ECLI:NL:RBNNE:2026:2891

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/18/24/321 R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 352 FwArt. 356 FwArt. 358 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling en verlening schone lei ondanks hoge rekening-courantschuld

De rechtbank Noord-Nederland behandelde de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van een schuldenaar die een rekening-courantschuld van ruim €850.000,- had bij zijn eigen BV's en een belastingvordering van €128.700,- wegens naheffing inkomstenbelasting 2022. De bewindvoerder stelde dat deze schuld niet was vermeld bij toelating tot de WSNP en dat dit tot weigering van toelating had kunnen leiden.

Tijdens de zitting verklaarde de schuldenaar dat de schuld geleidelijk was ontstaan over 26 jaar bedrijfsvoering en dat hij geen inkomen had genoten. De rechtbank concludeerde dat het bestaan van de schuld en de belastingproblematiek bij toelating reeds bekend waren, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de toelatingszitting. De exacte omvang van de schuld en de vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst waren niet expliciet besproken, maar de rechtbank achtte het niet aannemelijk dat dit tot weigering van toelating had geleid.

De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van toerekenbare tekortkoming door de schuldenaar en dat er geen aanwijzingen waren voor kwade trouw of misleiding. De schone lei werd daarom verleend en de schuldsaneringsregeling zal van rechtswege eindigen zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden. Tevens werd het salaris van de bewindvoerder vastgesteld op €5.650,69.

Uitkomst: De rechtbank verleent de schone lei en beëindigt de schuldsaneringsregeling zonder tekortkoming van de schuldenaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/24/321 R

vonnis d.d. 26 juni 2026

in de schuldsaneringsregeling van:
[schuldenaar], geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen de schuldenaar.

PROCESGANG

Bij vonnis van deze rechtbank van 25 september 2024 is de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de schuldenaar, met benoeming van mevrouw F. Maatjes tot bewindvoerder.
Op 19 december 2025 is door de plaatsvervangend bewindvoerder, mr. J.H. Mastenbroek, schriftelijk verslag uitgebracht over de voortgang van de schuldsaneringsregeling.
De schuldenaar is vervolgens op 12 februari 2026, in bijzijn van de bewindvoerder, gehoord door de rechter-commissaris.
De rechter-commissaris heeft de rechtbank vervolgens voorgedragen om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.
Deze voordracht is behandeld ter zitting van 12 juni 2026, alwaar de schuldenaar is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. E.P. Groot. Namens de bewindvoerder is verschenen mr. J.H. Mastenbroek.

