ECLI:NL:RBNNE:2026:3056

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
LEE 25/1162 en LEE 25/1163
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet BIZArt. 2 Wet BIZArt. 4 Wet BIZArt. 5 Wet BIZArt. 220a Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid heffing BIZ-bijdrage voor niet-ondernemer eigenaar onroerende zaak

Belanghebbende, eigenaar van een onroerende zaak gelegen in een bedrijveninvesteringszone, betwist de aanslagen BIZ-bijdrage voor de jaren 2023 en 2024. Hij stelt dat hij geen ondernemer is en dat de bijdrage daarom onterecht is opgelegd. Tevens voert hij aan dat er geen draagvlakmeting heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de inwerkingtreding van de verordening.

De rechtbank stelt vast dat de Wet BIZ en de verordening bepalen dat de bijdrage wordt geheven van eigenaren of gebruikers van onroerende zaken binnen de zone die niet in hoofdzaak tot woning dienen. Het feit dat belanghebbende geen ondernemer is, doet niet af aan de heffing, omdat het gaat om de bestemming van het pand. De rechtbank acht aannemelijk dat een draagvlakmeting heeft plaatsgevonden in oktober 2019, zoals vereist volgens de wet.

De rechtbank concludeert dat de aanslagen terecht zijn opgelegd en verklaart de beroepen ongegrond. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter F. Brekelmans op 7 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de opgelegde BIZ-bijdrage.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/1162 en LEE 25/1163

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 juli 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 februari 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor de onroerende zaak [adres] (de onroerende zaak) voor de belastingjaren 2023 en 2024 aanslagen bedrijveninvesteringszone (BIZ) opgelegd. Met deze aanslagen heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een jaarlijkse BIZ-bijdrage in rekening gebracht van € 250.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en als waarnemer van de gemachtigde van de heffingsambtenaar [naam] .

Feiten

1.6.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is gelegen in de bedrijveninvesteringszone “Bedrijventerrein [plaats 1] ”.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de BIZ-bijdrage terecht van belanghebbende is geheven. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de BIZ-bijdrage terecht van belanghebbende geheven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wettelijk kader
4. In de Wet op de bedrijveninvesteringszones (Wet BIZ) staat, voor zover hier van belang:

Artikel 1.

1. De gemeenteraad kan onder de naam BIZ-bijdrage een belasting instellen ter zake van binnen een bepaald gebied in de gemeente (bedrijveninvesteringszone) gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.

(…)
p
Artikel 4

1 De verordening waarbij de BIZ-bijdrage wordt ingesteld treedt niet in werking dan nadat gebleken is van voldoende steun onder de bijdrageplichtigen.

2 Het college van burgemeester en wethouders stelt iedere bij de gemeente bekende bijdrageplichtige na vaststelling van de verordening in de gelegenheid zich schriftelijk voor of tegen inwerkingtreding uit te spreken. In afwijking van het peilmoment, bedoeld in artikel 1, derde en vierde lid, wordt degene die blijkens de bij de gemeente op dat moment bekende gegevens een onroerende zaak in de beoogde bedrijveninvesteringszone gebruikt of daarvan het genot heeft aangemerkt als bijdrageplichtige.

3 Bij de toepassing van het tweede lid zorgt het college van burgemeester en wethouders dat alle bijdrageplichtigen zijn geïnformeerd over de strekking van de verordening.

4 Het college zorgt er voor dat de vertrouwelijkheid van de strekking van de schriftelijke verklaring van de bijdrageplichtige gewaarborgd is.
Artikel 5

1 Van voldoende steun is sprake indien na toepassing van artikel 4 blijkt Pro dat:

a. ten minste de helft van de bijdrageplichtigen zich voor of tegen inwerkingtreding heeft uitgesproken,
b. ten minste tweederde deel daarvan zich vóór inwerkingtreding heeft uitgesproken, en
c. de som van de WOZ waarden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van onroerende zaken in gebruik bij danwel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken vóór inwerkingtreding hoger is dan de som van de WOZ waarden in gebruik bij danwel in eigendom van bijdrageplichtigen die zich hebben uitgesproken tegen inwerkingtreding.
4.1.
De aanslag BIZ-bijdrage in deze zaak is opgelegd op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidie voor de bedrijveninvesteringszones ‘Centrum [plaats 1] ’, ‘Bedrijventerreinen [plaats 1] ’ en ‘Bedrijventerrein [plaats 2] ’ (de Verordening). In de Verordening staat – voor zover hier van belang – onder meer:

