ECLI:NL:RBNNE:2026:2934

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/18/258233 KG 26-296
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:15 BWArt. 2:35 lid 3 BWArt. 6:119 BWArt. 1022 RvArt. 1022a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter schorst ontzetting lidmaatschap IFKS wegens onduidelijkheden en gebrek aan hoor en wederhoor

Eiser, schipper en eigenaar van twee skûtsjes, werd door de vereniging IFKS ontzet uit het lidmaatschap vanwege vermeende schendingen van statuten en reglementen, waaronder onrechtmatige verbouwing van een skûtsje en intimidatie. Eiser verzocht in kort geding om opschorting van dit besluit, zodat hij kon deelnemen aan de aankomende zeilwedstrijden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het besluit tot ontzetting niet duidelijk gemotiveerd was en dat er geen hoor en wederhoor had plaatsgevonden, met name over de vermeende intimidatie en de mislukte arbitrageprocedure. Ook was onduidelijk welke regels precies waren overtreden en was de interne arbitragecommissie niet operationeel, waardoor een spoedige arbitrage niet mogelijk was.

De rechter stelde vast dat eiser een spoedeisend belang had bij opschorting van het besluit, mede vanwege het naderende wedstrijdseizoen. De vordering tot opschorting werd toegewezen, waardoor eiser zijn lidmaatschapsrechten binnen de vereniging kon blijven uitoefenen. Andere vorderingen, zoals rectificatie en dwangsom, werden afgewezen. IFKS werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het besluit tot ontzetting van eiser uit het lidmaatschap van IFKS is geschorst en eiser mag zijn lidmaatschapsrechten uitoefenen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/258233 / KG ZA 26-296
Vonnis in kort geding van 17 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J. Stikkelbroeck,
tegen
de vereniging
IEPEN FRYSKE KAMPIOENSKIPPEN SKÛTSJESILEN,
te Lemmer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: IFKS,
advocaat: mr. M.J. Oudman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de akte vermeerdering van eis
- de conclusie van antwoord
- de e-mail 2 juli 2026 van mr. Sikkelbroek met producties
- de mondelinge behandeling van 2 juli 2026 ter gelegenheid waarvan pleitnota’s zijn overgelegd

2.De zaak in het kort

In deze zaak draait het om de vraag of het besluit om [eiser] te ontzetten uit het lidmaatschap van IFKS opgeschort dient te worden. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend, omdat de redenen waarom tot ontzetting wordt overgegaan niet heel duidelijk zijn en er vraagtekens kunnen worden gezet bij de gang van zaken rondom het besluit tot uitsluiting van deelname en het besluit tot ontzetting.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is schipper en eigenaar van twee skûtsjes, te weten de “ [skûtsje 1] ” en de “ [skûtsje 2] ”.
3.2.
IFKS is een vereniging die sinds haar oprichting in 1982 zeilwedstrijden organiseert met skûtsjes, waaronder de IFKS Kampioenschappen die dit jaar worden gehouden in de eerste week van augustus.
3.3.
In de statuten van IFKS – laatst gewijzigd op 26 maart 2018 – is voor zover van belang het volgende bepaald:
BEËINDIGING LIDMAATSCHAP
Artikel 7
1. Het lidmaatschap eindigt:
(…)
d. door ontzetting.
(…)
4. Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging - of haar organen handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. De ontzetting geschiedt door het bestuur, dat het betrokken lid ten spoedigste van haar besluit, met opgave van redenen, in kennis stelt. De betrokkene is - bevoegd binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving in beroep te gaan bij de arbitragecommissie. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.
Artikel 16
(…)
2. De commissie technische zaken verricht de volgende werkzaamheden:a. het benoemen van een controlecommissie welke tot taak heeft:
- het keuren van de schepen (skûtsjes) aan de hand van de Omschrijving Scheepsuitrusting met het oog op toelating en deelname aan de door de vereniging georganiseerde wedstrijden.
- de controle van de schepen (skûtsjes) voor, tijdens en na de door de vereniging georganiseerde wedstrijden.