RECHTSOVERWEGINGEN

Nu de materiele looptijd van de schuldsaneringsregeling inmiddels is verstreken, zal de rechtbank de voordracht van de rechter-commissaris beschouwen als een voordracht tot beëindiging ex. artikel 352 Faillissementswet Pro.
De rechtbank dient te beoordelen of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Ingeval van een toerekenbare tekortkoming zal de rechtbank vervolgens beoordelen of dat tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling moet leiden onder onthouding van ‘de schone lei’.
Uit de verslagen van de bewindvoerder en het verhandelde ter zittingen is onder meer het volgende gebleken.
Na toelating tot de WSNP werd de bewindvoerder geconfronteerd met de indiening van een vordering door de Belastingdienst van € 128.700,00. Dit heeft betrekking op een naheffing IB 2022. Na onderzoek door de bewindvoerder bleek dat de schuldenaar een rekening-courant schuld heeft (in privé) bij zijn B.V.’s [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] van (oorspronkelijk) in totaal € 858.039,00. In november 2022 heeft de schuldenaar met de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst afgesloten, met daarin opgenomen dat de rekening-courant schuld zou worden teruggebracht tot maximaal € 509.765,00. Het meerdere zou bij wijze van dividenduitkering verrekend worden en daarover zou dan ook belasting afgedragen moeten worden. Dat is echter nimmer gebeurd. De schuldenaar heeft over 2022 aangifte IB gedaan, kort voor zijn toelating tot de WSNP. In deze aangifte is geen box 2 inkomen uit de twee BV’s van de schuldenaar vermeld. De Belastingdienst accepteerde deze aangifte niet, wat heeft geleid tot de vordering van € 128.700,00. De bewindvoerder heeft geconstateerd dat van deze schuld, die materieel nog niet was opgelegd maar wel ‘boven de markt hing’, in het verzoekschrift WSNP geen melding is gemaakt. De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat het hier om een schuld gaat waar de nodige vraagtekens bij gezet kunnen worden, en die mogelijk aan toelating tot de WNSP in de weg had gestaan als deze schuld toendertijd bekend was geweest.
Ter zitting heeft de schuldenaar aangegeven 26 jaar lang [café] in Groningen te hebben gerund. De schuldenaar is met niets begonnen en leende gelden in de wetenschap dat dit uiteindelijk terugbetaald zou moeten worden. De rekening-courant schuld van ruim € 850.000,00 is ook gedurende die 26 jaren ontstaan. De schuldenaar heeft verklaard verder over al die jaren geen inkomen te hebben gehad. Op de vraag waarom deze schuld niet in het verzoekschrift WSNP is vermeld kan de schuldenaar geen antwoord geven. De schuldenaar heeft aangegeven dat bij de toelatingszitting wel over de rekening-courant problematiek is gesproken, maar dat daar verder geen expliciet bedrag bij is genoemd. De schuldenaar heeft tenslotte nog verklaard altijd naar beste eer en geweten te hebben gehandeld.
De raadsman van de schuldenaar heeft ter zitting aangevoerd niet te kunnen herleiden of de (aanstaande) schuld van ruim € 128.000,00 bekend was bij toelating tot de WSNP. De raadsman heeft aangegeven wel op de hoogte te zijn dat er ‘gedonder’ was met de Belastingdienst. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om in haar oordeel de zogenaamde hardheidsclausule te betrekken, mocht de rechtbank oordelen dat er met betrekking tot het ontstaan en onbetaald laten van genoemde schuld van ruim € 128.000,00 sprake is geweest van kwade trouw. De schuldenaar heeft privé in 2017 een flinke klap te verduren gehad na het overlijden van zijn partner. De zakelijke kant van de onderneming, zoals de boekhouding, verliep daardoor ook niet goed.
De bewindvoerder heeft ter zitting aangevoerd dat nergens terug te vinden is dat er bij toelating tot de WSNP melding is gemaakt van de rekening-courant schuld. Ook van de eerdergenoemde vaststellingsovereenkomst was de bewindvoerder niets bekend. De bewindvoerder blijft bij zijn standpunt dat de vordering van de Belastingdienst van ruim € 128.000,00 niet te goeder trouw is ontstaan, en aan toelating in de weg had gestaan.
De rechtbank overweegt het volgende. Het proces-verbaal van de toelatingszitting van 19 september 2024 (de inhoud waarvan op de mondelinge behandeling aan partijen is voorgehouden) vermeldt dat destijds door schuldhulpverlener [schuldhulpverlener] namens [schuldenaar] het volgende is gezegd:

