dan 25 meter van het perceel. Verder ligt de openbare weg tussen het perceel en haar woning. Gelet op de ligging van de woning en de tuin van eiseres 2 ten opzichte van de vergunde appartementengebouwen ziet de rechtbank geen aanleiding om over de situatie van eiseres 2 anders te oordelen dan over de situatie van eiser 3.
Goede ruimtelijke ordening: aantasting straat- en bebouwingsbeeld
8. Eiseres 2 en eiser 3 betogen dat het project het straat- en bebouwingsbeeld onevenredig aantast. De bouwhoogte van het project is te hoog en past niet bij de overige aanwezige bebouwing.
8.1.
Het college stelt dat het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt geschaad. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat de ruimtelijke gevolgen van de afwijking van het bestemmingsplan aanvaardbaar zijn. Hoewel het project afwijkt van de maximaal planologisch toegestane bouwhoogte is die afwijking ten opzichte van omliggende gebouwen volgens het college niet van dien aard dat het project niet stedenbouwkundig kan worden ingepast.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo oordeelt.
8.2.1.
In de bij het bestreden besluit horende ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat het straatbeeld van de Noarder Stasjonsstrjitte wordt gekenmerkt door een verscheidenheid aan bouwvormen in een wisselende rooilijn langs de straat. De aanwezige bouwwerken hebben een variëteit in functies en bouwstijlen en grootten. Op zitting heeft het college op het ruime bouwvolume van het partycentrum “Old Dutch” gewezen. In de ruimtelijke onderbouwing is verder uiteengezet dat het bouwvolume iets forser is dan de bestaande bebouwing in de omgeving, maar dat het een landmark aan het spoor zal vormen. Bovendien weerspiegelt het de relatief forse hoofdgebouwen die aan de overzijde van het spoor worden gebouwd, aldus de ruimtelijke onderbouwing.
8.2.2.
De rechtbank stelt vast dat op grond van het geldende bestemmingsplan tot een hoogte van 8 meter kon worden gebouwd. Met het bestreden besluit is een bouwhoogte toegelaten van ongeveer 9,5 meter. Op zitting is door vergunninghoudster toegelicht dat dit ook nodig is om de derde bouwlaag te kunnen realiseren en dat dat van belang is voor de realisatie van het project. Hoewel met het project de toegestane bouwhoogte wordt overschreden, heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat die afwijking, gelet op het bestaande straatbeeld, niet van dien aard is dat het straat- en bebouwingsbeeld onevenredig wordt aangetast. Het college heeft dat naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende gemotiveerd en kon daaraan ook de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag leggen. Eisers hebben die onderbouwing verder niet inhoudelijk bestreden.
Goede ruimtelijke ordening: parkeren
9. Eisers betogen dat het project onevenredige gevolgen voor de parkeersituatie met zich meebrengt. Eiseres 2 voert aan dat het project een grotere parkeerbehoefte heeft dan waar het college in het bestreden besluit van uitgaat. Onduidelijk is bijvoorbeeld waar visite zal parkeren. De door het college gehanteerde norm van één parkeerplaats per appartement is daarom te laag. Door de ligging van het project naast het station zal het project de regelmatig aanwezige parkeerproblemen verder verergeren, aldus eiser 3. Eiser 1 stelt nog dat 20 parkeerplekken die voor de parkeerbehoefte van het project zijn meegerekend regelmatig door clubleden werden gebruikt.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het project niet zorgt voor onevenredig nadelige gevolgen voor parkeren. Het project voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Het project kent een parkeerbehoefte van 29 parkeerplekken op en die worden op het eigen perceel gerealiseerd.
9.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt dat hierna uit.
9.3.
Het college heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat kan worden voorzien in de parkeerbehoefte van het project op het eigen terrein dat hoort bij het project. De rechtbank acht het standpunt van het college dat het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening indien in de parkeerbehoefte kan worden voorzien op eigen terrein niet onredelijk.
9.4.
Het college heeft de parkeerbehoefte berekend aan de hand van de parkeerkencijfers van het CROW. Het college heeft op zitting toegelicht dat er geen schriftelijke beleidsregel is die dit regelt, maar dat sprake is van een gedragslijn van het college. Voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat het geen aansluiting heeft mogen zoeken bij de parkeerkencijfers van de CROW, volgt de rechtbank dat niet. Het is niet ongebruikelijk dat bestuursorganen gebruikmaken van de parkeerkencijfers van het kennisinstituut CROW voor de berekening van de parkeerbehoefte van een project. In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunt dat dat in dit geval niet mag. Daarbij overweegt de rechtbank dat met die parkeerkencijfers rekening is gehouden met de parkeerbehoefte als gevolg van bezoek van derden.
9.5.