De controlecommissie wordt door de commissie uit haar midden benoemd. Schippers kunnen niet in de controlecommissie worden benoemd.
(…)
ARBITRAGECOMMISSIEArtikel 181. In het algemeen is strafbaar elk handelen of nalaten:a. dat in strijd is met de statuten en reglementen van de IFKS, de besluiten van één van haar organen, alsmede de door de algemene vergadering van toepassing verklaarde wedstrijdbepalingen;b. dat de belangen van de IFKS of van één van haar organen en van het skûtsjesilen in het algemeen schaadt;
2. a. In geval van overtreding van het bepaalde in lid 1 a. en b. zijn zowel de leden als alle bemanningsleden deelnemend aan de door de IFKS georganiseerde wedstrijden onderworpen aan de in artikel 19 genoemde Pro arbitragecommissie.b. Een dergelijk overtreding kan zowel door één der organen van de IFKS als door leden ter beoordeling aan de arbitragecommissie worden voorgelegd.
Artikel 19
1. De arbitragecommissie bestaat uit een oneven aantal doch tenminste drie leden die worden benoemd door de algemene ledenvergadering van de vereniging op voordracht van het bestuur van de vereniging. Overeenkomst het gestelde in artikel 13 lid 5 kunnen Pro dertig stemgerechtigde leden tot uiterlijk acht en veertig uur voor de ledenvergadering tegenkandidaten inleveren.
2. Naast de in artikel 18 lid 1 genoemde Pro gevallen beslist de arbitragecommissie bij uitsluiting van de burgerlijke rechter, in hoogste instantie over alle geschillen, waarbij het bestuur, de deelnemers, de leden, de organen of commissies partij zijn, over alle zaken waarvoor volgens de statuten haar advies vereist is, alsmede over alle zaken waarover geschillen bestaan en waarin de statuten niet voorzien. Overigens kunnen competentie, de bevoegdheden, de werkwijze en eventueel toe te passen sancties van de arbitragecommissie bij reglement worden geregeld. Dit reglement wordt op voorstel van het bestuur door de algemene ledenvergadering vastgesteld.
(…)”
3.4.
[eiser] is sinds enige tijd lid van IFKS en heeft sinds 2023 als schipper
meegevaren met door IFKS georganiseerde zeilwedstrijden. In 2026 zou [eiser] met de [skûtsje 1] uitkomen in de A-klasse.
3.5.
Eind 2025 heeft [eiser] de voorzitter van de Commissie Technische Zaken (CTZ), [voorzitter CTZ] (hierna: [voorzitter CTZ] ), om toetsing verzocht voor werkzaamheden aan het skûtsje [skûtsje 1] .
3.6.
Op woensdag 3 december 2025 bracht [voorzitter CTZ] een bezoek aan de
ligplaats voor een inspectie van de [skûtsje 1] en het afstemmen van de voorgenomen
werkzaamheden. Na afloop van dat bezoek heeft [eiser] per e-mail bevestigd wat er met [voorzitter CTZ] is afgestemd en besproken:
“Hoi [voorzitter CTZ] ,
Dan voor je bezoek aan het "verre" Jirnsum. Hieronder heb ik getracht de
akkoord bevonden punten nog even op te sommen - geef jij je akkoord (als dit natuurlijk
ook wat jou betreft zo besproken is)
• dekken vervangen (zijn te dun - met strafgewicht)
[voorzitter CTZ] : akkoord
• verstevigingen toepassen om het schip stijver te maken
[voorzitter CTZ] : akkoord
• Misschien ontknikken - (vrees een beetje dat het schip in het verleden iets teveel is
geknikt)
[voorzitter CTZ] : akkoord
• Iets smallere en lagere roef (onze zwaarden mannen kunnen bijna niet zitten in het
gangboord (nu ± 43) naar 48cm (veiligheid)
[voorzitter CTZ] : akkoord - maximaal 10 cm aan elke zijde
• slechte plekken in het vlak, kimmen, kattesporen en spanten vervangen (zitten
gaten in en zijn nu dun)
[voorzitter CTZ] :akkoord - zorg wel voor goede expertise of dat echt helpt - kan kostbare klus zijn
Daarnaast hebben we nog over een aantal andere zaken gehad:
- derde handje voor onderlijk --> [voorzitter CTZ] : akkoord
- roefschot en voorschot om schip "waterdicht te maken bij omgaan: [voorzitter CTZ] :geen
akkoord nodig, maar slim
- Trapjes voor veiligheid en om in de zomer ruim te gebruiken met gasten. [voorzitter CTZ] :
akkoord
- bij late levering zeil en te late inschrijving van nieuwe zeilen (molenaar) voor IFKS
zonder straf: [voorzitter CTZ] : akkoord.
