ECLI:NL:RBNNE:2026:2941

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
26/1945
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G. Knuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 11.54 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 8.74l Besluit kwaliteit leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor bunzing

Deze uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de verleende omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit gericht op het beschermen van het leefgebied van de bunzing. De vergunning is verleend in het kader van een bouwproject waarbij bomen worden gekapt en bestaande opstallen worden gesloopt.

Verzoekers, bewoners uit Damwâld, betwisten de vergunning en vorderen schorsing. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker sub 1.b. belanghebbende is vanwege de nabijheid van het project. Het verzoek van sub 1.a. wordt niet inhoudelijk beoordeeld wegens onduidelijkheid over belanghebbenschap.

De voorzieningenrechter beoordeelt het spoedeisend belang als aanwezig omdat de werkzaamheden spoedig starten. De gestelde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel faalt omdat het nader onderzoek uit 2025 niet wordt bestreden en de aanvullende rapporten onvoldoende aanleiding geven voor onzorgvuldigheid. Ook zijn mitigerende maatregelen opgenomen in de vergunning.

Gelet op deze overwegingen wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is bindend voor de voorlopige fase en staat geen hoger beroep toe.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1945

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juli 2026 in de zaak tussen

1.1.a. [verzoeker] , uit Damwâld, verzoekster sub 1.a.

1.b. [verzoeker], uit Damwâld, verzoeker sub 1.b.
hierna gezamenlijk te noemen verzoekers
(gemachtigde: J.A. Wiegersma),
en

het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Fryslân, het college

(gemachtigden: mr. M. van Duin, mr. M. Bobeldijk en R. Wiersma).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Postma O/g B.V., uit Damwâld

(vergunninghoudster).
(gemachtigde: R. Postma)

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het verlenen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. [1] De omgevingsvergunning is verleend voor het treffen van mitigerende maatregelen voor het leefgebied van de bunzing, vanwege de aanstaande kap van bomen en de sloop van bestaande opstallen. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij verzoeken daarom om schorsing van de verleende vergunning en voeren daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster is eigenaar van het perceel [adres] [nummer] in Damwâld (het perceel). Vergunninghoudster heeft het voornemen om op het perceel 27 appartementen, vier grondgebonden woningen met daarbij behorende maatschappelijke ruimten voor zorgbehoevenden of 60-plussers te ontwikkelen. Daarvoor zullen de bestaande opstallen worden gesloopt en bomen worden gekapt (het project).
2.1.
Omdat het perceel onderdeel is van het leefgebied van de bunzing heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een flora- en fauna-activiteit.
2.2.
Met het bestreden besluit van 1 mei 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Ook hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers vergezeld van P. van der Veen (ecoloog), de gemachtigden van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Zijn verzoekers belanghebbenden?
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker sub 1.b. belanghebbende is. Zijn perceel grenst aan het perceel van het project. Verder bedraagt de afstand van het project tot de woning ca. 20 meter.
3.1.
Tussen partijen is in geschil is of verzoekster sub 1.a. belanghebbende is. Omdat verzoeker sub 1.b. belanghebbende is, zal de voorzieningenrechter het verzoek inhoudelijk beoordelen. De voorzieningenrechter laat daarom in het midden of verzoekster sub 1.a. belanghebbende is.
Omvang van het geschil
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de diersoort waarvoor de bescherming in de aanvraag omgevingsvergunning is aangevraagd bepalend is voor de omvang van het geschil. [2] Het staat vast de aanvraag is ingediend om het leefgebied van de bunzing te beschermen. Op zitting is het aanvraagformulier besproken. Op die aanvraag heeft het college vervolgens beslist. Dat verzoekers in hun verzoekschrift betogen dat andere beschermde soorten ook in het gedrang komen door het project moet daarom buiten beschouwing worden gelaten.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. De werkzaamheden waarvoor de vergunning is verleend zullen begin september 2026 starten. Het college kan niet uitsluiten dat de beslissing op bezwaar pas na dat moment zal worden genomen. Dit is op zitting besproken.
5.1.
Als het spoedeisend belang niet geheel ontbreekt vergt de beoordeling van een verzoek om een voorlopige voorziening in de regel een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit en, voor zover aangewezen, een afweging van de betrokken belangen. [3]
Is de omgevingsvergunning in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel?
6. Verzoekers betogen dat het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen. Het nader onderzoek van BügelHajema uit 2025 is onvoldoende om het bestreden besluit te kunnen dragen. Daarbij is door verzoekers erop gewezen dat de onderliggende quick-scan uit 2022 verouderd is. Ook wijzen verzoekers erop dat een ecologisch onderzoek uit 2023 niet in de voorbereiding is betrokken. Volgens de deskundige van verzoekers blijkt uit deze rapporten dat mogelijk sprake is van de aanwezigheid van een jaarrond beschermd nest van de Ransuil en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Ook wijzen verzoekers erop dat in het verleden diverse verstoringen van de flora en fauna hebben plaatsgevonden door hondentrainingen en felle bouwlampen die ’s nachts aan hebben gestaan.
6.1.
De grond slaagt niet. Gelet op de omvang van het geschil (zie punt 4) kan hetgeen is gesteld over het jaarrond beschermde nest en de vleermuisverblijfplaatsen niet lijden tot de conclusie dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. Dat geldt ook voor de mogelijke verstoringen die in het verleden hebben plaatsgevonden.
6.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de bevindingen uit het nader onderzoek van BügelHajema uit 2025 ten aanzien van (het leefgebied van) de bunzing door verzoekers niet worden bestreden. In de voorschriften bij de vergunning is verzekerd dat een activiteitenplan wordt uitgevoerd waarmee negatieve effecten op de bunzing worden voorkomen. Ook dat is door verzoekers niet bestreden.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op hetgeen hiervoor door de voorzieningenrechter is overwogen bestaat er geen aanleiding om de verleende omgevingsvergunning te schorsen. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: wet- en regelgeving

Omgevingswet
Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
(…)
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
g. een flora- en fauna-activiteit,
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Besluit activiteiten leefomgeving
Artikel 11.54. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen)
1. Het verbod, bedoeld in
artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
(…)
b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en
c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in
bijlage IX (https://wetten.overheid.nl/BWBR0041330/2024-05-07/1?g=2024-05-07&z=2025-01-01), onder B.
Bijlage IX. bij
artikel 11.54van dit besluit (andere beschermde dier- en plantensoorten)
A. Soorten zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, onder a
(…)
Bunzing
(…)
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.74l (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: andere soorten)
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in
artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
a. er geen andere bevredigende oplossing bestaat;
b. de activiteit nodig is:

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet (Ow).
2.Uitspraak van de Afdeling 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1401, r.o. 13.1.
3.Vergelijk de voorlopige voorziening uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:875, r.o. 5.