ECLI:NL:RBNNE:2026:2962

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
25/2237
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang en niet-bestaan rechtspersoon

De burgemeester van Groningen heeft in 2024 diverse vergunningen van een bedrijf ingetrokken en het bedrijf gesloten met een last onder bestuursdwang. Namens het bedrijf zijn bezwaarschriften ingediend, maar de burgemeester verklaarde deze niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld namens zichzelf en het bedrijf tegen dit besluit.

De rechtbank beoordeelde op 8 juli 2026 het beroep en oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is. Het bedrijf waarvoor het beroep werd ingesteld, is op 3 januari 2025 opgeheven, waardoor het niet meer kan optreden als belanghebbende. Daarnaast heeft eiser zelf geen persoonlijk bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten, wat vereist is om beroep te kunnen instellen. Eiser kan dit verweten worden omdat hij werd geadviseerd door een advocaat.

De rechtbank heeft het beroep daarom niet inhoudelijk behandeld, verklaarde het niet-ontvankelijk en wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen persoonlijk bezwaar heeft gemaakt en het bedrijf is opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2237
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de burgemeester van de gemeente Groningen, de burgemeester

(gemachtigden: H. Blokzijl en G. Urban).

Inleiding

1. De burgemeester heeft in 2024 diverse vergunningen voor [bedrijf] ingetrokken en [bedrijf] gesloten, met een last onder bestuursdwang. Namens [bedrijf] zijn daartegen bezwaarschriften ingediend.
1.1.
Met het bestreden besluit van 20 mei 2025 heeft de burgemeester de ingediende bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
1.2.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de burgemeester op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met zijn partner en de gemachtigden van verweerder.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk?
2. De rechtbank beoordeelt allereerst of het beroep dat eiser heeft ingediend namens zichzelf en namens [bedrijf] ontvankelijk is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is en dus niet inhoudelijk zal worden beoordeeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiser heeft namens [bedrijf] beroep ingediend. De burgemeester heeft er terecht op gewezen dat [bedrijf] handelend onder de naam [bedrijf] , op 3 januari 2025 is opgeheven. De rechtspersoon bestaat niet meer en daarom kan niet namens de rechtspersoon beroep ingesteld worden. Het beroep voor zover ingediend namens [bedrijf] is dus niet-ontvankelijk.
5. Eiser heeft ook voor zichzelf beroep ingediend. In beginsel kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. [1] Eiser heeft niet zelf bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten van 27 november 2024 en 4 oktober 2024. Er is alleen bezwaar gemaakt namens [bedrijf] . Eiser werd in die fase bijgestaan door een advocaat die hem heeft geadviseerd over het instellen van bezwaar. Dat betekent dat eiser verweten kan worden dat hij niet persoonlijk bezwaar gemaakt heeft. Er stond dus voor hem geen beroep open tegen het besluit van 20 mei 2025.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026 door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van K.D. Bosklopper, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 6:13 Algemene Pro wet bestuursrecht.