Verzoeker heeft op 5 december 2025 gelijktijdig met een verzoek tot schuldsanering een moratoriumverzoek ingediend om ontruiming van zijn woning te voorkomen. De rechtbank heeft op 21 januari 2026 uitspraak gedaan over dit verzoek.
De verhuurder voerde verweer vanwege niet tijdige en onvolledige huurbetalingen sinds het tussenvonnis en een oplopende huurachterstand sinds het ontruimingsvonnis van november 2024. Tevens werd gewezen op het wisselen van drie beschermingsbewindvoerders in korte tijd, wat het vertrouwen in tijdige betaling ondermijnt.
De rechtbank oordeelde dat de huurachterstand en de te late betalingen niet zwaarwegend genoeg zijn om het moratorium te weigeren. De beschermingsbewindvoerder heeft de huurbetalingen alsnog voldaan en automatische incasso correct ingesteld. Er is voldoende inkomen om de vaste lasten te betalen en de huur voor komende maanden is al klaargezet.
De voorziening wordt daarom toegewezen voor een periode van zes maanden vanaf 5 december 2025, met de voorwaarde dat lopende verplichtingen tijdig en volledig worden nagekomen. Het moratorium vervalt bij intrekking van het schuldsaneringsverzoek of bij niet-nakoming van verplichtingen. De rechtbank benadrukt het belang van rust voor het slagen van de minnelijke schuldregeling.