ECLI:NL:RBNNE:2026:3041

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/18/25/137 R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 sub c FwArt. 350 lid 3 sub d FwArt. 350 lid 5 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming verplichtingen en terugval middelengebruik

De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 26 juni 2026 de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de schuldenaar. De regeling was eerder op 7 mei 2025 uitgesproken. De bewindvoerder rapporteerde over de voortgang, waarna de schuldenaar niet verscheen bij een verhoor en een zitting, ondanks deugdelijke oproep.

Uit de verslagen van de bewindvoerder en de zitting bleek dat de schuldenaar op meerdere locaties begeleid heeft gewoond, maar op ten minste twee locaties is weggestuurd vanwege vervuiling en vernielingen. Dit leidde tot nieuwe schulden, waarvan één factuur deels is voldaan en een betalingsregeling loopt voor de andere. De schuldenaar heeft geen nieuwe woonruimte en gebruikt momenteel middelen, wat een belemmering vormt voor plaatsing in beschermd wonen.

De bewindvoerder heeft geen contact meer met de schuldenaar en verzocht de regeling te beëindigen. De schuldenaar heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zich te verantwoorden. De rechtbank oordeelt dat de schuldenaar zijn verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en dit hem kan worden toegerekend. De regeling wordt daarom tussentijds beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 sub c en Pro d van de Faillissementswet.

Er volgt geen faillissement omdat het actief na aftrek van kosten onvoldoende is. De rechtbank stelt het salaris van de bewindvoerder vast op maximaal € 3.784,61, inclusief onkosten en omzetbelasting. Kosten die niet uit de boedel kunnen worden voldaan, komen voor rekening van de Staat.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming van verplichtingen en terugval in middelengebruik.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/25/137 R

vonnis d.d. 26 juni 2026

in de schuldsaneringsregeling van:
[schuldenaar], geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen de schuldenaar.

PROCESGANG

Bij vonnis van deze rechtbank van 7 mei 2025 is de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de schuldenaar.
Op 10 maart 2026 is door de bewindvoerder, mevrouw [naam 1] , schriftelijk verslag uitgebracht over de voortgang van de schuldsaneringsregeling.
De schuldenaar is vervolgens opgeroepen voor een verhoor bij de rechter-commissaris op 30 april 2026, alwaar hij niet is verschenen.
De rechter-commissaris heeft de rechtbank vervolgens voorgedragen om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.
Deze voordracht is behandeld ter zitting van 12 juni 2026, alwaar namens de bewindvoerder is verschenen mevrouw [naam 2] . Hoewel deugdelijk opgeroepen is de schuldenaar wederom niet verschenen.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank dient te beoordelen of de schuldenaar één of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen en of op die grond de regeling tussentijds moet worden beëindigd.
Uit de verslagen van de bewindvoerder en het verhandelde ter zittingen is onder meer het volgende gebleken.
De schuldenaar heeft tijdens de schuldsaneringsregeling op drie verschillende locaties begeleid gewoond. Bij in ieder geval twee van die locaties is de schuldenaar weggestuurd vanwege vervuiling van zijn kamer en het aanrichten van vernielingen. Hier zijn nieuwe schulden uit voortgevloeid omdat de betrokken instanties de kosten van herstel op de schuldenaar verhalen. Er is sprake van 2 facturen van respectievelijk € 742,85 en € 1.930,77. De beschermingsbewindvoerder van de schuldenaar heeft bij mailbericht van 28 april 2026 laten weten dat de nota van € 742,85 inmiddels is voldaan. Voor de nota van € 1.930,77 loopt een betalingsregeling van € 200,00 per maand en er resteert thans nog een bedrag van € 1.530,77. De schuldenaar heeft momenteel nog geen nieuwe woonruimte. De beschermingsbewindvoerder heeft telefonisch aan de bewindvoerder laten weten dat de schuldenaar wel hulp krijgt via [instelling], maar dat een voorwaarde voor een plaatsing in beschermd wonen is dat de schuldenaar geen middelen gebruikt. Van dat laatste zou echter op dit moment wel sprake zijn.
De bewindvoerder heeft ter zitting van 12 juni 2026 verklaard dat er al geruime tijd geen contact meer is geweest met de schuldenaar. De bewindvoerder heeft de rechtbank verzocht de schuldsaneringsregeling te beëindigen.
Hoewel deugdelijk opgeroepen, heeft de schuldenaar niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om ter zittingen van 30 april 2026 en 12 juni 2026 het één en ander te weerleggen dan wel toe te lichten. Daarmee heeft de schuldenaar het belang daarvan miskend. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de juistheid van hetgeen in de verslagen en ter zittingen door de bewindvoerder is gesteld.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de schuldenaar zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren is nagekomen en dat hem dat kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat de schuldenaar door zijn handelswijze de uitvoering van zijn schuldsaneringsregeling heeft gefrustreerd.
Nu bovendien niet is gebleken van omstandigheden die duiden op een bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming van de schuldenaar, zal de rechtbank de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigen op grond van artikel 350, lid 3 sub c en d Fw.
Op grond van het bepaalde in artikel 350, lid 5 Fw zal niet van rechtswege faillissement volgen aangezien er na aftrek van de kosten van de schuldsaneringsregeling, onvoldoende baten beschikbaar zullen zijn. Nu het uit te delen actief na aftrek van de boedelkosten (met name salaris en advertentiekosten) minder dan € 2.000,- bedraagt, kan naar het oordeel van de rechtbank het opmaken van een slotuitdelingslijst achterwege blijven en eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis.
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen. De vergoeding voor de bewindvoerder is berekend op € 3.784,61 (inclusief onkosten en omzetbelasting). Voor zover actief aanwezig is, kan de bewindvoerder de vergoeding als salaris opnemen. Voor zover de kosten van de in de schuldsaneringsregeling bevolen publicaties niet uit de boedel kunnen worden voldaan, komen deze ten laste van de Staat.

BESLISSING

De rechtbank:
- beëindigt de schuldsaneringsregeling;
- stelt vast dat de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen;
- stelt het salaris voor de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal
€ 3.784,61.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Huizinga en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.