Dit was hem volgens mij. Ik ga hier eens goed overleggen :-). Groet, [eiser] ”
3.7.
[voorzitter CTZ] heeft daarbij e-mail van 7 december 2025 op gereageerd met:
“ [eiser] .
Akkoord
[voorzitter CTZ] ”
3.8.
Op 9 december 2025 heeft [eiser] aan [voorzitter CTZ] via Whatsapp vier afbeeldingen gezonden van de [skûtsje 1] waarin is aangegeven welke delen van de romp worden vervangen met de tekst:
“moguh [voorzitter CTZ] - even ter info - dit is zeg maar worst case scenario - waar we ook
vlakplaten vervangen. We gaan nu eerst beginnen met het dek. Groet, [eiser] ”
3.9.
Daarop reageerde [voorzitter CTZ] met:
’Succes! Gave Scan!”
3.10.
Op 1 februari 2026 werd het bestuur van IFKS via een e-mail van een 36-tal schippers geïnformeerd over het volgens hen op ondeugdelijke wijze demonteren van skûtsje [skûtsje 1] .
3.11.
Het bestuur van IFKS heeft vervolgens [eiser] verzocht om de werkzaamheden direct stil te leggen en heeft de CTZ verzocht om op locatie een inspectie uit te voeren. De controle is op woensdag 4 februari 2026 uitgevoerd. In haar rapport van 8 februari 2026 concludeert de CTZ dat wanneer [eiser] een plan tot verbouwing had ingediend waarin gedetailleerd omschreven stond wat er nu aan werkzaamheden is uitgevoerd de CTZ dit plan zou hebben afgekeurd. De CTZ is van mening dat het skûtsje [skûtsje 1] onrechtmatig is verbouwd en er niet wordt voldaan aan de Omschrijving Scheepsuitrusting.
3.12.
Het bestuur van IFKS heeft vervolgens besloten om het skûtsje [skûtsje 1] uit te sluiten van deelname.
3.13.
[eiser] heeft op 27 februari 2026 het skûtsje [skûtsje 2] ingeschreven. De inschrijving is op 1 maart 2026 door [voorzitter CTZ] bevestigd en na keuring op 2 maart 2026 is door [voorzitter CTZ] per e-mail bericht dat het skûtsje is goedgekeurd voor deelname aan IFKS wedstrijden.
3.14.
[eiser] heeft richting het bestuur van IFKS aangegeven dat hij, conform de statuten, zijn geschil met de CTZ ten aanzien van de inhoud van het rapport van de CTZ over de verbouwing van de [skûtsje 1] wenst voor te leggen aan een arbitragecommissie.
3.15.
Het bestuur van IFKS heeft voor de algemene ledenvergadering (ALV) van 27 maart 2026 kandidaat-leden voorgedragen voor de (ad hoc) arbitragecommissie.
3.16.
Twee dagen voor de ALV is als extra agendapunt toegevoegd de ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van de IFKS op basis van artikel 7.4. van de statuten, naar aanleiding van een brief van een dertigtal leden van IFKS.
3.17.
Op de ALV van 27 maart 2026 hebben de leden met de voorgedragen arbitrageleden ingestemd. Verder heeft tijdens de ALV een ‘peiling’ plaatsgevonden over de ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap.
3.18.
Bij e-mailbericht van 20 mei 2026 heeft de voorzitter van de (ad hoc) arbitragecommissie, de heer [voorzitter arbitragecommissie] , IFKS en [eiser] bericht dat de arbitragecommissie heeft besloten de opdracht terug te geven, omdat [eiser] en IFKS niet tot een gezamenlijke opdracht hebben kunnen komen doordat zij het niet eens konden worden over een gezamenlijke vragenlijst.
