ECLI:NL:RBNNE:2026:3088

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
C/18/258587 / KG ZA 26/323
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:119 BWArt. 8 EVRMArt. 10 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Contact- en uitingsverbod tegen voormalige klant wegens onrechtmatig gedrag jegens bankmedewerkers

De ING Bank vordert een contactverbod, benaderingsverbod, locatieverbod en uitingsverbod tegen een voormalige klant die sinds 2017 een conflict heeft met de bank over een hypotheekverhoging. De klant heeft jarenlang medewerkers van de bank ongevraagd benaderd, klachten ingediend, en op sociale media grievende en feitelijk onjuiste uitlatingen gedaan, waaronder het noemen van namen en het plaatsen van een beledigende afbeelding van een hypotheekadviseur.

De rechtbank stelt vast dat het gedrag van de klant onrechtmatig is jegens de bank en haar medewerkers, omdat het hun persoonlijke levenssfeer en reputatie schaadt. Ondanks herhaalde verzoeken en waarschuwingen heeft de klant zijn gedrag niet gestaakt, wat leidt tot een onevenredige belasting van de bankorganisatie en gevoelens van onveiligheid bij medewerkers.

De voorzieningenrechter legt een algemeen contactverbod op voor drie jaar, beperkt het locatieverbod tot 25 meter van ING-kantoren, en verbiedt de klant publieke uitlatingen over het conflict en het noemen van namen van medewerkers zolang de fouten niet in een gerechtelijke procedure zijn vastgesteld. Tevens wordt de klant veroordeeld tot het verwijderen van alle relevante online berichten binnen 24 uur en tot betaling van een dwangsom en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank legt een contact- en uitingsverbod op aan de voormalige klant wegens onrechtmatig gedrag jegens ING Bank en haar medewerkers.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: C/18/258587 / KG ZA 26-323
Vonnis in kort geding van 24 juli 2026
in de zaak van
ING BANK N.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: de ING Bank,
advocaat: mr. A.L. de Vogel,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de akte overlegging producties van de ING Bank;
- de e-mail met conclusie van antwoord van 15 juli 2026;
- de mondelinge behandeling van 17 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van de ING Bank.

2.De feiten

2.1.
Tussen [gedaagde] en ING heeft een langdurige contractuele relatie bestaan. [gedaagde] heeft in 2017 een hypothecaire lening bij de ING Bank afgesloten. Hierbij was een hypotheekadviseur van de ING Bank betrokken, namelijk de heer [hypotheekadviseur] (hierna: de heer [hypotheekadviseur] ). In 2020 heeft [gedaagde] een verzoek om verhoging van zijn hypotheek ingediend. Dit verzoek is door de ING Bank afgewezen.
2.2.
De hiervoor beschreven gang van zaken is voor [gedaagde] aanleiding geweest voor het indienen van meerdere interne klachten bij de ING Bank en het op diverse wijze contacteren van (medewerkers van) de ING Bank. Dit alles heeft geleid tot een conflict tussen partijen, waarin sindsdien veel is gebeurd. Het gaat onder meer om het navolgende.
2.3.
De ING Bank heeft [gedaagde] meerdere malen verzocht om haar medewerkers niet langer te benaderen over klachten die al waren behandeld. [gedaagde] is er daarbij op gewezen dat medewerkers zich hierdoor geïntimideerd voelen en dat hij zijn klachten kan voorleggen aan het Kifid of aan de bevoegde rechter. Op den duur is [gedaagde] gewaarschuwd dat zijn bancaire relatie kan worden beëindigd als hij daarmee doorgaat omdat het vertrouwen in hem is beschadigd. Uiteindelijk is de bancaire relatie beëindigd per 1 maart 2023. In de periode daarna hebben partijen nog diverse keren gecorrespondeerd en is [gedaagde] meerdere keren gesommeerd om te stoppen met het benaderen van medewerkers van de ING Bank en het plaatsen van berichten over hen op sociale media. Daarnaast hebben er meerdere zogenaamd stop gesprekken plaatsgevonden tussen de wijkagent en [gedaagde] en zijn er meerdere landelijke kantoorverboden aan [gedaagde] opgelegd. De ING Bank heeft aangifte gedaan van huisvredebreuk omdat [gedaagde] zich daar niet aan heeft gehouden. Daarnaast heeft de ING Bank aangifte gedaan van smaad en laster.
