ECLI:NL:RBNNE:2026:3089

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
11813314 BU VERZ 25-1642
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
  • A.G.Z. Lagerweij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 13a WahvArt. 4 Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging boete wegens onduidelijkheid staandehouding en betwisting gedraging op A31

Betrokkene kreeg een boete van €309 opgelegd wegens het gebruik van een puntstuk op de A31 te Menaam op 10 december 2024. Hij betwistte de overtreding en stelde dat hij niet over de A31 had gereden, onderbouwd met reisroutes, bankafschriften en andere bewijsstukken. De verbalisant had betrokkene niet staande gehouden omdat hij in zijn privétijd en met een privévoertuig zonder transparant reed, waardoor een veilige staandehouding niet mogelijk was.

De kantonrechter oordeelde dat de verbalisant geen reële mogelijkheid had om betrokkene staande te houden en dat de overtreding niet kon worden vastgesteld omdat betrokkene aannemelijk had gemaakt niet op de pleeglocatie aanwezig te zijn. Hierdoor werd het beroep gegrond verklaard en de boete vernietigd.

Daarnaast werd de officier van justitie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, vastgesteld op €200, vanwege de aard van de zaak en toepassing van de wettelijke wegingsfactoren. De uitspraak werd mondeling gedaan op 26 juni 2026 te Leeuwarden.

Uitkomst: De boete wegens gebruik van een puntstuk op de A31 wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs en onmogelijkheid tot staandehouding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 270843292
zaaknummer: 11813314 BU VERZ 25-1642
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 26 juni 2026
in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [plaats],
gemachtigde: mr. M. Lagas, Appjection B.V..

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder een puntstuk gebruiken’, verricht op 10 december 2024, om 12:14 uur, op de A31 in Menaam, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 309,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 26 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was de vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. F. Hashimi aanwezig.
1.3.
Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete vernietigen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.

Beoordeling door de kantonrechter

Standpunten
3. Betrokkene voert aan dat hij de gedraging niet heeft verricht. Betrokkene verklaart niet over de A31 te hebben gereden. Hij woont in [plaats] en werkt op [plaats], waardoor de pleeglocatie niet op zijn gebruikelijke route ligt naar de haven. Volgens betrokkene is zijn standaardroute: [route], een route die niet over de A31 gaat. Ter ondersteuning van zijn verweer heeft hij diverse stukken aan het dossier toegevoegd, waaronder zijn reisroute, bankafschriften van tankbeurten, een overzicht van de geplande werkzaamheden voor 2024, een e-mail met de bevestiging van zijn aankomsttijd bij de veerboot naar [plaats], bankafschriften van de bootreis, een reistijdberekening vanaf hectometerpaal 31.4 R naar Harlingen en de pleeglocatie zoals vermeld in het proces-verbaal. Daarnaast voert betrokkene aan dat hij niet is staande gehouden en daardoor onverwacht geconfronteerd werd met een boete, wat zijn verdedigingsbelang schaadt. Tot slot verzoekt hij om vergoeding van de proceskosten.
4. De vertegenwoordigster is van mening dat het beroep gegrond moet worden verklaard.
Overwegingen
Hebben de verbalisanten terecht afgezien van de staandehouding?
5. In principe houdt de ambtenaar de bestuurder staande op het moment dat een verkeersovertreding wordt vastgesteld. Dit is alleen anders als er geen reële mogelijkheid is om betrokkene staande te houden en zijn identiteit te controleren. Dan mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd. [1]
5.1.
De verbalisant geeft in het aanvullend proces-verbaal aan dat betrokkene niet is staande gehouden omdat hij (de verbalisant) in zijn privétijd en met zijn privévoertuig op de Waadseewei (A31) te Menaam reed. Het privévoertuig was niet uitgerust met een transparant, waardoor een veilige staandehouding niet mogelijk was. Daarnaast kon de verbalisant vanwege de hoge snelheid van betrokkene niet waarnemen dat het voertuig elders tot stilstand werd gebracht, waardoor aanspreken op de gedraging niet mogelijk was. Hij had daarom niet een reële mogelijkheid om betrokkene staande te houden. In dit geval mocht daarom op kenteken bekeurd worden. [2]
Kan de gedraging worden vastgesteld?
6. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
6.1.
De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht, luidt als volgt: “
Ik, verbalisant, zag vanuit mijn binnenspiegel van mijn voertuig, op de oprit vanaf Dronryp, op de A31, bij hectometerpaal 31.4R, een kleine zwarte autorijden. Ik zag dat daar achter een zwarte SUV reed. Ik zag dat de zwarte SUV, over het puntstuk van de oprit, de kleine auto links inhaalde. Ik zag dat de zwarte SUV in een vloeiende beweging zijn voertuig naar rijstrook een stuurde. Ik zag dat de zwarte SUV vervolgens met hoge snelheid mij links inhaalde. Ik zag dat de zwarte SUV voorzien was van het kenteken [kenteken].”
6.2.
De kantonrechter oordeelt dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat hij op het moment dat de gedraging werd vastgesteld door de verbalisant niet op de pleeglocatie aanwezig was.
Komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking?
7. Omdat de kantonrechter het beroep gegrond zal verklaren, zal hij de officier van justitie veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Hij zal één punt toekennen met een waarde van € 666,00 voor het indienen van het administratief beroepschrift en één punt toekennen voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter met een waarde van € 934,00. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Omdat zowel de inleidende beschikking als de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 is bekendgemaakt, past hij de extra wegingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, onder a, van de Wahv toe op beide fasen. [3]
7.1.
De berekening is als volgt: (1 (procespunt) x € 666,00 (tarief) + 1 (procespunt) x € 934,00 (tarief)) x 0,5 (wegingsfactor, licht) x 0,25 (extra wegingsfactor herwaardering proceskostenvergoeding) = € 200,00. Hij zal de officier van justitie veroordelen in de kosten van € 200,00.

Conclusie

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
  • vernietigt die beslissing;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
  • vernietigt die inleidende beschikking;
  • bepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt;
  • veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene van € 200,00.
Waarvan proces-verbaal,
mr. A.G.Z. Lagerweij, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Voetnoten

1.Artikel 5 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).
2.Zie ook: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8844.
3.Artikel 4, onderdeel a, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.