3.19.
IFKS heeft daarna, ook op 20 mei 2026, het besluit genomen om [eiser] voor een periode van 5 jaar te ontzetten uit het lidmaatschap. [eiser] is daarvan bij e-mail van 2026 in kennis gesteld.
3.20.
Tegen dit besluit heeft [eiser] middels zijn advocaat bij brief van op 11 juni 2026 beroep ingesteld. IFKS is in deze brief verzocht zich uit te laten over de vraag hoe zij de interne beroepsprocedure voor zich ziet, nu er geen vaste arbitragecommissie bestaat en de ad hoc commissie zijn werk heeft neergelegd.
3.21.
De ALV is bijeengeroepen voor 10 juli 2026. Op de agenda staan de benoeming van een drietal voorgestelde kandidaat-leden als arbitragecommissie en een voorstel voor een arbitragereglement ter vaststelling door de leden.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat - na vermeerdering van eis dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. het besluit van het bestuur van IFKS van 20 mei 2026 strekkende tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van IFKS, althans de gevolgen daarvan, opschort;
II. IFKS gebiedt dat zij [eiser] ongehinderd al zijn lidmaatschapsrechten zal laten uitoefenen, waaronder uitdrukkelijk het toelaten van [eiser] als schipper tot deelname aan IFKS-wedstrijden en daartoe onvoorwaardelijk volledige medewerking zal verlenen en tijdig alle handelingen zal verrichten die nodig zijn voor toelating en deelname aan wedstrijden door [eiser] als schipper met het skûtsje de [skûtsje 2] ;
III. IFKS gebiedt om binnen 2 dagen na het in deze te wijzen vonnis een rectificatie te publiceren op de website van IFKS en te verspreiden onder al haar leden, bestaande uit de integrale tekst van het in dit kort geding te wijzen vonnis, al dan niet voorzien van een door de voorzieningenrechter bepaalde begeleidende tekst;
IV. IFKS (en haar bestuur) verbiedt negatieve of onjuiste mededelingen over [eiser] te doen, op haar website, in berichtgeving onder haar leden, tijdens vergaderingen of publiekelijk in de media;
V. IFKS gebiedt om de benoeming van de arbitragecommissie en/of de beoordeling door de arbitragecommissie van zaken die betrekking hebben op dit geschil met [eiser] , op te schorten;
VI. de duur van deze voorzieningen bepaalt gelijk aan tenminste de duur van de procedure strekkende tot het bevelen van de voorlopige bewijsverrichtingen, zolang die bewijsverrichtingen worden verricht en zolang nog niet is beslist over de door [eiser] in te stellen bodemprocedure over de nietigheid of vernietiging van besluit tot uitsluiting van deelname door de [skûtsje 1] en het royementsbesluit;
VII. IFKS veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat IFKS in gebreke blijft aan het onder I t/m VI gevorderde te voldoen met een maximum van € 500.000,-;
VIII. IFKS veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
4.2.
IFKS voert verweer. IFKS concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

De voorzieningenrechter is bevoegd om van het geschil kennis te nemen
5.1.
IFKS voert als meest verstrekkend verweer dat de civiele rechter volgens artikel 1022c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikelen 7 lid 4 en 19 lid 2 van de statuten onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen. IFKS stelt zich op het standpunt dat [eiser] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in dit kort geding vanwege het feit dat hij op grond van de statuten zelf gevraagd heeft om arbitrage en gehouden is om middels een interne arbitrageprocedure beroep in te stellen tegen het besluit tot ontzetting uit zijn lidmaatschap. Door het aantekenen van beroep en aanvragen van arbitrage wordt volgens de statuten afgezien van een beroep op de burgerlijke rechter, aldus IFKS.
5.2.