2.4.
[gedaagde] heeft op LinkedIn diverse berichten geplaatst, al dan niet als reactie onder berichten van anderen. In die berichten omschrijft hij zijn conflict met de ING Bank, noemt hij de namen van diverse medewerkers van de ING Bank en roept hij hen op om met hem in gesprek te gaan. Een selectie van de berichten wordt hieronder weergegeven:
“Beste (…), mijn ervaring met [hypotheekadviseur] is helaas een andere. (…)
Geen enkele prijs voor ING dit jaar! Hoe zou dat nu toch komen [hypotheekadviseur] ?
Hoezo wist een medewerker van ING Nederland het wel? Hij wees jou (en je directeur [naam 1] ) er middels een email op. Maar dat was niet gewenst. Hij (de klokkenluider) kreeg acuut een spreekverbod en werd overgeplaatst! Hoe integer ben je dan? Hoezo maatwerk? Geef je fouten toe [hypotheekadviseur] . Bied je collega in Hilversum je
excuses aan en ga in gesprek voordat de zaak verder escaleert. Ach, en hoe zou jij hebben gehandeld in 40-45? Ik denk het antwoord wel te weten. (…)
Onbewust moet ik gedurende de meidagen vaak aan de 2e W.O. denken. Soms denk je, 'wat zou ik gedaan hebben?" In mijn dorp woonden veel NSB'ers. (…) Enkele zonen hebben aan het Oostfront gevochten. Sommige zijn er gebleven... Wat was hun motivatie? Armoede, de zucht naar avontuur?
Soms weet je niet wat er schuilt achter iemands handelen. Neem m’n ING hypotheekadviseur [hypotheekadviseur] . uit [plaats] . Was hij echt niet op de hoogte van m'n schriftelijke afspraken met z'n
bank?(…)
Je collega's riepen je op de afgelegde eed (zie ‘Orange Code") te respecteren en met mij in gesprek te gaan. ‘Integrity above all" lees ik hier. Vraag ik om uitleg, geef je niet thuis. Wat ben je dan voor waardeloze adviseur? Heb je er überhaupt wel naar gekeken? Je stelde
geen enkele vraag! Kom op [hypotheekadviseur] geef inzage met welke waarden je hebt gerekend! Omdat ik vriendelijk bleef aandringen op een gesprek werden al m'n rekeningen opgezegd en m'n hypotheek afgenomen. Er werd zelfs gedreigd met publieke verkoop van m'n
woning! Ik beschouw het als diefstal. Ware het niet civielrechtelijk had ik aangifte gedaan. Wist je echt niet [hypotheekadviseur] van m'n afspraak met ING? En collega [naam 2] (…)
Schokkend dat een medewerker van ING zo onbetrouwbaar blijkt te zijn en dat er met een trouwe klant aan wie de bank in de voorgaande jaren zo grof heeft verdiend, op deze wijze wordt omgegaan. En dat door een hypotheekadviseur die het niet nauw neemt met de regels, z’n afspraken niet nakomt en vervolgens weigert middels correcte communicatie verantwoording af te leggen. Ik snap het niet. Is het gebrek aan kennis bij de adviseur, is het gemakzucht, is het arrogantie, of is het weloverwogen m.a.w. zit er een strategie achter, zodat ING maximaal aan z’n klant verdient? Zeg het maar [hypotheekadviseur] . (…)”
2.5.