Het project voorziet in 24 appartementen. Deze appartementen hebben een oppervlakte van ongeveer 50 m2. Het college gaat hiervoor uit van een parkeerbehoefte van 29 parkeerplaatsen. In het bestreden besluit hanteert het college een norm van 1,2 parkeerplaatsen per appartement. Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat dit zowel valt binnen de bandbreedte van de kencijfers van de CROW uit 2018 [12] als de kencijfers uit 2024 [13] . Het college heeft verder toegelicht dat de normering van 1,2 is gebaseerd op de doelgroep, de locatie van de appartementen en praktijkervaring waaruit blijkt dat 1,2 parkeerplaats voldoende is. Eisers hebben dit niet inhoudelijk betwist. De rechtbank constateert dat met het bestreden besluit nog is uitgegaan van de kencijfers van 2018, maar ziet geen aanleiding om daaraan gevolgen te verbinden, gelet op de toelichting van het college dat de gehanteerde norm ook past binnen de kencijfers van 2024 die kenbaar waren ten tijde van het bestreden besluit. De rechtbank ziet ook overigens geen grond voor het oordeel dat het college niet van een parkeerbehoefte van 1,2 parkeerplaats per appartement heeft mogen uitgaan. Nu sprake is van 24 appartementen heeft het college terecht vastgesteld dat het project een parkeerbehoefte van 29 parkeerplekken kent.
9.6.
Uit de bij de aanvraag horende stukken volgt dat met het project wordt voorzien in 29 parkeerplekken. De parkeerplaatsen worden voor het grootste gedeelte gerealiseerd op het perceel met de bestemming ‘Detailhandel’. Dat is het perceel van vergunninghoudster. Een deel van de parkeerplaatsen is daar al aanwezig. Deze aanwezige parkeerplaatsen waren bestemd (feitelijk en planologisch) voor de op het perceel aanwezige (detailhandel)bedrijven. De rechtbank volgt het college dat deze parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het eigen terrein dat bij het project hoort. Dat deze parkeerplaatsen voor een klein deel op gemeentegrond liggen en dat de gerealiseerde plaatsen enige tijd zijn gebruikt door derden, doet daar in dit geval niet aan af.
9.7.
Tot slot leidt het betoog van eisers dat er een bestaand parkeerprobleem is niet tot een ander oordeel. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij het beoordelen van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid een bestaand tekort buiten beschouwing wordt gelaten. [14]
Waardedaling
10. Eiseres 2 en eiser 3 voeren aan dat het project leidt tot waardedaling van hun woningen.
10.1.
In de ‘nota zienswijzen en commentaar’ stelt het college dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat het project een negatieve invloed op de woningwaarde zal hebben. Het college wijst verder op de mogelijkheid van het indienen van een verzoek om planschade.
10.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat de eventueel nadelige invloed van het project op de waarde van de woningen van eiseres 2 en eiser 3, ziet de rechtbank in wat eiseres 2 en eiser 3 hebben aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat het college bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan de belangen die zijn gediend met het bestreden besluit. Bovendien wijst het college er terecht op dat voor het afhandelen van eventuele schade als gevolg van het plan een aparte procedure bestaat.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom de betaalde griffierechten niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:43
Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking wordt van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Aan een adviseur als bedoeld in
artikel 3:5 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2026-01-01)wordt in ieder geval mededeling gedaan indien van het advies wordt afgeweken.
Bij de mededeling van een besluit wordt tevens vermeld wanneer en hoe de bekendmaking ervan heeft plaatsgevonden.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
(…)
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
(…)
Crisis- en herstelwet
Artikel 1.1
1.
Afdeling 2 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0027431/2010-03-31/0)is van toepassing op:
a. alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in
bijlage I (https://wetten.overheid.nl/BWBR0027431/2010-03-31/0)bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in
bijlage II (https://wetten.overheid.nl/BWBR0027431/2010-03-31/0)bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten;
(…)
Bijlage bij Chw
3.1.
ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens
afdeling 3.1of
afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordeningten behoeve van de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden
Bestemmingsplan ‘Plancontourenplan De Westereen-east’
Artikel 9 Detailhandel Pro
1. Bestemmingsomschrijving
De voor ‘ detailhandel’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. gebouwen ten behoeve voor detailhandel, met dien verstande dat de gronden ter plaatse van de aanduiding “volumineuze detailhandel” uitsluitend zijn bestemd voor volumineuze detailhandel.
(…)
Met de daarbij behorende
f. parkeervoorzieningen;
(…)
2. Bouwregels
a. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:
1. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden geplaatst;
2. de goothoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan de in het bouwvlak aangegeven goothoogte;
3. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan de in het bouwvlak aangegeven bouwhoogte.
(…)
Plankaart

Voetnoten

1.Zie artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)_
2.Zie artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
3.Dit volgt uit artikel 4, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.Dat de Chw dan van toepassing is volgt uit artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Chw in samenhang met categorie 3, onder 3.1 van bijlage 1 van de Chw.
5.Dat volgt uit artikel 9, aanhef, en onder a en g, van de planregels.
6.Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo.
7.Op grond van artikel 2.12, eerste lid en onder a, onder 3º, van de Wabo.
8.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1633, r.o. 4.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3997, r.o. 4.1.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:717, r.o. 10.1.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2380, r.o. 3.2.
12.CROW Publicatie 381.
13.CROW Publicatie 744.
14.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3449, r.o. 3.3.