Ten aanzien van dit onbevoegdheidsverweer overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Op grond van artikel 1022 Rv Pro moet de rechter, bij wie een geschil aanhangig is gemaakt waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, zich onbevoegd verklaren als een partij zich voor alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is. Een overeenkomst tot arbitrage belet echter niet dat een partij zich, zoals in dit geval, wendt tot de rechter in kort geding om een onmiddellijke voorziening bij voorraad als bedoeld in artikel 254 Rv Pro te verkrijgen (artikel 1022a Rv). De voorzieningenrechter verklaart zich evenwel uitsluitend bevoegd als de gevraagde beslissing niet of niet tijdig in arbitrage kan worden gekregen (artikel 1022c Rv).
5.3.
Mede gelet op de historie van partijen, waarin een eerdere poging tot arbitrage is mislukt, is onvoldoende aannemelijk geworden dat de door [eiser] gevraagde voorziening tijdig in arbitrage kan worden verkregen. IFKS beschikt op het moment van het aanhangig maken en de behandeling van de verzoeken in dit kort geding namelijk niet over een arbitragereglement met de mogelijkheid tot een spoedprocedure. [eiser] heeft wel beroep ingesteld tegen het besluit tot ontzetting en dit beroep dient volgens artikel 7 lid 4 van Pro de statuten te worden ingesteld bij de arbitragecommissie, maar op dit moment is er geen arbitragecommissie en geen reglement, en staat het dientengevolge ook niet vast dat het beroep daadwerkelijk behandeld zal worden. Weliswaar is er op 10 juli 2026 een ALV uitgeroepen waarbij de benoeming van een nieuwe arbitragecommissie en de vaststelling van een arbitragereglement is geagendeerd, maar dat is onvoldoende om, bij de behandeling van deze zaak door de voorzieningenrechter, aan te kunnen nemen dat een met voldoende waarborgen omklede arbitrageprocedure openstaat of zal openstaan waarbinnen tijdig een beslissing op de door [eiser] gevraagde voorziening kan worden verkregen. In dat kader is ook van belang dat partijen eerder hebben getracht hun geschil over het besluit tot uitsluiting van deelname van het skûtsje [skûtsje 1] door een arbitragecommissie te laten beslechten, en dat deze arbitragecommissie zich heeft terug getrokken. Naar de voorzieningenrechter begrijpt was dat omdat zij kennelijk een gezamenlijke vraagstelling van [eiser] en IFKS eiste en [eiser] en IFKS daarover geen overeenstemming konden bereiken. Wat er ook zij van die reden, duidelijk is dat arbitrage onder een dergelijke voorwaarde niet een voorspelbare en robuuste route is gebleken. [eiser] heeft – zoals hierna zal blijken – een spoedeisend belang bij zijn vordering, die hij onder de gegeven omstandigheden het snelst in dit kort geding behandeld kon krijgen. De voorzieningenrechter zal zich dan ook bevoegd verklaren om van deze vordering kennis te nemen.
[eiser] heeft een spoedeisend belang
5.4.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering. Het betreft immers het verzoek tot opschorting van het besluit tot ontzetting van het lidmaatschap met als doel als lid deel te kunnen nemen aan de IFKS Kampioenschappen in de eerste week van augustus 2026 met het skûtsje [skûtsje 2] .
Moet het besluit tot ontzetting worden opgeschort?
5.5.
De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van de verzochte voorzieningen het recht van vereniging voorop. De burgerlijke rechter dient zich daarom terughoudend op te stellen. Daarbij gaat de voorzieningenrechter uit van de goede bedoelingen van beide partijen in het kader van de vereniging.
5.6.
Kern van het geschil is of het besluit van 20 mei 2026 van IFKS om [eiser] te ontzetten uit zijn lidmaatschap in stand kan blijven dan wel dat dit besluit nietig of vernietigbaar is. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de ontzetting een zwaar middel is om een lidmaatschap van een vereniging te beëindigen. Ontzetting uit het lidmaatschap is een bestraffende vorm van opzegging en kan volgens artikel 2:35 lid 3 BW Pro alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt, of wanneer een lid de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.
5.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de redenen waarom en de wijze waarop tot ontzetting is overgegaan niet heel duidelijk en met voldoende waarborgen omkleed zodat ernstig moet worden afgevraagd of dit geen disproportionele actie is. Dat wordt hierna toegelicht.