Op 29 juni 2026 heeft [gedaagde] een artikel op LinkedIn geplaatst met de titel: “
Hoe een ING hypotheekadviseur de eigen voorwaarden negeert, z’n klant niet kent en weigert inzage te geven. M.a.w. een kampioen hypotheek verprutsen” Bij het artikel staat een bewerkte foto van de heer [hypotheekadviseur] , waarbij een zwart balkje voor de ogen van de heer [hypotheekadviseur] is geplaatst, er een wedstrijdbeker in zijn hand is geplaatst, tezamen met een medaille om zijn nek, een kroon op zijn hoofd en een mantel over zijn schouders. Verder is op de afbeelding een bordje met de volgende tekst geplaatst:

MIJN SUCCESFORMULE:
√ Te laat
√ Fout berekend
√ Klient ongeduldig
√ Mission complete
In de inleiding van het artikel staat de volgende tekst:
“Een vriendelijk verzoek aan m'n vroegere hypotheekadviseur bij ING ( [hypotheekadviseur] )
om met me in gesprek te gaan en me uit te leggen op basis waarvan hij in
maart 2020 meende mijn verzoek om m'n hypotheek met 150k te verhogen te
moeten weigeren”

3.Het geschil

3.1.
De ING Bank vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de volgende voorzieningen treft:
I. Een contactverbod, door [gedaagde] te verbieden om direct of indirect contact op te nemen met enige medewerker van ING, waaronder begrepen - maar niet limitatief - persoonlijk contact, telefonisch contact, via e-mail, brieven, berichten via messaging-diensten (WhatsApp/Signal/Telegram e.d.), en benadering via social media (waaronder LinkedIn);
II. [gedaagde] te verbieden om via LinkedIn of andere social media: (a) actief te zoeken naar medewerkers van ING; (b) profielen van medewerkers van ING te bekijken; (c) medewerkers van ING te benaderen (o.a. via connectieverzoeken of direct messaging); en (d) te reageren via reply’s of comments op of anderszins interactie aan te gaan met berichten/posts van medewerkers van ING;
III. Een benaderingsverbod, door [gedaagde] te verbieden om medewerkers van ING op welke wijze dan ook te benaderen of aan te spreken, zowel binnen als buiten ING- locaties, waaronder mede begrepen het opzoeken of afwachten van medewerkers bij in- of uitgangen of in de directe omgeving;
IV. Een locatie- of kantoorverbod, door [gedaagde] te verbieden om zich te bevinden in of binnen een straal van 250 meter van enig ING-kantoor in Nederland, waaronder in ieder geval de ING-kantoren te Apeldoorn, Emmen en Zwolle, met uitzondering van het louter passeren zonder stil te staan, zonder medewerkers te benaderen en zonder de locatie te betreden;
V. Een uitingsverbod, door [gedaagde] te verbieden om - op welke wijze dan ook - uitlatingen te doen of te publiceren over ING en/of haar medewerkers die (i) onnodig grievend zijn, en/of (ii) feitelijk onjuist zijn, en/of (iii) zonder deugdelijke feitelijke grondslag beschuldigingen inhouden die (kunnen) leiden tot reputatieschade, onrust of onveiligheidsgevoelens;
VI. Een verwijderbevel, door [gedaagde] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis alle door hem geplaatste of gedeelde LinkedIn-berichten, posts, comments, artikelen en overige social-media-content waarin ING en/of ING-medewerkers worden genoemd of herkenbaar zijn, te verwijderen en verwijderd te houden, daaronder begrepen posts, reposts, gedeelde berichten en reacties voor zover onder zijn controle, en zich te onthouden van (her)plaatsing, delen of anderszins verspreiden daarvan;
VII. Voor zover content van [gedaagde] over ING zich (mede) buiten zijn directe controle bevindt (bijvoorbeeld via shares door derden), [gedaagde] te bevelen om LinkedIn en/of het betreffende platform schriftelijk te verzoeken om verwijdering of beperking van verdere verspreiding, onder overlegging van een kopie van dat verzoek aan de advocaat van ING;
VIII. Aan ieder van de verboden/bevelen onder I t/m VII een dwangsom te verbinden van € 1.000,00 per overtreding en € 1.000,00 per dag (of gedeelte daarvan) dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 75.000,00;
IX. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, het salaris en nasalaris van de advocaat van ING daaronder mede begrepen, met de bepaling dat de proceskosten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
De ING Bank legt kort samengevat aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar handelt in de zin van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). [gedaagde] neemt al jaren op allerlei manieren ongewenst contact op met (medewerkers van) de ING Bank en hij publiceert online beschuldigingen over hen. Met dit gedrag maakt [gedaagde] inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en de eer en goede naam van (medewerkers van) de ING Bank.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de ING Bank. Kort samengevat stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de door de ING Bank gevorderde verboden niet voldoen aan de eisen van proportionaliteit. Volgens [gedaagde] heeft hij een goede reden om contact op te nemen met (medewerkers van) de ING Bank en om over hen te publiceren. [gedaagde] wil graag in gesprek komen met de heer [hypotheekadviseur] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het spoedeisend belang van de ING Bank is naar het oordeel van de voorzieningenrechter met de aard van de vorderingen gegeven. [gedaagde] heeft dit spoedeisend belang ook niet betwist.
