ECLI:NL:RBNNE:2026:2935

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
24/1695
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:177a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding mijnbouwschade gevelplaten hotel Groningen

Eiseres, eigenaar van een hotelpand in Groningen, vordert vergoeding van schade aan gevelplaten die zij toeschrijft aan mijnbouwactiviteiten. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) heeft de aanvraag afgewezen omdat deskundigen concludeerden dat de schade het gevolg is van veroudering en weersinvloeden, niet van bodembeweging door mijnbouw.

De rechtbank beoordeelt of het bewijsvermoeden dat schade door mijnbouw is veroorzaakt, is weerlegd. Deskundigen van 10BE stelden vast dat scheuren en het loskomen van gevelplaten veroorzaakt zijn door thermische vervormingen en verouderde bevestigingsconstructies. Trillingen door mijnbouwactiviteiten zijn volgens hen niet van invloed geweest.

Eiseres betwist dit en stelt dat de gevel als gevoelig bouwwerk moet worden aangemerkt, waardoor een lagere grenswaarde voor trillingen geldt. De rechtbank oordeelt echter dat de gevelplaten geen onderdeel zijn van de bouwkundige constructie en dat de juiste grenswaarde van 8,5 mm/s is toegepast. De gemeten trillingssnelheid bleef onder deze grenswaarde.

De rechtbank concludeert dat het bewijsvermoeden is weerlegd en dat de schade niet aan mijnbouwactiviteiten kan worden toegeschreven. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen vergoeding of proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bewijsvermoeden is weerlegd en de schade niet door mijnbouwactiviteiten is veroorzaakt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/1695

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

Steengoed B.V., uit Groningen, eiseres

(gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede),
en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut

(gemachtigden: mrs. S.C. Goldbohm en B.C. Rots).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om vergoeding van schade door mijnbouwactiviteiten. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut erin is geslaagd het bewijsvermoeden te weerleggen en de aanvraag daarom mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en verloop van de procedure

2. Eiseres is eigenaar van het pand aan de Radesingel 50 in Groningen. Het pand is omstreeks 1960 gebouwd en is momenteel in gebruik als hotel. Eiseres heeft op 26 maart 2021 een aanvraag heeft een aanvraag ingediend voor vergoeding van schade door mijnbouwactiviteiten aan het pand. Ook is op 26 maart 2021 een melding bij het Instituut gedaan van een Acuut Onveilige Situatie (AOS) in verband met losgekomen gevelplaten. Op 14 mei 2021 heeft het Instituut de AOS gegrond verklaard.
2.1.
Op 23 juni 2021 heeft er een schade-opname plaatsgevonden door een deskundige van 10BE, waarvan op 29 juli 2021 een schaderapport is opgemaakt. Geadviseerd wordt om geen schadevergoeding uit te keren omdat de schades niet gerelateerd zijn aan mijnbouwactiviteiten. In haar zienswijze brengt eiseres, onder vermelding van contra-expertise rapport Hagemann, naar voren dat trillingen als gevolg van mijnbouwactiviteiten wel degelijk de oorzaak van de schades kunnen zijn. In het herzien adviesrapport van 10BE van 30 november 2021 blijft de deskundige bij zijn eerdere beoordeling.
2.2.
Het Instituut heeft met het besluit van 8 december 2021 de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Op 5 februari 2025 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Daarbij is afgesproken dat eiseres een nader deskundigenrapport indient en het Instituut een verweerschrift opstelt.
2.5.
In het nader advies van 10BE van 22 mei 2025 bij het verweerschrift worden de oorzaken van de schades als volgt omschreven.

Oorzaak scheurvorming schade Groep 1: Scheurvorming in gevelplaten

De schades van groep 1 zijn ontstaan door opgelegde vervormingen. De natuurstenen gevelplaten zijn niet in staat om deze opgelegde vervorming op te vangen waardoor de scheurvorming ontstaat. De opgelegde vervormingen zijn een gevolg van thermische werking van de gevelplaten. De werking wordt verhinderd door de achterliggende zwaluwstaartvormige bevestigings-blokjes van beton. Deze verhinderen dat de gevelplaat kan uitzetten/krimpen als gevolg van temperatuurwisselingen waardoor de gevelplaat scheurt.