5.8.
In het e-mailbericht van 20 mei 2026 waarin het besluit tot ontzetting aan [eiser] is medegedeeld zijn de redenen daartoe geformuleerd. Die zijn vierledig en luiden kort gezegd:
1.
Skûtsje en cultuur historie: [eiser] heeft moedwillig een prachtig wedstrijdskûtsje gedemonteerd en delen daarvan vernietigd.
2.
Omschrijving Scheepsuitrusting: [eiser] heeft niet de vereiste omschrijving en planning aangeleverd. Het bijna volledig vervangen van het middenschip en niet meer kunnen vaststellen of het oorspronkelijke ontwerp en lijnenplan is behouden getuigt van minachting voor de in verenigingsverband afgesproken regels. Het uitvoeren van niet-toegestane werkzaamheden schaadt fair en veilige wedstrijdvaren.
3.
Arbitrage: [eiser] is, ondanks verzoek van de AC en voorstellen van de IFKS-voorzitter niet bereid gebleken tot het opstellen van een gezamenlijke opdracht en gezamenlijke vragenlijst.
4.
Intimidatie: [eiser] heeft intimiderend gedrag vertoond door tijdens de inspectie te eisen dat ter plekke een besluit zou worden genomen, door te eisen dat een brief zou worden ondertekend waarin stond dat de CTZ geen onregelmatigheden had geconstateerd en door bestuurslid [bestuurslid] intimiderend toe te spreken. Daarnaast heeft een bemanningslid van [skûtsje 1] tijdens de peiling op de ALV de IFKS-voorzitter intimiderend toegesproken.
Er is geen hoor en wederhoor toegepast
5.9.
Omdat ontzetting uit het lidmaatschap van een vereniging een ingrijpend besluit is mag van het orgaan dat die beslissing neemt worden verwacht dat dat het daartoe niet overgaat zonder de zienswijze van het lid waar het om gaat in de besluitvorming te betrekken (Hof Amsterdam 8 juni 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1749). Niet gebleken is dat er hoor en wederhoor is toegepast. In ieder geval wat betreft de gemaakte verwijten van de mislukte arbitrage en intimidatie is niet gebleken dat [eiser] daarover door het bestuur is gehoord. Nadat de arbitrage is mislukt is direct overgegaan tot ontzetting uit het lidmaatschap. Wat betreft de verwijten omtrent het in strijd handelen met de Omschrijving Scheepsuitrusting kan de mogelijkheid van [eiser] om tijdens de ALV op 27 maart 2026 het woord te voeren over het toegevoegde agendapunt met betrekking tot de door een aantal leden gewenste ontzetting uit zijn lidmaatschap niet worden aangemerkt als een deugdelijke mogelijkheid tot hoor en wederhoor, te meer nu IFKS heeft geweigerd de door [eiser] opgestelde reactie op het verzoek om zijn ontzetting uit het lidmaatschap voor de ALV onder de leden te verspreiden.
Het is onduidelijk welke regels [eiser] precies heeft geschonden of hoe hij IFKS op onredelijke wijze heeft benadeeld
5.10.
Uit het besluit tot ontzetting blijkt niet duidelijk met welke bepalingen in de statuten, reglement of besluiten van IFKS [eiser] in strijd heeft gehandeld of de IFKS op onredelijke wijze heeft benadeeld. Onduidelijk is wat wordt bedoeld met het handelen in strijd met de cultuur historie. Wat betreft het verwijt dat [eiser] zich bij de verbouwing van de [skûtsje 1] niet heeft gehouden aan de Omschrijving Scheepsuitrusting overweegt de voorzieningenrechter dat [eiser] mocht vertrouwen op de uitlatingen van de voorzitter van de CTZ. Het had op de weg van de voorzitter van de CTZ gelegen om (voorafgaand aan het besluit tot ontzetting) aan te geven dat [eiser] meer informatie diende te verstrekken over de werkzaamheden en de planning indien de door hem verstrekte informatie niet voldoende was. Voor zover [eiser] met de verbouwing van het skûtsje [skûtsje 1] al in strijd heeft gehandeld met de Omschrijving Scheepsuitrusting, is niet gebleken dat met [eiser] is besproken wat hij moest doen om daaraan alsnog te kunnen voldoen en evenmin dat zijn handelen tot ontzetting van het lidmaatschap zou kunnen leiden. Daarbij bestaat er onduidelijkheid over de vraag welke werkzaamheden [eiser] in strijd met de met [voorzitter CTZ] gemaakte afspraken heeft verricht.