Artikel 2 Belastbaar Pro feit en aard van de belasting1. Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.
2. De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.
Artikel 3 Belastingobject ProBelastingobject is de onroerende zaak bedoeld in artikel 16 van Pro de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4 Belastingplicht Pro1. De BIZ-bijdrage wordt geheven van de gebruiker, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar in de BI-zones gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt.
(...)
Artikel 7 Tarief Pro BIZ-bijdrage(…)
2. De BIZ-bijdrage voor de BI-zones ‘Bedrijventerreinen [woonplaats] ’ en ‘Bedrijventerrein [plaats 2] ’ bedraagt 0,245% van de WOZ-waarde met een minimum van € 250,00 en een maximum van € 5.000,00 per bijdrage plichtige. Indien de WOZ-waarde beneden € 60.000,00 blijft, wordt geen belasting geheven.”
De standpunten van partijen
5. Belanghebbende is van mening dat de BIZ-bijdrage ten onrechte van hem is geheven, omdat hij geen ondernemer is. Belanghebbende voert daar toe aan dat uit de tekst van de Verordening en de Wet BIZ blijkt dat de BIZ-bijdrage alleen geldt voor ondernemers. Uitlatingen van de gemeenteraad en van ondernemersverenigingen uit de omgeving bevestigen dit volgens hem. Verder is belanghebbende van mening dat er geen stemming voor een draagvlakmeting heeft plaatsgevonden voor het inwerking treden van de Verordening, terwijl dit wel had gemoeten.
6. De heffingsambtenaar stelt op juiste gronden de aanslag BIZ-bijdrage te hebben opgelegd. De omstandigheid dat belanghebbende de onroerende zaak in privé bezit doet daar niet aan af, omdat het om de bestemming gaat. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar verklaard dat er een stemming voor de draagvlakmeting gepland stond in oktober 2019.
Het oordeel van de rechtbank
7. Uit de wetssystematiek volgt dat de Verordening pas in werking kan treden bij voldoende draagvlak onder de bijdrageplichtigen. [1] Artikel 4 van Pro de Wet BIZ kent geen voorschriften voor de wijze waarop het college van burgemeesters en wethouders de draagvlakmeting uitvoert. De bewijslast of is voldaan aan deze eis ligt bij de heffingsambtenaar.
7.1.
De rechtbank acht het aannemelijk dat er een draagvlakmeting heeft plaatsgevonden in oktober 2019. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Onder de intitulé van de Verordening staat onder andere ‘
gezien het voorstel van het College van Burgemeester en Wethouders van 29 oktober 2019’. Dit sluit aan bij de verklaring van de heffingsambtenaar dat er in oktober 2019 een stemming voor de draagvlakmeting stond gepland. Uit de wetssystematiek volgt daarnaast dat een draagvlakmeting vereist is voor inwerkingtreding. De enkele stelling van belanghebbende, zonder nadere onderbouwing, dat er geen stemming zou hebben plaatsgevonden verandert dit niet.
8. Tussen partijen is verder niet in geschil dat belanghebbende in de jaren 2023 en 2024 eigenaar was van de onroerende zaak. Ook is niet in geschil dat de onroerende zaak is gelegen in het bij de Verordening aangewezen gebied waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. Partijen houdt ook niet meer verdeeld dat er sprake is van één object, waarbij de hoogte van de WOZ-waarde voor het object voor de jaren 2023 en 2024 ook niet in geschil is.
8.1.
De rechtbank overweegt vervolgens dat de BIZ-bijdrage wordt geheven van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. [2] Belanghebbende gebruikt de onroerende zaak niet om te wonen, maar enkel als stalling. Naar het oordeel van de rechtbank dient de onroerende zaak daarmee niet in hoofdzaak tot woning. De rechtbank gelooft op zichzelf wel dat belanghebbende de onroerende zaak niet als bedrijfspand gebruikt, maar dat is niet van belang voor het belastbare feit. Als de heffingsambtenaar een aanslag BIZ-bijdrage op wil leggen, gaat het erom of de betreffende onroerende zaak niet in hoofdzaak tot woning dient. Dit is volgens de rechtbank het geval en daarom heeft de heffingsambtenaar terecht de BIZ-bijdrage bij belanghebbende geheven.
Tot slot
9. De rechtbank hecht eraan het volgende op te merken. De mondelinge behandeling van een zaak dient aan de ene kant om partijen de gelegenheid te bieden hun standpunten toe te lichten en aan de andere kant om de rechtbank de gelegenheid te geven opheldering te krijgen over punten die haar niet duidelijk zijn. De gemachtigde van de heffingsambtenaar bleek op de zitting specifieke vragen niet te kunnen beantwoorden en zij bleek niet op de hoogte te zijn van welke stukken wel en niet in het dossier aanwezig zijn. De rechtbank vindt dat van een bestuursorgaan meer mag worden verwacht.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat aanslagen BIZ in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 7 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.zie artikel 4, eerste en tweede lid, van de Wet BIZ
2.Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening in samenhang met artikel 220a van de Gemeentewet.