Oorzaak scheurvorming schade Groep 2: Afgevallen gevelplaten

De schades van groep 2 zijn ontstaan door degeneratie van de gekozen bevestigingswijze van de gevelplaten aan de achterliggende constructie. Door wisselende krachten veroorzaakt door opgelegde vervormingen (inwerking vocht en omgevingstemperaturen) is de bevestigingsconstructie als gevolg van klimatologische omstandigheden in kwaliteit afgenomen en is uiteindelijk afgebroken. Het gevolg is dat de (gescheurde/gebroken) platen door windzuiging van de gevel zijn getrokken. Al eerder (1964) zijn er gevelplaten los gekomen en gevallen.

Oorzaak scheurvorming schade Groep 3: Gescheurd voegwerk

De oorzaak van de scheurvorming is het gevolg van optredende spanningen door onvoldoende weerstand tegen optredende vervormingen (groepen 1 en 2) en het verouderen/verweren van de toegepaste voegmortel.

2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de vertegenwoordigers van Steengoed B.V., de gemachtigde van eiseres, deskundigen J. Meester en R. Braam van Adviesbureau Hageman, en de gemachtigden van het Instituut, technisch adviseur H.G. Stuit en deskundigen M.J. Ottevanger en M.F.A. Derkink van 10BE.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat het geschil over?
3. Er is een tweetal geschilpunten tussen partijen, namelijk (1) of er een evidente, autonome en uitsluitende oorzaak is gegeven voor de schades, en (2) of er sprake is van een gevoelig gebouw, waardoor een lagere grenswaarde moet worden toegepast.
Wat is het toetsingskader?
4. Niet in geschil is dat het bewijsvermoeden [1] van toepassing is op de schades aan het pand van eiseres. Op grond van het bewijsvermoeden wordt vermoed, bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg zou kunnen zijn, dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.
4.1.
Volgens de vaste werkwijze acht het Instituut het bewijsvermoeden weerlegd als het aan de hand van een adviesrapport aantoont dat de schade is te herleiden tot een evidente en autonome oorzaak, waarvan (met een hoge mate van zekerheid) aannemelijk is dat die bodembeweging als (mede)oorzaak van die schade uitsluit. Deze werkwijze is aanvaardbaar geacht. [2]
4.2.
In het kader van de vergewisplicht toetst het Instituut aan de hand van welke feiten de ingeschakelde deskundige tot de conclusie is gekomen dat er met een voldoende hoge mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak voor de schade is aan te wijzen. Het Instituut acht het bewijsvermoeden pas weerlegd als de deskundige een hoge mate van zekerheid heeft over de oorzaak van de door hem aangewezen schade, wat aansluit bij de bedoelingen van het Panel van deskundigen. Van de deskundige wordt niet gevergd dat hij met 100% zekerheid kan uitsluiten dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. [3]
4.3.
Als de deskundige heeft geconstateerd dat er een autonome oorzaak voor de schade bestaat, moet hij aanvullend nagaan of het aannemelijk is dat trillingen door aardbevingen de schade toch hebben veroorzaakt of hebben verergerd door overbelasting door trillingen. Voor het bepalen van toelaatbare trillingssnelheden (ook wel “grenswaarden van de snelheden” genoemd) volgt het Instituut het advies van Van Staalduinen en Everts van 16 december 2020 en de SBR Trillingsrichtlijn A: schade aan gebouwen uit 2017. Het Instituut geeft hiermee nader invulling aan het wettelijke bewijsvermoeden voor de beoordeling van de vraag of schade uitsluitend een andere oorzaak dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten heeft. Dit is dus aanvullend op de vraag of er een andere uitsluitende oorzaak bestaat. De Afdeling acht dit aanvaardbaar. [4]
4.4.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), mag een bestuursorgaan, als in een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid naar voren zijn gebracht. [5]
Wat zijn de standpunten van eiseres?