Doordat arbitrage ten aanzien van het rapport van de CTZ en het daarop gebaseerde besluit tot uitsluiting van deelname uiteindelijk niet heeft plaats gevonden, is [eiser] de mogelijkheid ontnomen om de deugdelijkheid daarvan te laten toetsen vóórdat tot ontzetting van het lidmaatschap werd overgegaan.
[eiser] is niet aangesproken op intimiderend gedrag
5.11.
Niet gebleken is dat [eiser] op enig moment is aangesproken op intimiderend gedrag. Daarnaast kan het eisen van het nemen van een besluit en van het ondertekenen van een verklaring op zichzelf nog niet als intimiderend gedrag worden aangemerkt, evenmin als een dringend verzoek om de werkplaats te verlaten. Voorts is onduidelijk waarom het gedrag van een bemanningslid van [skûtsje 1] maakt dat [eiser] zich intimiderend zou hebben gedragen.
[eiser] kan geen verwijt worden gemaakt van de mislukte arbitrage
5.12.
Wat betreft de mislukte arbitrage kan, anders dan IFKS betoogt, [eiser] geen verwijt worden gemaakt. Om onduidelijke redenen heeft de arbitragecommissie zich op het standpunt gesteld dat partijen met een gezamenlijke vraagstelling dienden te komen, terwijl IFKS niet beschikt over een arbitragereglement en dit niet door artikel 19 lid 2 van Pro de statuten wordt voorgeschreven. Daarnaast blijkt uit het bericht van de arbitragecommissie waarin wordt aangegeven dat de opdracht wordt teruggegeven ook niet dat het volgens de arbitragecommissie aan [eiser] lag dat partijen geen overeenstemming konden bereiken over de vraagstelling.
Er kunnen vraagtekens worden gezet bij de gang van zaken rondom het besluit tot uitsluiting van deelname en het besluit tot ontzetting
5.13.
Daar komt bij dat er vraagtekens kunnen worden gezet bij de gang van zaken rondom het besluit tot uitsluiting van deelname en het besluit tot ontzetting. Zo is de procedure tot inspectie door de CTZ ingesteld naar aanleiding van een tip van een aantal schippers en heeft vervolgens één van de tipgevers deelgenomen in de controlecommissie, terwijl schippers bovendien geen deel mogen uit maken van de controlecommissie volgens artikel 16 van Pro de statuten. Daarnaast heeft er tijdens de ALV op 27 maart 2026 bij wijze van ‘peiling’ een stemming plaatsgevonden over de door een aantal leden gewenste ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap, terwijl dit besluit, op grond van artikel 7 lid 4 van Pro de statuten, is voorbehouden aan het bestuur en andere leden belang kunnen hebben bij de ontzetting doordat daarmee een concurrent kan worden uitgeschakeld.
Het besluit tot ontzetting zal worden opgeschort
5.14.
De hele gang van zaken en onduidelijkheden die er nog steeds zijn over wat er wel en niet zou zijn toegestaan, maken dat nu niet binnen het kader van een kort geding geoordeeld kan worden dat ontzetting van het lidmaatschap een logische en passende maatregel was. Dit leidt tot de conclusie dat IFKS naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet tot het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap had kunnen komen. Dit brengt mee dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter of arbitragecommissie zal oordelen dat dit besluit vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 BW Pro, zodat de voorzieningenrechter de gevolgen van dit besluit zal opschorten, gelet op het belang van [eiser] om als lid zijn rechten uit te kunnen oefenen binnen de vereniging gedurende het komende wedstrijdseizoen. Het onder I gevorderde zal worden toegewezen op de wijze als na te melden.
5.15.