Inzage in dossier
4.2.
In zijn conclusie van antwoord heeft [gedaagde] de ING Bank verzocht om inzage te geven in zijn dossier, hetgeen zou kunnen worden opgevat als tegenvordering. De voorzieningenrechter heeft [gedaagde] , zowel voorafgaand aan als op de zitting, geïnformeerd dat een dergelijke tegenvordering in een handelszaak slechts kan worden ingesteld door een partij die bij advocaat is verschenen. Aangezien daarvan geen sprake is, zal de voorzieningenrechter geen beslissing nemen op het verzoek van [gedaagde] .
Toetsingskader
4.3.
De door de ING Bank gevorderde verboden en geboden komen neer op een te maken belangenafweging. Waar het gaat om het gevorderde contactverbod, benaderingsverbod en locatie- of kantoorverbod gaat het om een afweging van het recht van [gedaagde] om vrijelijk contact op te kunnen nemen met een ander, dan wel het recht om zich vrijelijk te kunnen verplaatsen en het daar tegenover staande recht van (medewerkers van) de ING Bank op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 van Pro het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, hierna EVRM). Bij het gevorderde uitingsverbod en verwijderbevel gaat om een afweging van het recht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM Pro) tegenover het door artikel 8 EVRM Pro beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van (medewerkers van) de ING Bank. Bij een botsing tussen deze rechten moet, om te bepalen welk recht zwaarder weegt, een belangenafweging plaatsvinden, waarbij alle van belang zijnde feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen.
4.4.
Als de vorderingen van de ING Bank (deels) worden toegewezen, betekent dit dat voornoemde rechten van [gedaagde] worden beperkt. Dit is slechts toegestaan als dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving (artikel 8 lid 2 en Pro artikel 10 lid 2 EVRM Pro). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake als de voorzieningenrechter tot het oordeel komt dat een of meer uitlatingen en/of handelingen van [gedaagde] jegens de ING Bank onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW Pro. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan sprake. Dat wordt hieronder toegelicht.
Contactverbod / benaderingsverbod / locatie- of kantoorverbod
4.5.
Vast staat dat [gedaagde] al jaren in onmin leeft met de ING Bank omdat hij het niet eens is met het handelen van zijn voormalig hypotheekadviseur, de heer [hypotheekadviseur] , in 2017 en 2020 en de wijze waarop de ING Bank zich daarna jegens hem heeft opgesteld (hierna te noemen: het conflict). Eveneens staat vast dat [gedaagde] over dit handelen diverse klachten heeft ingediend bij de ING Bank, maar dat [gedaagde] ontevreden is met de uitkomst van die klachtprocedures.
4.6.