5. Eiseres stelt dat het Instituut er niet in is geslaagd om het bewijsvermoeden te weerleggen. De door het Instituut aangevoerde oorzaak is niet onderbouwd en het rapport waarop het Instituut haar conclusies baseert bevat onjuistheden. Ook stelt eiseres dat de platen conform de stand van techniek in de jaren ’50 van de vorige eeuw zijn bevestigd. Dat in de huidige bouw andere bevestiging wordt gebruikt, mag niet aan eiseres worden tegengeworpen. De door eiseres ingeschakelde deskundige wijst bovendien meerdere mogelijke oorzaken aan, waaronder trillingen door aardbevingen. Mijnbouwactiviteiten kunnen dus niet als oorzaak worden uitgesloten.
4.5.
Daarnaast voert eiseres aan dat het gebouw met een natuurstenen gevel van 50 jaar oud, als gevoelig bouwwerk moet worden aangemerkt. Bij beoordeling heeft het Instituut het gehele pand als uitgangspunt genomen, terwijl volgens eiseres enkel de gevel als uitgangspunt had moeten worden genomen. Deskundige Hageman geeft aan dat de gevel met natuurstenen platen onderdeel is van het bouwwerk en daarom zou dit onderdeel bepalend moeten zijn voor de toe te passen grenswaarde. Volgens eiseres dient de staat van de gevel als gevoelig te worden aangemerkt. Daarom moet de grenswaarde van 5 mm/s worden toegepast. Eiseres stelt dat de gevelpanelen van invloed zijn op de beoordeling van de bouwkundige staat van het bouwwerk. In de checklist staat immers dat het pand van buiten in ogenschouw moet worden genomen. Dit betekent dat niet alleen de draagconstructie moet worden beoordeeld, maar de gehele buitenzijde van het pand. Er zijn twee criteria uit de lijst waaraan is voldaan: een scheurlengte van 2,8 meter en de aanwezigheid van een scheur tussen twee “gaten”. De voegen kunnen worden beschouwd als gaten, waardoor een over de volledige lengte of breedte gescheurde natuurstenen plaat als een “lange scheur” kan worden beschouwd. Bovendien stelt eiseres dat de gevelbekleding wel onder de definitie bouwconstructie valt. De gevel is namelijk bestemd om bijvoorbeeld windbelasting te dragen.
Wat zijn de standpunten van het Instituut?
5. Het Instituut stelt zich op het standpunt dat met voldoende grote mate van zekerheid autonome uitsluitende oorzaken voor het ontstaan van de schades zijn aangewezen. De deskundigen concluderen dat de brosachtige blokjes zijn verouderd/ geërodeerd door allerlei invloeden, met name weersinvloeden zoals wind, temperatuurswisselingen, vocht en vorst. De autonome oorzaak van de schades is dus veroudering. Het Instituut merkt in aanvulling op het voorgaande nog op, dat het ook anderszins geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de bouwkundige beoordeling van de deskundigen.
5.1.
Het Instituut stelt zich vervolgens op het standpunt dat het de juiste grenswaarde heeft gehanteerd en dat de maximale trillingssnelheden (met een overschrijdingskans van 1%) ruimschoots onder de van toepassing zijnde grenswaarde van 8,5 mm/s zijn gebleven. Het Instituut kijkt bij de beoordeling of er sprake is van een bijzonder gevoelig object naar de bouwkundige staat van het gebouw. Daarbij wordt het gebouw van buiten in ogenschouw genomen en er wordt gekeken of sprake is van een trillingsgevoelige constructie. De bouwkundige staat is in dit geval niet als gevoelig aan te merken. De gevelplaten zijn namelijk geen onderdeel van de constructie, maar als een ‘schil’ die om esthetische redenen is aangebracht.
Wat oordeelt de rechtbank?
6. De rechtbank benadrukt dat allereerst moet worden nagegaan of er met voldoende mate van zekerheid een evidente uitsluitende, autonome oorzaak voor de schade is aangewezen. Pas daarna dient de tweede stap te worden genomen: hebben trillingen door aardbevingen op locatie invloed op de schade gehad? Daarbij moet de rechtbank beoordelen of de juiste grenswaarde is gehanteerd. Voor een zogenaamd ‘trillingsgevoelige constructie’ geldt een lagere grenswaarde. De rechtbank merkt op dat partijen stap 2 soms samenvoegen met stap 1.