Als gevolg van de opschorting van de gevolgen van het besluit tot ontzetting zal [eiser] al zijn rechten als lid weer kunnen uitoefenen. De voorzieningenrechter zal de vordering [eiser] ongehinderd zijn lidmaatschapsrechten te laten uitoefenen toewijzen binnen de in de vereniging geldende kaders. De vordering volledige medewerking te verlenen en tijdig alle handelingen te verrichten die nodig zijn voor toelating en deelname aan wedstrijden is niet toewijsbaar. Daarbij gaat het namelijk om zaken die mogelijkerwijs buiten de invloedssfeer van IFKS liggen terwijl niemand kan worden gedwongen tot het onmogelijke.
De vordering tot rectificatie wordt afgewezen
5.16.
De vordering van [eiser] tot rectificatie zal worden afgewezen. Zowel de inhoud van de rectificatie als het belang daarvan is onvoldoende onderbouwd. Zolang in de bodemprocedure niet is beslist, bestaat daarnaast onvoldoende aanleiding om te oordelen dat het handelen van IFKS dermate onrechtmatig zou zijn geweest dat de gevorderde rectificatie onder haar leden verspreid moet worden. De voorzieningenrechter gaat er voorts van uit dat IFKS op haar website een bericht zal plaatsen dat het eerder, eveneens gepubliceerde, besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap door de voorzieningenrechter is opgeschort.
5.17.
Wel zal de voorzieningenrechter IFKS verbieden niet onderbouwde mededelingen over [eiser] te doen. Een verbod tot negatieve uitlatingen of onjuiste mededelingen, zoals door [eiser] gevorderd, acht de voorzieningenrechter onvoldoende specifiek.
De arbitrageprocedure wordt niet opgeschort
5.18.
Gelet op het feit dat [eiser] zelf op grond van de statuten heeft aangegeven dat hij het besluit tot ontzetting in beroep wenst voor te leggen aan de arbitragecommissie en IFKS naar aanleiding daarvan de benoeming van een arbitragecommissie heeft geagendeerd voor de ALV op 10 juli 2026, zal de door [eiser] gevorderde opschorting van de benoeming en beoordeling door de arbitragecommissie worden afgewezen.
De voorzieningen gelden zolang er niet in een andere (bodem)procedure anders is beslist
5.19.
Anders dan verzocht zal de voorzieningenrechter bepalen dat deze voorzieningen gelden zolang er in een andere (bodem)procedure niet anders is beslist. Niet valt uit te sluiten dat het verzoek tot voorlopige bewijsverrichtingen zal worden afgewezen, waarbij dit vonnis dan direct kracht zou verliezen. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat tijdens de algemene ledenvergadering op 10 juli 2026 alsnog een arbitragereglement wordt vastgesteld, er een nieuwe arbitragecommissie wordt benoemd en deze op het beroep van [eiser] tegen het besluit tot ontzetting zal beslissen.
5.20.
De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen nu deze vordering te onbepaald is. Bovendien heeft IFKS aangegeven dat een dwangsom niet nodig is. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat IFKS de veroordelingen in dit vonnis zal naleven. Bovendien past een dwangsom niet binnen het verenigingsverband, zoals door IFKS is aangevoerd.
IFKS moet de proceskosten van [eiser] betalen
5.21.
IFKS is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,02
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.862,02.
5.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
schort op het besluit van het bestuur van IFKS van 20 mei 2026 strekkende tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van IFKS, althans de gevolgen daarvan;
6.2.
gebiedt IFKS [eiser] ongehinderd binnen de vereniging geldende kaders toe te laten al zijn lidmaatschapsrechten uit te oefenen;
6.3.
verbiedt IFKS (en haar bestuur) niet onderbouwde mededelingen over [eiser] te doen, op haar website, in berichtgeving onder haar leden, tijdens vergaderingen of publiekelijk in de media;
6.4.
bepaalt de duur van deze voorzieningen zolang er niet in een andere (bodem)procedure anders is beslist;
6.5.
veroordeelt IFKS in de proceskosten van € 1.862,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als IFKS niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt IFKS tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.
1157