Het is de voorzieningenrechter genoegzaam gebleken dat het conflict tussen partijen [gedaagde] frustreert, dat hij zich ongehoord voelt en dat hij op zoek is naar erkenning van zijn onvrede. Zoals de voorzieningenrechter [gedaagde] ter zitting heeft voorgehouden, en waar de ING Bank hem ook diverse malen op heeft gewezen, staat het [gedaagde] vrij om het handelen van de ING Bank ter toetsing voor te leggen in een door hem aanhangig te maken gerechtelijke procedure. Dat heeft [gedaagde] tot op heden om hem moverende redenen niet gedaan. De manier waarop [gedaagde] in plaats daarvan met zijn onvrede omgaat, is echter niet de juiste manier. In tegendeel, met deze handelswijze handelt [gedaagde] naar het oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig. Die onvrede heeft er namelijk toe geleid dat [gedaagde] al jaren veelvuldig via diverse kanalen, zowel fysiek als digitaal, contact zoekt met (medewerkers van) de ING Bank om zijn ongenoegen te uiten over het conflict, om de kwestie met zijn hypotheek aan medewerkers ter beoordeling voor te leggen en om in gesprek te komen met (in ieder geval) de heer [hypotheekadviseur] . De ING Bank heeft vanaf maart 2020 een overzicht bijgehouden met daarin het aantal contactmomenten van, met en over [gedaagde] (ruim 170 tot op heden). Blijkens dit overzicht, waartegen door [gedaagde] geen verweer is gevoerd, bestaat dit contact uit het sturen van e-mails, het inspreken van voicemails, het sturen van brieven, het bezoeken van locaties van de ING Bank en het reageren op berichten van of het sturen van uitnodigingen aan medewerkers van de ING Bank op LinkedIn. Ook worden bij de kantoorlocatie van de ING Bank te Zwolle collega’s van de heer [hypotheekadviseur] aangesproken met de vraag of de heer [hypotheekadviseur] aanwezig is en wordt de heer [hypotheekadviseur] in LinkedIn berichten veelvuldig opgeroepen om met [gedaagde] in gesprek te gaan. Ter zitting lichtte de veiligheidscoördinator van de ING Bank toe dat er de afgelopen jaren inmiddels 40 medewerkers bij [gedaagde] betrokken zijn (geweest), hetgeen door [gedaagde] niet is weersproken. [gedaagde] is door de ING Bank herhaaldelijk verzocht om deze contactpogingen te stoppen, maar heeft daaraan geen gehoor willen geven.
4.7.
Uit voornoemde gang van zaken volgt dat [gedaagde] ervoor kiest om het conflict niet te laten rusten, terwijl hij het ook niet door een rechterlijke instantie laat beoordelen. Op deze wijze blijft hij het conflict bij (medewerkers van) de ING Bank aanwakkeren en blijft het voortduren. Gelet op het onevenredig grote aantal contactpogingen en het aantal medewerkers dat hierbij door [gedaagde] wordt betrokken, evenals de wijze waarop, handelt [gedaagde] onrechtmatig. De ING Bank heeft er belang bij dat haar medewerkers van dergelijk handelen van [gedaagde] verschoond blijven. Het is bovendien goed voorstelbaar dat dit handelen van [gedaagde] impact heeft op de heer [hypotheekadviseur] en de overige betrokken medewerkers en dat dit leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid, zoals de ING Bank heeft betoogd. [gedaagde] lichtte ter zitting toe dat hij die gevoelens weliswaar kan begrijpen, maar dat hij vindt dat hij daar een goede reden voor heeft. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat [gedaagde] niet voornemens is om zijn contactpogingen uit zichzelf te staken. Het tegen diens wil blijven benaderen van een ander maakt inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van die ander en dat is onrechtmatig.
4.8.
Daarnaast heeft de ING Bank onweersproken toegelicht dat de contactpogingen van [gedaagde] leiden tot een onevenredige belasting van haar organisatie omdat zij al jaren capaciteit voor [gedaagde] moet inzetten. De ING Bank noemt onder andere het voortdurend moeten reageren op berichten van [gedaagde] , het inzetten van veiligheidsfunctionarissen en juristen, het omleiden van de e-mails van [gedaagde] , het informeren van medewerkers en het signaleren of er nieuwe contactpogingen of incidenten plaatsvinden. De voorzieningenrechter is met de ING Bank van oordeel dat dit in deze mate niet kan worden beschouwd als een normaal uitvloeisel van een klantgeschil. Ook om die reden heeft de ING Bank belang bij de door haar gevorderde verboden.
4.9.
Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de ING Bank om gevrijwaard te worden van de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om vrijelijk contact te kunnen opnemen met een ander en zich in vrijheid te kunnen verplaatsen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rechtvaardigt het onrechtmatig handelen van [gedaagde] daarom de gevorderde verboden. Deze zijn weliswaar verstrekkend, maar de voorzieningenrechter acht geen grond aanwezig voor een beperking daarvan. Hierbij acht de voorzieningenrechter relevant dat het handelen van [gedaagde] in de afgelopen jaren niet is verminderd, zelfs niet nadat daartoe talrijke verzoeken door de ING Bank zijn gedaan, een contactpersoon bij de ING Bank is aangewezen, stopgesprekken met de wijkagent hebben plaatsgevonden en landelijke toegangsverboden zijn opgelegd. Dit alles heeft niet geholpen, ook niet nadat [gedaagde] op den duur herhaaldelijk is gewaarschuwd dat zijn handelen zou kunnen leiden tot het beëindigen van de bancaire relatie en dat uiteindelijk ook is gebeurd. Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat [gedaagde] ook in de toekomst soortgelijk onrechtmatig gedrag zal blijven vertonen. Bovendien bleek ter zitting dat [gedaagde] nog steeds groot belang hecht aan een persoonlijk gesprek met de heer [hypotheekadviseur] , zodat de voorzieningenrechter het aannemelijk acht dat [gedaagde] hierin zal blijven volharden.
4.10.
De gevorderde verboden richten zich niet alleen op de heer [hypotheekadviseur] of de medewerkers met wie [gedaagde] tot dusver contact heeft gezocht, maar op alle medewerkers van de ING Bank. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een dergelijk algeheel verbod toe te wijzen. De ING Bank heeft onweersproken toegelicht dat [gedaagde] de afgelopen jaren steeds andere medewerkers is gaan contacteren. Als de verboden worden beperkt tot een specifieke groep medewerkers, vreest de ING Bank om die reden dat [gedaagde] op zoek zal gaan naar nieuwe medewerkers die hij kan benaderen om het conflict aan voor te leggen. Aangezien [gedaagde] zich niet lijkt te beperken tot de heer [hypotheekadviseur] of enkele andere betrokken medewerkers, de laatste contactpogingen van [gedaagde] nog vrij recent zijn en hij ook niet voornemens is om zijn contactpogingen te beëindigen, is een algeheel verbod op zijn plaats. Hierbij acht de voorzieningenrechter ook van belang dat [gedaagde] , als gevolg van het eindigen van de bancaire relatie, geen reden heeft om contact te blijven zoeken met medewerkers van de ING Bank. [gedaagde] heeft zelf ook geen redenen naar voren gebracht waarom het voor hem noodzakelijk is om contact op te kunnen nemen met (medewerkers van) de ING Bank, anders dan over het conflict. Indien [gedaagde] daarover alsnog een gerechtelijke procedure aanhangig wenst te maken, dan kan [gedaagde] via zijn advocaat contact opnemen met de ING Bank, mocht dat noodzakelijk zijn. [gedaagde] wordt dus niet beperkt in de afwikkeling daarvan.
4.11.
De ING Bank heeft de verboden (onder I tot en met IV) afzonderlijk en gedetailleerd omschreven, maar de voorzieningenrechter ziet aanleiding om daartoe één algemeen contactverbod op te leggen. Alle verboden vallen immers onder een algemeen contactverbod, met inbegrip van het benaderen van medewerkers (fysiek of online). Voor een sociale media verbod tot het actief te zoeken naar medewerkers van de ING Bank of het bekijken van hun profielen ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding. Het is [gedaagde] immers niet toegestaan om contact met hen op te nemen. De ING Bank heeft onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] met dergelijke handelingen inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van deze medewerkers, zonder dat contact met hen wordt opgenomen. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat het om openbare LinkedIn-profielen van ING medewerkers gaat.
4.12.
Tot slot zal de voorzieningenrechter de gevorderde reikwijdte van het locatie- en kantoorverbod beperken van 250 meter naar 25 meter vanaf de in- en uitgang(en). Een reikwijdte van 250 meter leidt tot een onevenredige beperking van de vrijheid van [gedaagde] om zich te kunnen verplaatsen, terwijl dit niet noodzakelijk is. Met het contactverbod is het [gedaagde] immers al niet toegestaan om medewerkers aan te spreken.
Uitingsverbod en verwijderbevel
4.13.
