ECLI:NL:RBNNE:2026:2959
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- W.S. Sikkema
- H.C.L. Vreugdenhil
- O.F. Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging proeftijd voorwaardelijke invrijheidstelling ondanks recidiverisico
De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf en op 14 maart 2025 voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een proeftijd van 487 dagen. Het Openbaar Ministerie verzocht om verlenging van deze proeftijd met 365 dagen vanwege een matig tot hoog recidiverisico.
De reclassering rapporteerde dat de veroordeelde aanvankelijk stabiel was, maar door een relatiebreuk en baanverlies emotioneel ontregeld raakte, wat leidde tot moeizaam contact en nieuwe verdenkingen. Na bespreking met de reclassering toonde de veroordeelde echter een positieve, zij het fragiele, gedragsverandering en hervatte hij werk en GGZ-begeleiding.
De rechtbank overwoog dat de positieve ontwikkelingen inmiddels grotendeels het vertrouwen van de reclassering hebben hersteld en dat de nieuwe verdenkingen te ver afstaan van de oorspronkelijke strafbare feiten om mee te wegen. Gezien de intrinsieke motivatie van de veroordeelde en het ontbreken van noodzaak tot verlenging, wees de rechtbank het verzoek van het Openbaar Ministerie af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling af vanwege onvoldoende noodzaak.