7. De rechtbank zal dus eerst de vraag van stap 1 beoordelen: is het Instituut erin geslaagd om het bewijsvermoeden te weerleggen? Naar het oordeel van de rechtbank hebben de door het Instituut ingeschakelde deskundigen op navolgbare en inzichtelijke wijze geconcludeerd dat het ontstaan van de schades geen verband houdt met mijnbouwactiviteiten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
7.1.
De door het Instituut ingeschakelde deskundigen hebben op 22 mei 2025 een herbeoordeling van de schades uitgevoerd. Daarbij hebben zij vanuit een breder perspectief alle mogelijke schade-oorzaken meegewogen. Middels berekeningen is de invloed van windbelasting en opgelegde vervorming vergeleken met de invloed van bevingen. De deskundigen komen tot de conclusie dat enkele gevelplaten met kwetsbare verouderde verbindingen door weersinvloeden naar beneden zijn gevallen en er op plekken scheuren zijn ontstaan door (deels) verhinderde opgelegde vervormingen als gevolg van temperatuurswisselingen in de platen. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende heeft ingebracht voor twijfel aan de adviezen van 10BE. Daarbij betrekt de rechtbank mede dat ook buiten het aardbevingsgebied gevallen voorkomen waar gevelplaten loskomen. Dit heeft er overigens toe geleid dat er tegenwoordig wordt gekozen voor een andere wijze van bevestiging. Ook is de schade niet ontstaan na een beving; er bestaat een grote tijdspanne tussen de hoogst gemeten trillingen en het zichtbaar worden van de schade. Het causale verband tussen deze beving en de schade is niet aangetoond. De rechtbank concludeert dat vroeg of laat de platen zouden zijn losgekomen. Niet is aangetoond en niet aannemelijk is geworden dat de trillingen dit proces hebben versneld.
8. Vervolgens beoordeelt de rechtbank bij stap 2 de vraag of trillingen door mijnbouwactiviteiten invloed hebben gehad op de schades. De kern in deze zaak is daarbij de vraag of de juiste grenswaarde is gehanteerd. Voor metselwerk en brosse steenachtige materialen wordt bij een normaal gebouw een grenswaarde 8,5 mm/s gehanteerd, en bij een gevoelig gebouw een grenswaarde van 5 mm/s. De rechtbank is van oordeel dat het Instituut de juiste grenswaarde heeft gehanteerd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
8.1.
Vaststaat dat de maximaal berekende trillingssnelheid op de locatie van het pand van eiseres 7,39 mm/s is (met een overschrijdingskans van 1%). Dit is niet weersproken en derhalve kan de rechtbank hiervan uitgaan. Als er sprake is van een trillingsgevoelige constructie is de grenswaarde van 5 mm/s overschreden. Als er sprake is van een normaal gebouw, dan wordt de grenswaarde van 8,5 mm/s niet overschreden.
8.2.
De rechtbank overweegt dat technisch adviseur Stuit ter zitting heeft toegelicht dat de SBRA trillingsrichtlijn is ontwikkeld om handen en voeten te geven aan de beoordeling of een bouwwerk gevoelig is of niet. De bedoeling daarvan was om een werkbare richtlijn te creëren. Daarbij wordt de bouwkundige constructie beoordeeld. Losse elementen die aan de buitenkant geplaatst zijn maken geen onderdeel uit van die beoordeling. De rechtbank volgt het betoog van het Instituut dat de platen als schil aan de buitenkant zijn geplaatst en daarmee geen onderdeel vormen van de bouwkundige constructie. Verder zijn er ook geen aanwijzingen die maken dat de constructie zelf als gevoelig moet worden aangemerkt. De rechtbank concludeert dat het Instituut mocht uitgaan van een grenswaarde van 8,5 mm/s. Gelet op de hoogst gemeten trillingen ter plaatse van 7,39 mm/s is die grenswaarde niet overschreden. Het Instituut mocht daarom tot de conclusie komen dat trillingen door mijnbouwactiviteiten geen invloed hebben gehad op de schades aan het gebouw van eiseres. De rechtbank oordeelt dat het Instituut het bewijsvermoeden heeft weerlegd.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:177a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631.
3.ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, r.o. 69-70; ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, r.o. 88 en 92.
5.ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631.