[gedaagde] uit zijn onvrede inmiddels niet alleen meer intern bij (medewerkers van) de ING Bank, maar hij uit zijn onvrede ook online op LinkedIn, door zelf berichten te plaatsen en door te reageren op berichten van anderen, waaronder (medewerkers van) de ING Bank. In die berichten uit [gedaagde] zijn frustratie jegens de ING Bank, de heer [hypotheekadviseur] en enkele andere medewerkers van de ING Bank. Daarbij wordt de heer [hypotheekadviseur] met naam en toenaam genoemd en worden beschuldigingen jegens hem geuit. Meest recent heeft [gedaagde] het bericht onder rechtsoverweging 2.5 geplaatst.
4.14.
De voorzieningenrechter overweegt dat [gedaagde] in beginsel recht heeft op vrijheid van meningsuiting en dat hij zich kritisch moet kunnen uitlaten over zaken van publiek belang, maar dat dit recht wordt begrensd door de zorgvuldigheid en de betamelijkheid die in het maatschappelijk verkeer jegens anderen in acht genomen dienen te worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] die grenzen overschreden. De berichten van [gedaagde] bevatten allerlei beschuldigingen jegens de heer [hypotheekadviseur] en zijn collega’s, waarbij [gedaagde] ervoor kiest om daarbij hun namen te openbaren. Met een verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog, het bericht van 29 juni 2026 met beschuldigingen en met een ongepaste afbeelding van de heer [hypotheekadviseur] , alsmede het onnodig en herhaaldelijk noemen van de namen van de heer [hypotheekadviseur] en zijn collega’s, maakt [gedaagde] inbreuk op hun recht op de bescherming van hun eer en goede naam, zoals neergelegd in artikel 8 EVRM Pro. Zelfs al zou [gedaagde] gelijk hebben als het gaat om de kwestie rondom zijn hypotheek, dan rechtvaardigt dat deze manier van handelen niet. Naar oordeel van de voorzieningenrechter kan van de ING Bank als werkgever niet worden verwacht dat zij accepteert dat [gedaagde] haar werknemers belast met dergelijke openbare beschuldigingen. De belangen van de medewerkers wegen zwaarder dan het belang van [gedaagde] om zich hierover te kunnen uiten.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om [gedaagde] eveneens te verbieden om nog uitlatingen te doen over de ING Bank, voor zover deze uitlatingen zijn gericht op het conflict. [gedaagde] beschuldigt de ING Bank in zijn berichten veelvuldig van fouten in het hypotheektraject, terwijl [gedaagde] die fouten nog nimmer heeft laten beoordelen door het Kifid of een rechterlijke instantie. Met de toon en de inhoud van de berichten wordt de eer en goede naam van (medewerkers van) de ING Bank aangetast, zonder dat [gedaagde] een belang heeft bij deze openbare uitingen. Ter zitting bleek immers dat het doel van deze berichtgeving is om over het conflict in gesprek te komen met de heer [hypotheekadviseur] of met andere medewerkers van de ING Bank, maar dat de ING Bank daar niet langer voor openstaat. Het doel waarmee [gedaagde] de berichten plaatst, wordt daarmee dus niet behaald. De eer en goede naam van de ING Bank wordt daardoor onnodig aangetast. De door de ING Bank gestelde, en door [gedaagde] niet betwiste, reputatieschade acht de voorzieningenrechter aannemelijk.
4.15.
De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het uitingsverbod toe te wijzen. De wijze waarop de ING Bank het uitingsverbod heeft geformuleerd, kan echter leiden tot onduidelijkheid over de vraag of het verbod wordt overtreden. Bovendien lijkt het overtreden daarvan af te hangen van de wijze waarop de berichtgeving door (medewerkers van) de ING Bank wordt geïnterpreteerd, namelijk of dit voor hen leidt tot reputatieschade, onrust of onveiligheidsgevoelens. Dat acht de voorzieningenrechter onwenselijk. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat [gedaagde] zich dient te onthouden van publieke uitlatingen over medewerkers van de ING Bank, in die zin dat hij hun namen niet langer in openbare berichtgevingen mag delen. Daarnaast zal de voorzieningenrechter bepalen dat [gedaagde] zich dient te onthouden van publieke uitlatingen over het conflict met de ING Bank, zolang de door hem gestelde fouten niet in een gerechtelijke procedure zijn vastgesteld.
