ECLI:NL:RBNNE:2026:3023

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
C/18/256019
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 WvggzArt. 5:7 WvggzArt. 5:8 lid 1 WvggzArt. 5:17 lid 3 WvggzArt. 3:3 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening zorgmachtiging op grond van Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 19 mei 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die niet is verschenen bij de zitting. Betrokkene lijdt aan schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, gecombineerd met middelgerelateerde en verslavingsstoornissen, wat leidt tot ernstig nadeel zoals levensgevaar, agressie en maatschappelijke teloorgang.

Ondanks meerdere pogingen van een onafhankelijke psychiater om betrokkene persoonlijk te onderzoeken, weigerde betrokkene medewerking en verscheen niet op afspraken. De rechtbank oordeelde dat de medische verklaring, samen met overige informatie, voldoende was om het verzoek te beoordelen. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven en verplichte zorg is noodzakelijk om ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke en fysieke gezondheid te stabiliseren.

De zorgmachtiging omvat onder meer het toedienen van medicatie, medische controles, bewegingsbeperkingen, toezicht, onderzoeken en opname in een accommodatie. De machtiging geldt voor een periode van 24 maanden tot uiterlijk 19 mei 2028. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor verplichte zorg aan betrokkene voor de duur van 24 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
Zaak-/rekestnr.: C/18/256019 / FA RK 26-2898
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van
19 mei 2026naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1984, [geboorteplaats] ,
wonende [adres] te [woonplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. G.J.P.M. Grijmans, waargenomen door mr. W. Spijkstra, kantoorhoudende te Leeuwarden.

1.Het procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift van de officier van justitie met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 29 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026, bij GGZ Friesland, locatie [adres] te [plaats] . Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
  • mr. W. Spijkstra, advocaat van betrokkene;
  • [naam] , psychiater;
  • [naam] , verpleegkundige ForFact.
1.3.
De officier van justitie is niet ter zitting verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
1.4.
Betrokkene is opgeroepen, maar niet ter zitting verschenen.
1.5.
De wet schrijft voor dat de rechter op het verzoek om een zorgmachtiging niet beslist, dan nadat betrokkene ten aanzien waarvan de machtiging wordt verzocht, is gehoord, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene niet in staat of niet bereid is zich te doen horen.
1.6.
De rechtbank heeft bepaald dat de mondelinge behandeling van het verzoek op dinsdag 19 mei 2026 om 11:50 uur zou plaatsvinden bij GGZ Friesland, locatie [adres] te [plaats] . De rechtbank heeft betrokkene hiervoor per post opgeroepen. De advocaat heeft bij de aanvang van de mondelinge behandeling aangegeven dat betrokkene op de hoogte was van de zitting. De advocaat heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling met betrokkene gesproken en hij heeft toen aangegeven dat hij niet aanwezig wil zijn. De verpleegkundige gaf aan dat betrokkene ook tegen zijn begeleiders heeft aangegeven niet bij de mondelinge behandeling te willen komen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. De rechter heeft besloten om de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van betrokkene voort te zetten.