Ik wil naar graag een toelichting geven op de belastingschuld, met name op de vordering over 2021. [bedrijf 1] BV heeft een boekenonderzoek gehad van de belastingdienst over de jaren 2018 en 2019. De conclusie was dat de rekening- courantschuld te hoog was. Die moest naar beneden. In overleg met de financieel adviseur is dit in 2021 verwerkt als een verkapte dividenduitkering. Hij heeft dus niet daadwerkelijk geld gekregen, maar de rekening courant schuld is daarmee teruggebracht. Deze dividenduitkering heeft te gelden als inkomen en daarover moest de heer [schuldenaar] in box 2 25% belasting betalen. Dit heeft geleid tot een belastingschuld over 2021. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg gehad dat ook zijn toeslagen over 2021 zijn teruggevorderd.
Hieruit blijkt naar oordeel van de rechtbank dat op de toelatingszitting, zoals de schuldenaar ook heeft verklaard, wel degelijk over het bestaan van een rekening-courant schuld is gesproken, en ook is toegelicht dat de belastingdienst deze te hoog achtte en dat hier over 2021 via een verkapte dividenduitkering belasting over is geheven, terwijl die aanslag vervolgens niet is voldaan. Dit betekent dat het hier feiten en omstandigheden betreft die ten tijde van de toelating reeds bekend waren, en reeds daarom geen aanleiding kunnen zijn om de saneringsregeling tussentijds te beëindigen (HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:111).
Door de bewindvoerder is aangevoerd dat kennelijk niet is gesproken over de exacte omvang van de rekening-courantschuld en het feit dat de schuldenaar een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst heeft gesloten, waaruit volgde dat ook over 2022 belasting over een (verkapte) dividenduitkering zou worden geheven. Op zich is die constatering juist, maar de rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat, zouden deze feiten wel bekend zijn geweest, die aan toelating in de weg hadden gestaan. In de eerste plaats kan worden opgemerkt dat de rechtbank wist van het bestaan van een hoge schuld, en daarin geen aanleiding heeft gezien om toelating te weigeren. Niet aannemelijk is geworden dat dit anders zou zijn wanneer expliciet vermeld zou zijn dat deze ruim € 800.000,00 bedroeg. Het bestaan van een rekening-courant verhouding tussen een bestuurder en zijn vennootschap is als zodanig ook geen reden om toelating te weigeren, ook niet wanneer deze hoog is. [schuldenaar] heeft onbetwist toegelicht dat het hier een schuld betreft die gedurende 26 jaar geleidelijk is ontstaan als resultaat van zijn reguliere bedrijfsvoering, en feitelijk als zijn inkomen uit de vennootschap gold. Daarmee is ook nu niet aannemelijk geworden dat het hier een schuld te kwader trouw betreft. De afspraak die [schuldenaar] met de Belastingdienst heeft gemaakt over de IB 2022 is feitelijk gelijk aan de afspraak die hij over de IB 2021 had gemaakt, die de rechtbank bekend was. Waar de rechtbank in dat laatste geen reden zag om toelating te weigeren, valt niet goed in te zien waarom eenzelfde afspraak over IB 2022 dat wel zou moeten zijn. Dat het maken van een dergelijke afspraak tot een vordering te kwade trouw zou hebben geleid is ook overigens niet aannemelijk geworden. De rechtbank merkt hierbij op dat zij aanneemt dat [schuldenaar] feitelijk weinig keuze had, nu de Belastingdienst hoe dan ook met hem wilde ‘afrekenen’ over de hoge rekening-courantverhouding. De rechtbank ziet in al deze omstandigheden, onder andere gelet op de inhoud van het genoemde proces-verbaal, tot slot geen aanleiding om aan te nemen dat de schuldenaar bij toelating tot de WSNP willens en wetens de rechtbank heeft willen misleiden.
Daarmee blijft uiteraard staan dat de bewindvoerder tijdens de looptijd van de WSNP – voor hem – onverwacht is geconfronteerd met een hoge belastingaanslag, en dat het bestaan daarvan de nodige nadelige gevolgen heeft voor de schuldeisers. Hoe zuur ook voor hen, dat hoort bij het wettelijke systeem van de WSNP, en is als zodanig geen aanleiding voor een andere uitkomst.
Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding aan schuldenaar de ‘schone lei’ te onthouden.
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder vaststellen. De vergoeding voor de bewindvoerder is berekend op € 5.650,69 (inclusief onkosten en omzetbelasting).
Voor zover actief aanwezig is, kan de bewindvoerder de vergoeding als salaris opnemen. Voor zover de kosten van het griffierecht ad € 820,00 voor het deponeren van de slotuitdelingslijst niet uit de boedel kunnen worden voldaan, komen deze ten laste van de Staat.
Ingevolge artikel 356 lid 2 van Pro de Faillissementswet (Fw) zal de schuldsaneringsregeling van rechtswege geëindigd zijn, zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
Alsdan zijn de vorderingen die vallen onder de werking van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar krachtens artikel 358 lid 1 Fw Pro niet langer afdwingbaar.

BESLISSING

De rechtbank:
- verstaat dat de schuldsaneringsregeling van rechtswege zal zijn geëindigd zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden;
- stelt vast dat de schuldenaar niet is tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen;
- stelt het salaris voor de bewindvoerder, een en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezige actief tot een bedrag van maximaal € 5.650,69.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Huizinga en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.