ECLI:NL:RBNNE:2026:2959

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
18-025513-22
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging proeftijd voorwaardelijke invrijheidstelling ondanks recidiverisico

De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf en op 14 maart 2025 voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een proeftijd van 487 dagen. Het Openbaar Ministerie verzocht om verlenging van deze proeftijd met 365 dagen vanwege een matig tot hoog recidiverisico.

De reclassering rapporteerde dat de veroordeelde aanvankelijk stabiel was, maar door een relatiebreuk en baanverlies emotioneel ontregeld raakte, wat leidde tot moeizaam contact en nieuwe verdenkingen. Na bespreking met de reclassering toonde de veroordeelde echter een positieve, zij het fragiele, gedragsverandering en hervatte hij werk en GGZ-begeleiding.

De rechtbank overwoog dat de positieve ontwikkelingen inmiddels grotendeels het vertrouwen van de reclassering hebben hersteld en dat de nieuwe verdenkingen te ver afstaan van de oorspronkelijke strafbare feiten om mee te wegen. Gezien de intrinsieke motivatie van de veroordeelde en het ontbreken van noodzaak tot verlenging, wees de rechtbank het verzoek van het Openbaar Ministerie af.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling af vanwege onvoldoende noodzaak.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer: 18-025513-22
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 10 juli 2026 op de vordering van de officier van justitie strekkende tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling
In de zaak tegen:

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna: veroordeelde.

Procesverloop

Bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Noord-Nederland locatie Assen van 29 januari 2024 is aan veroordeelde voor zover hier van belang een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren opgelegd. De veroordeelde is op 14 maart 2025 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. De aan deze voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) verbonden proeftijd bedraagt 487 dagen.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 3 juni 2026 gevorderd dat de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden proeftijd zal worden verlengd met een periode van 365 dagen.
De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 3 juli 2026. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. W.B.O. van Soest, advocaat te Rotterdam. Het Openbaar Ministerie is vertegenwoordigd door mr. R. Janssens. Tevens is namens de reclassering verschenen de deskundige mevrouw [reclasseringsmedewerker] .

Beoordeling

Het rapport van de reclassering
De reclassering heeft in haar rapport van 19 mei 2026 kort samengevat het volgende aangegeven. In de beginperiode van de v.i. woonde veroordeelde samen met zijn vriendin en beschikte hij over werk en inkomen. Veroordeelde zijn vriendin heeft op een gegeven moment de relatie verbroken. Veroordeelde verloor zijn baan. Deze gebeurtenissen ontregelden veroordeelde emotioneel en het lukte hem niet om zijn leven op de rails te krijgen. Hij kwam opnieuw met justitie in aanraking in de strafzaak onder parketnummer 18-313835-25 voor een verdenking van gevaarlijk rijgedrag op een crossmotor, het rijden zonder geldig rijbewijs voor die crossmotor en het niet voldoen aan een ambtelijk bevel. Het contact met de reclassering verliep na deze gebeurtenissen moeizaam. De reclassering heeft vervolgens overwogen om een herroepingsadvies te schrijven. Nadat dit met veroordeelde is besproken, was bij hem een positieve gedragsverandering zichtbaar. Sinds kort komt veroordeelde zijn afspraken weer na. Veroordeelde liet zich verwijzen naar de GGZ en werkt sinds maart 2026 een paar uren per week. Deze positieve verandering is echter pril en fragiel. Op het moment van rapporteren is nog geen sprake van duurzame stabiliteit op de leefgebieden dagbesteding, financiën en psychosociaal functioneren. De tegenslagen in het leven van veroordeelde blijven een risico vormen voor nieuw delictgedrag, zolang voornoemde leefgebieden niet bestendig zijn. Het is daarom van belang dat de reclassering en de ambulant begeleider nog één jaar betrokken blijven bij de begeleiding van veroordeelde om zijn leefgebieden verder te stabiliseren, zodat de risicos op delictgedrag afnemen.
De deskundige [reclasseringsmedewerker] heeft ter zitting het volgende aangegeven. De reclassering vond op het moment van rapporteren de positieve ontwikkelingen pril en fragiel. Inmiddels zijn zeven weken verstreken en is er nog steeds een positieve gedragsverandering zichtbaar. De wijkagent heeft geen nieuwe meldingen ontvangen over veroordeelde zijn gedrag. Het is hierom lastig om naar de huidige stand van zaken het advies om de proeftijd van de v.i. te verlengen stellig te handhaven. Daar komt bij dat de huidige begeleider met wie veroordeelde een band heeft opgebouwd, mevrouw [naam], gaat stoppen als begeleider bij de reclassering en verdergaat als zelfstandige zonder personeel. De begeleiding met [naam] kan daarom niet binnen het huidige strafrechtelijke kader worden voortgezet, wel binnen een vrijwillig kader. De reclassering kan zich verenigen met zowel een verlenging van de proeftijd als het laten aflopen daarvan.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft in afwijking van de schriftelijke vordering gevorderd dat de proeftijd van de
v.i. wordt verlengd met zes maanden. Hoewel het toezicht van de v.i. goed verloopt, is er nog steeds sprake van een matig tot hoog recidiverisico. De positieve ontwikkelingen zijn nog niet voldoende bestendig waardoor een reclasseringstoezicht nog steeds noodzakelijk is.
Het standpunt van veroordeelde
Namens veroordeelde is aangevoerd dat een verlenging van de v.i. met zes maanden noodzakelijk noch proportioneel is. De periode waarin het reclasseringstoezicht voorspoedig verliep moet breder worden getrokken dan enkel de periode waarin een positieve gedragsverandering zichtbaar is. Het toezicht is ook in de beginperiode grotendeels goed verlopen tot aan het eindigen van de relatie met veroordeelde zijn toenmalige vriendin. Weliswaar is deze relatiebreuk een enorme tegenslag geweest, desondanks heeft veroordeelde niet opnieuw zijn toevlucht gezocht in de criminaliteit. Veroordeelde is weer gaan werken en heeft vrijwillig hulp gezocht bij de GGZ voor het verwerken van de relatiebreuk. Veroordeelde is dus in staat om de positieve ontwikkelingen binnen een vrijwillig kader voort te zetten.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank leidt uit het verhandelde ter zitting af dat bij de reclassering twijfels zijn ontstaan over de noodzaak tot het verlengen van de proeftijd van de v.i. Hoewel het toezicht enige tijd moeizaam is verlopen door een relatiebreuk, heeft veroordeelde zich daarna herpakt en over een periode van enkele maanden een positieve ontwikkeling laten zien. Hiermee heeft veroordeelde intussen grotendeels het vertrouwen gewonnen van de reclassering in het verantwoord laten aflopen van de proeftijd van de v.i. Daarnaast staan de nieuwe strafbare feiten waar veroordeelde van wordt verdacht in een te ver verwijderd verband van de strafbare feiten waar veroordeelde in het onderliggende vonnis voor is veroordeeld. De rechtbank zal daarom deze nieuwe verdenking niet mee laten wegen bij haar oordeel over de verlenging van de proeftijd. Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat niet is gebleken van een noodzaak tot het verlengen van de proeftijd van de v.i. Veroordeelde heeft zich voldoende intrinsiek gemotiveerd getoond voor blijvende gedragsverandering die binnen een vrijwillig kader kan worden voortgezet. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

Wijst de vordering tot het verlengen van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidsstelling af.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en mr. O.F. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting op 10 juli 2026.