4.16.
Verder zal [gedaagde] worden bevolen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis ervoor zorg te dragen dat alle online berichtgeving over het conflict met de ING Bank wordt verwijderd. Hetzelfde geldt voor de berichten waarin namen van medewerkers van de ING Bank worden genoemd, dus ook zonder dat daarbij wordt verwezen naar het conflict. Voor het toewijzen van de vordering onder VII ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding aangezien de ING Bank onvoldoende heeft onderbouwd dat dit nog noodzakelijk is nadat de (eventueel gedeelde) berichten door [gedaagde] zijn verwijderd.
Duur van de verboden
4.17.
In verband met de proportionaliteit zal de voorzieningenrechter aan de gevorderde verboden een termijn verbinden van drie jaar, ingaande na betekening van dit vonnis. Mocht [gedaagde] een gerechtelijke procedure over het conflict aanhangig willen maken, dan is aannemelijk dat daarover binnen die termijn een gerechtelijke beslissing wordt genomen. De voorzieningenrechter verwacht dat [gedaagde] na een dergelijke beslissing niet langer de noodzaak zal voelen om de ING Bank over het conflict te contacteren of om daarover berichten te publiceren. Indien [gedaagde] besluit om geen gerechtelijke procedure aanhangig te maken en/of hij zich na het eindigen van de termijn niet langer vrijwillig aan de verboden gaat houden, dan staat het de ING Bank vrij om wederom een kort geding aanhangig te maken, waarna opnieuw een beoordeling zal plaatsvinden.
Dwangsom
4.18.
Gelet op het grote aantal verzoeken van de ING Bank dat [gedaagde] de afgelopen jaren naast zich heeft neergelegd en zijn houding ter zitting (zie hiervoor onder rechtsoverweging 4.7), ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan de veroordelingen een dwangsom te verbinden. De door de ING Bank gevorderde dwangsom wordt daarom toegewezen, met dien verstande dat aan de dwangsom een maximum wordt verbonden van € 20.000,00.
Proceskosten
4.19.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de ING Bank worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
126,46
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.227,46
4.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt [gedaagde] gedurende drie jaar na betekening van dit vonnis anders dan via zijn advocaat - persoonlijk, schriftelijk, telefonisch, via sociale media of anderszins contact op te nemen met (medewerkers van) de ING Bank,
5.2.
verbiedt [gedaagde] gedurende drie jaar na betekening van dit vonnis zich te bevinden in of binnen een straal van 25 meter van de in- of uitgang(en) van een kantoor van de ING Bank in Nederland, met uitzondering van het louter passeren zonder stil te staan,
5.3.
verbiedt [gedaagde] om gedurende drie jaar na betekening van dit vonnis - op welke wijze dan ook - publiekelijk uitlatingen te doen of te publiceren over de ING Bank ten aanzien van het tussen partijen bestaande conflict, zolang de door [gedaagde] gestelde fouten van de ING Bank niet in een gerechtelijke procedure zijn vastgesteld,
5.4.
verbiedt [gedaagde] om gedurende drie jaar na betekening van dit vonnis - op welke wijze dan ook - publiekelijk uitlatingen te doen of te publiceren over medewerkers van de ING Bank, in die zin dat hun namen niet in openbare berichtgevingen worden genoemd,
5.5.
gebiedt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis ervoor zorg te dragen dat alle door hem geplaatste of gedeelde online berichtgeving over het conflict met de ING Bank en/of waarin namen van medewerkers van de ING Bank zijn genoemd te verwijderen en verwijderd te houden en zich te onthouden van (her)plaatsing, delen of anderszins verspreiden daarvan,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] om aan de ING Bank een dwangsom te betalen van € 1.000,00 per overtreding en € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij zich niet aan de onder 5.1 tot en met 5.4 weergegeven verboden of het in 5.5 weergegeven gebod houdt, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.227,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.
721/NS