ECLI:NL:RBNNE:2026:3042

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/18/25/125 R
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 356 lid 2 FwArt. 358 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling met schone lei ondanks betwiste vordering voormalig verhuurder

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 26 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak van een schuldenaar die onder een schuldsaneringsregeling viel sinds april 2025. De bewindvoerder bracht in maart 2026 verslag uit over de beëindiging van de regeling, waarna een verificatievergadering plaatsvond. De rechter-commissaris stelde voor de regeling te beëindigen.

De voormalig verhuurder stelde de schuldenaar aansprakelijk voor een bedrag van € 22.219,08 wegens gebrekkige oplevering van een gehuurde woning, herstelkosten en een boete voor vermeende onderhuur. De schuldenaar betwistte deze vordering gemotiveerd en heeft een raadsman ingeschakeld. De bewindvoerder gaf aan dat de verhuurder niet heeft aangedrongen op tussentijdse beëindiging van de regeling.

De rechtbank oordeelde dat de schuldenaar niet tekortgeschoten is in zijn verplichtingen uit de regeling en dat de vordering van de verhuurder nog niet vaststaat. Daarom wordt de schuldsaneringsregeling met schone lei beëindigd. Tevens werd het salaris van de bewindvoerder vastgesteld op maximaal € 3.803,31. De rechtbank wees op de rechtsgevolgen van de verbindendverklaring van de slotuitdelingslijst volgens de Faillissementswet.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de schuldsaneringsregeling met schone lei en stelt het salaris van de bewindvoerder vast.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/25/125 R
vonnis d.d. 26 juni 2026
in de schuldsaneringsregeling van:
[schuldenaar] ,geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres ] ,
hierna te noemen de schuldenaar.

PROCESGANG

Bij vonnis van deze rechtbank van 25 april 2025 is de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de schuldenaar.
Door de bewindvoerder, mevrouw [bewindvoerder] , is op 26 maart 2026 schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
Bij schrijven van 1 mei 2026 heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris nog nader geïnformeerd.
Op 28 mei 2026 heeft een verificatievergadering plaatsgevonden in de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar.
De rechter-commissaris heeft vervolgens de voordracht gedaan de schuldsaneringsregeling te beëindigen.
De zaak is behandeld ter zitting van 12 juni 2026, alwaar de schuldenaar is verschenen, vergezeld door zijn budgetbeheerder mevrouw [budgetbeheerder] , werkzaam bij de VKB Noord-Oost Groningen. Ook de bewindvoerder mevrouw [bewindvoerder] is verschenen.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank dient te beoordelen of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Ingeval van een toerekenbare tekortkoming zal de rechtbank vervolgens beoordelen of dat tot beëindiging van de schuldsaneringsregelingen moet leiden onder onthouding van ‘de schone lei’.
Uit de verslagen van de bewindvoerder en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.
De voormalig verhuurder van de schuldenaar heeft de schuldenaar op 23 april 2026 aansprakelijk gesteld wegens gebrekkige oplevering van een door de schuldenaar gehuurde woning aan [adres ] . Genoemde verhuurder vordert nu een bedrag van € 22.219,08 van de schuldenaar, bestaande uit een contractuele dagboete, de kosten van herstelwerkzaamheden, en een boete wegens vermeende onderhuur.
De schuldenaar heeft ter zitting aangegeven inmiddels een raadsman in de arm te hebben genomen, omdat hij zich niet kan verenigen met de vordering van zijn voormalig verhuurder. Zo zou namens de verhuurder bij de eindinspectie van de woning in eerste instantie zijn aangegeven dat alles in orde was bevonden. Voorts is van onderverhuur volgens de schuldenaar geen enkele sprake geweest. De schuldenaar heeft enige tijd zijn broer opgevangen met twee kleine kinderen, maar deze broer heeft daar nimmer huur voor betaald. De opgevoerde herstelkosten zijn daarbij door de voormalig verhuurder ook niet verder onderbouwd.
De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat de voormalig verhuurder van de schuldenaar niet heeft aangestuurd op een (tussentijdse) beëindiging van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar. Nu op dit moment de (hoogte van de) vordering van de voormalig verhuurder nog niet vast staat, ziet de bewindvoerder geen aanleiding om de schuldenaar de schone lei niet te verstrekken.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de schuldsaneringsregeling met ‘schone lei’ beëindigen.
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder vaststellen. De vergoeding voor de bewindvoerder is berekend op € 3.803,31 (inclusief onkosten en omzetbelasting).
Voor zover actief aanwezig is, kan de bewindvoerder de vergoeding als salaris opnemen. Voor zover de kosten van het griffierecht ad € 820,00 voor het deponeren van de slotuitdelingslijst niet uit de boedel kunnen worden voldaan, komen deze ten laste van de Staat.
Ingevolge artikel 356 lid 2 van Pro de Faillissementswet (Fw) zal de schuldsaneringsregeling van rechtswege geëindigd zijn, zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
Alsdan zijn de vorderingen die vallen onder de werking van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar krachtens artikel 358 lid 1 Fw Pro niet langer afdwingbaar.

BESLISSING

De rechtbank:
- verstaat dat de schuldsaneringsregeling van rechtswege zal zijn geëindigd zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden;
- stelt vast dat de schuldenaar niet is tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen;
- stelt het salaris voor de bewindvoerder, een en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezige actief tot een bedrag van maximaal € 3.803,31.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Huizinga en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.