2.De beoordeling

2.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 5:17 lid 3 Wvggz Pro voegt de officier van justitie bij het indienen van een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging onder meer een medische verklaring toe. Deze medische verklaring moet op grond van artikel 5:7 Wvggz Pro zijn opgesteld door een psychiater, die onafhankelijk functioneert. Uit deze medische verklaring moet op grond van artikel 5:8 lid 1 Wvggz Pro de actuele gezondheidstoestand van betrokkene blijken. Volgens vaste rechtspraak moet de psychiater betrokkene persoonlijk onderzoeken, dat wil zeggen dat hij de betrokkene in een direct (fysiek) contact spreekt en observeert. Indien dit in uitzonderlijke omstandigheden niet mogelijk is, moet de psychiater uiteenzetten waarom hij de betrokkene niet of slechts in beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij, mede aan de hand van de van derden verkregen informatie, tot de slotsom is gekomen dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Van de psychiater mag worden verwacht dat hij alles in het werk heeft gesteld wat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd om het onderzoek op een verantwoorde wijze te laten plaatsvinden.
2.2.
Bij het verzoek is door de officier van justitie een medische verklaring gevoegd, waaruit blijkt dat het de onafhankelijke psychiater bij het opstellen van de medische verklaring ondanks meerdere pogingen niet is gelukt om in goed contact te komen met betrokkene.
De psychiater heeft betrokkene op 20 april 2026 uitgenodigd voor de beoordeling op het kantoor van ForFact. Betrokkene was op de hoogte van deze afspraak. Hij had via de woonbegeleider al laten weten dat hij niet in gesprek wilde met de onafhankelijk psychiater. Op 17 april 2026 heeft hij in een gesprek met de casemanager aangegeven dat hij niet naar de afspraak wilde komen en eerst met zijn advocaat wilde overleggen en dat hij uitstel wilde. Op 20 april 2026 heeft hij aangegeven dat hij geen gesprek wilde en dat hij niet zou komen. Op 21 april 2026 werd betrokkene op kantoor verwacht voor een depot en werd hem doorgegeven dat hij dan ook een nieuwe afspraak heeft met de onafhankelijk psychiater. Op 21 april 2026 liet betrokkene weten dat hij geen behoefte heeft aan een gesprek over de zorgmachtiging en ook het depot wilde hij niet meer nemen. Later op deze dag is getracht betrokkene zijn depot thuis te geven, maar hij was niet thuis. Telefonisch werd hij wel bereikt en hij herhaalde dat hij het depot niet wil en dat hij de behandelend psychiater wil spreken over andere medicatie. Hij heeft aangegeven dat hij met zijn advocaat gaat regelen dat hij niet in gesprek wil met de onafhankelijk psychiater en dat hij niet naar de zitting wil komen. Betrokkene houdt elk contact af.
2.3.
De rechtbank is gelet op voorgaande van oordeel dat de onafhankelijke psychiater samen met de andere hulpverleners, alles in het werk heeft gesteld wat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd om het onderzoek op een juiste wijze te laten plaatsvinden. Echter is dit door de afwerende houding van betrokkene niet mogelijk gebleken. De rechtbank is voorts van oordeel dat, ondanks dat betrokkene niet in persoon is onderzocht, deze medische verklaring met de overige verkregen inlichtingen, voldoende informatie over de geestelijke gezondheid heeft opgeleverd om het verzoek om een zorgmachtiging te kunnen beoordelen.
2.4.
De rechter kan op verzoek van de officier van justitie een zorgmachtiging verlenen ten aanzien van betrokkene wanneer wordt voldaan aan de criteria en de doelen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:3 en Pro 3:4 Wvggz. Verplichte zorg is zorg die ondanks verzet kan worden verleend.
2.5.
Wanneer het gedrag van betrokkene als gevolg van een psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, kan als uiterste middel verplichte zorg worden verleend, mits er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn, er geen minder bezwarende alternatieven zijn, het verlenen van verplichte zorg evenredig is en redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is.
2.6.
Verplichte zorg kan worden verleend om ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door een psychische stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
2.7.
Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen en middelgerelateerde en verslavingsstoornissen.
2.8.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:
  • levensgevaar;
  • ernstig lichamelijk letsel;
  • ernstige psychische schade;
  • maatschappelijke teloorgang;
  • de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;
  • de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
Betrokkene heeft een lange geschiedenis met dwangopnames in verband met terugkerende paranoïde psychotische decompensaties in het kader van schizofrenie. Daarnaast is er sprake van multi-middelengebruik wat een luxerende rol speelt. Betrokkene kan vanuit zijn paranoïde psychose dreigend en verbaal en fysiek agressief worden. Betrokkene functioneert met de huidige depotmedicatie psychiatrisch gezien redelijk stabiel. Er blijft echter sprake van een kwetsbaar evenwicht, aangezien betrokkene geen bereidheid heeft om te stoppen met het middelengebruik. Betrokkene heeft geen ziektebesef en -inzicht waardoor hij de nut en noodzaak van de behandeling niet inziet. Terugkerend is er weigering van het depot wat vervolgens gepaard gaat met verbaal en imponerend agressief gedrag jegens ForFACT.
2.9.
Voorgaande maakt dat betrokkene langer zorg nodig heeft voor:
  • het afwenden van ernstig nadeel;
  • het stabiliseren of herstellen van de fysieke gezondheid van betrokkene in het geval diens gedrag als gevolg van de psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel daarvoor;
  • het dusdanig herstellen van de geestelijke gezondheid van betrokkene dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint;
  • het stabiliseren van de geestelijke gezondheid van betrokkene.
2.10.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Betrokkene heeft geen ziektebesef en -inzicht. Betrokkene is het niet eens met de diagnose en wil geen depot. Hij ervaart veel vermoeidheid wat hij wijt aan de depotmedicatie. Daarnaast wil betrokkene middelen blijven gebruiken wat de psychotische kwetsbaarheid versterkt en decompensatie in de hand werkt. Om die reden is verplichte zorg nodig.
2.11.
De rechtbank sluit aan bij de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg deze zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur en bestaan uit:
  • het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
  • beperken van de bewegingsvrijheid;
  • insluiten;
  • uitoefenen van toezicht op betrokkene;
  • onderzoek aan kleding of lichaam;
  • onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
  • controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
  • aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
  • opnemen in een accommodatie.
2.12.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.13.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van vierentwintig maanden.
2.14.
Na de mondelinge behandeling is een kennisgeving van de mondelinge uitspraak verstrekt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van
[betrokkene] ,geboren op
[geboortedatum] 1984, inhoudende dat gedurende de geldigheid van de machtiging bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:
  • het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
  • beperken van de bewegingsvrijheid;
  • insluiten;
  • uitoefenen van toezicht op betrokkene;
  • onderzoek aan kleding of lichaam;
  • onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
  • controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
  • aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
  • opnemen in een accommodatie.
3.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 19 mei 2028.
Deze beschikking is mondeling gegeven op 19 mei 2026 door mr. F. van der Meulen, rechter, bijgestaan door de griffier en schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 22 mei 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
..
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
fn. 1041
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.